GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Pro hege.

Bekijk het origineel

Bladeren
+ Meer informatie

Pro hege.

18 minuten leestijd

DERDE REEKS. (Zesde gedeelte). Het Koaingscbap van Christus en de Wetenschap.

IX,

DE VERBORGENHEDEN, (3)

Maar wij spreken de wijsheid Gods, bestaande in verborgenheid, die bedekt was, welke God tevoren verordend heeft tot heerlijkheid van ons, eer de wereld was. I Cor. 2 : 7.

De oorzaak, waardoor het komt dat wij, menschen, ons voor zulk een rijk van Verborgenheden geplaatst vinden, is niet ver te zoeken. Zeer wel toch weten we voor ODS zelf, dat we als persoonlijke wezens een kleine wereld in ons omdragen, die alleen ons zelven bekend is, en voor ieder ander geheim en verborgen blijft tot op het oogenblik, dat we zelf er iets uit openbaren. We kunnen denkbeelden, verlangens, plannen en voornemens koesteren, waarvan niemand ter wereld iets afweet; en die dan pas aan anderen bekend worden, zoo we hen óf opzettelijk in ons geheim opnemen en 't hun mededeelen, óf ons voornemen onopzettelgk aan een ons ontvallen woord merken laten. Maar 't zij de wereld van ons eigen verborgen leven geheel, 't zij dat ze slechts ten deete ons bedt blijft, dit brengt ons persoonlijk leven dan toch altoos mee, dat we ons de voorstelling kunnen maken van een wereld van gedachten die eerst dan naar bulten bekend wordt zoo hij die ze denkt, zelf er mede voor den dag komt, of ze in wat hij doet of werkt, merken laat. Zoo bevinden we het in ons zelf, en niet anders vinden we het in andere personen. Wat onpersoonlijk en onbezield zich aan ons voordoet, kunnen we aan een onderzoek onderwerpen, waarbij wij heer en meester blijven; maar ais we weten moeten wat er in iemands hart, in iemands gedachten, in zqn innerlijk leven is omgegaan, moet liij zelf spreken willen, of we komen er nooit in bijzonderheden achter. Juist dit maakt het oordeel over menschen en het oordeel over hun handelingen zoo uiterst moeilijk. Al wat uit eigen initiatief in een ander opkomt en omgaat, blijft voor ons een verborgenheid tot tijd en wijle hij 't ons zelf openbaart. Ten deele gaat dit zelfs in de dierenwereld door. De hooger bewerktuigde dieren zien we krachtens instinct handelen, maar nooit kunnen we er achter komen, hoe deze werking bij hen toegaat. Mededeeling kunnen de dieren ons niet doen van wat in hen omgaat; zich zelf aan ons openbaren kunnen ze niet; en daarom behoort de wijze waarop een spin haar webbe weeft, of de zwaluw haar nest bouwt, of in de bijenkorf het huishouden zich regelt, voor ons menschen tot een wereld van verborgenheden en geheimenissen, waar we nooit 't rechte van verstaan. De apostel «egt 't zoo schelp en juist: „Wie weet hetgeen des menschen is, dan de geest des menschen die in hem is" ? Op gelijke wijze toch moet beleden, dat niemand weet wat in het dier omgaat, dan de geest van het dier die in bij of mier werkt. Telkens komt 't dus neer op iets eigens, op iets dat we alleen kennen kunnen zoo het zich aan ons mededeelt, en dat zoolang 't zich niet aan ons openbaart, vanzelf verborgen voor ons blijft.

Onderstelt nu alle wetenschap, dat er gedachte in de dingen schuilt, dan kan het niet anders, of de gedachte, die io een ster, een bloem, een natuurkracht belichaamd is, moet er geweest zijn eer dat ding zelf er was. Die gedachte moet, zonder en buiten het ding om, in een denkend wezen gescholen hebben. En zoo komen we er vanzelf toe, om het geheimzinnige van ons eigen persoonlijk wezen over te brengen op dat alle macht in zich dragende Wezen, waaraan 't al zijn oorsprong dankt. Er ligt alzoo niets vreemds voor ons in, zoo de gedachte, die zich in het heelal belichaamd heeft, in God een geheel persoonlijk karakter draagt. Zonder een persoonlijk denkend wezen kunnen wij ons het bestaan van de wereldgedachte zelfs niet voorstellen. De verborgenheid die in ons eigen persoonlijk leven schuilt, strekt ons ten voorbeeld, hoe de gedachte van heel de wereld in God besloten was, eer ze uitkwam. Ook al mogen we ons eigen persoonlijk bestaan nooit op God overbrengen, ook bij Hem, in Wien de oorsprong aller dingen was, vinden we dan toch eerst het in Hem zelf besloten plan, d, i. de gedachte die belichaming zoekt; daarna het uitkomen van dit plan in Zijn werk; en ten derde de vraag, hoe we het innerlijk beleid van dit denken en doen des Heeren hebben te verstaan. Daarbij nu kan alleen hetgeen we in ons zelf waarnemen, ons een voorstelling geven, en die voorstelling stelt met noodzakelijkheid, dat veel meer nog dan in ons, deze wereld der gedachten in God eén verborgenheid is, die dan eerst zich voor ons ontsluiten kan, zoo hetGode zelf belieft ze ons te openbaren, en zoo Hij in ons de vatbaarheid schept, om dit geopenbaarde in ons op te nemen. Let er toch wel op, dat we hier niet van het leven, maar van de Wetenschap handelen; dat de Wetenschap altoos met ons beivustzijn te rekenen heeft; en dat wat zich ook aan ons voordoet, in den vorm van gedachte moet worden omgezet, zal het voor onze wetenschap meerekenen.

Nu staat op zichzelf de waarnemer tegenover de wereld van gedachten in een denkenden geest, tenzij dÜe geest zichzelf openbaren wil, altoos machteloos. Zoo kan bet zelfs met den rechter tegenover den misdadiger zijn. Zijn er geen uitwendige bewijzen in feiten of omstandigheden, en wil de man die de misdaad bedreef, niet spreken, zich niet openbaren, zich niet uiten, dan staat de scherpzinnigste rechter er machteloos tegenover. Niet anders is het bij verhandelingen tusschen twee regeeringen. Niet anders zelfs in den gewonen omgang van menscheta. Als de uitwendige gegevens te kort schieten, en hij met wien wa te doen hebben, wil niet spreken, dan komt men er nooit achter hoe de zaak in elkaar zit. Men kan dan gissen en vermoeden, maar zekerheid verkrijgt men niet. Dit toch is het privilege van alle persoonlijk leven, dat het zich kan afsluiten en in zichzelf opsluiten, en zich daardoor voor anderen ontoegankelijk maken. Ware derhalve in den Heere onzen God niet de wil en bedoeling om zich te openbaren en aan den mensch kennis van zichzelf, zijn raad en zijn doen mede te deelen, zoo zouden we in volstrekte geestelijke blindheid, steken blijven, en van een alle ding omvattende wetenschap zou geen sprake kunnen zijn. Wel is er altoos een feitelijke openbaring in het werk Gods zelf, d.i in de schepping, maar evenals we bij het instinct der dieren wel alles zien wat ze uitrichten, maar op de vraag naar het hoe ze dit alles alzoo uitrichten, het antwoord schuldig moeten blijven, zoo ook kan de mensch, zonder hooger openbaring, wel het werk Gods aanschouwen en nagaan, maar van het hoe en waarom en waartoe dit ailes alzoo gewrocht werd, weet hij niets. Eeuwige kracht en Goddelijkheid was van de schepping der wereld af in al het geschapene te zien en te aanbidden; maar ook afgezien van het feit, dat de zonde de gezichtskracht van ons gsestelijk oog zoozeer verminderd heeft, zou toch hetgeen we in de natuur en al haar wonderen zien en lezen kunnen, ons nooit in de geestelijke gedachte, die dit alles beheerscht, doen indringen, en zou alzoo wetenschap nooit mogelijk zijn geweest. Wetenschap is de kennis der gedachte, die in alles belichaamd is; die gedachte is uit het geestelijk Wezen onzes Gods voortgekomen; en alleen zoo dit geestelijk Wezen anderer geest met zijn Geest benadert, en zich aan ons mededeelt, of wilt ge openbaart, is voor ons wetenschap denkbaar. Moge daarom de Wetenschap al beginnen met het feitelijke dat voor oogen is, waar te nemen en te onderzoeken, toch is dit alles nog slechts het begin van haar taak. Het is nog niets dan het voorloopige werk, dat ons in staat moet stellen om straks het hoogere in ons op te nemen, en dit hoogere nu kan in ons denken eerst ingaan, zoo Hij, wiens deze hoogere gcdachtenwereld is, ons zelf daarin leidt, ons die ontvouwt, en ons bovendien de vatbaarheid verleent om het aldus geopenbaarde in ons bewustzijn op te nemen, en in wetenschappelijken vorm uit ons bewustzijn terug te geven.

Alles hangt hier dus aan ons geschapen zijn naar Gods beeld. Stonden we tegenover de wereld van onzen God even vreemd als we tegenover de wereld van het dier staan, zoo zouden we in de wereld van onzen God slechts de feiten constateeren kunnen, maar er nooit iets van kunnen verstaan of in ons opnemen. AUcen uit onze schepping naar Gods beeld daagt hier het licht. Die schepping van den mensch naar Gods beeld toch roept verwantschap in het leven, verw ntschap tusschen óns geestelijk bestaan en het geestelijk bestaan van onzen God. Zooals Paulus te Athene het van een heidenschen dichter overnam: „We zijn van Gods geslacht". Een rijke gedachte, die het Evangelie in het kindschap van God nader uitwerkt en verinnigt. Ons eigen persoonlijk bsstaan, onzs eigen gedachtenwereld, het uitgaan van ons eigen woord, het uitvoeren van eigen raad en plan, het geeft ons alles een hulpmiddel aan de hand, om ons in het verborgen bestaan van onzen God, in den raad dien Hij vormde, in het plan dat hij volvoeren wilde, in het woord, waardoor Hij alk ding openbaart, in te denken, en ten D& cie zelfs in te leven. Omdat we naar het beeld Gods geschapen zijn, zijn we in staat de taal die God spreekt, te verstaan. Evenals wij afgesloten in ons zelven zijn, is ook God afgesloten in zich zelven. Niemand, zegt de apostel, weet wat in den mensch is, dan de geest des menschen. Zoo nu ook weet niemand wat in God is, dan de Geest van God. Maar dan laat hij volgen, dat ons die Geest van God geschonken is. „Wij, zoo toch schrijft hij, hebben niet ontvangen den geest der wereld, maar den Geest die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen die ons van God geschonken sijn". Aan den tweeërlei eisch die te stellen was, is alzoo voldaan. De in zich zelf verborgen God heeft zich geopenbaard. Dit is het eerste. En ten tweede, die God heeft aan wie in Christus is 'mgt\i^ld, é.Qvatbaarheidgt& chon ken om zijn openbaring in zich op te nemen. De Geest van God keert in in het hart van den verlosten zondaar, om hem de dingen die Godes z^n, te doen verstaan.

Nu gaan we niet in op de vraag, hoe die nadere, hoogere openbaring zou zijn toegegaan, zoo geen verduistering der zonde tusschenbeide ware gekomen. De wetenschap waarmee wij te doen hebben, is de wetenschap die verkrijgbaar is voor den gevallen mensch. In dien gevallen mensch nu SS de vatbaarheid om de openbaring, die God ons in zijn Verborgenheden geeft, te verstaan, althans wat de fijaere deelen betreft, geheel teloor gegaan. De dorst om al wat bestaat en leeft uit God te verklaren, is van hem geweken. Ja, voor dien dorst naar God is veeleer de trots sn de hoogmoed van het hart in de plaats getreden, om de gedachte aan God uit al het bestaande te bannen, en het al niet uit God, maar uit de natuur en uit den mensch te leeren verstaan. Vandaar de ongeestelijke wetenschap die zich alleen met het onderzoek van het feitelijke en van hetgeen voor oogen is, bezighoudt, en alle verder indringen in het mystieke leven opzettelijk ontwijkt. En dit pogen nu om in den trots van zijn hart zich een wetenschap buiten God op te bouwen, zou steeds verder zijn doorgedrongen, en allengs zich van allen hebben meester gemaakt, indien het vrctyi der Genade niet tusschenbeide ware gekomen. Dit werk .der Genade toch breekt dien trots van het hart, opent het eerst blinde oog, en doet ook in de wetenschap den dorst, om alle ding in zuivere eenheid uit God te verklaren, weer vanzelf in den mensch opkomen. Het werk der Genade verlost niet alleen van doem en verderf, scheidt niet alleen de schuld kwijt, en bepaalt er zich niet toe, om den mensch een verschiet van eigen zaligheid te ontsluiten, maar tast ook zijn persoon zelf aan, zuivert en reinigt het hart, doet andere begeerten en verlangens in dat hart opkomen, en verleent aan 's menschen geest die hoogere vatbaarheid, die hem in staat stelt de hoogere Openbaring Gods in zich op te nemen. In dit verband moet dan ook het heerlijk woord worden verstaan, dat God „deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen heeft, en heeft ze den kinderkens geopenbaard". En Jezus voegt er bij: „Ja Vader, want alzoo is het welbehagen geweest voor U!"

Natuurlijk wil dit niet zeggen, dat daardoor elk kind van God in verstandeiijken zin genomen een man van wetenschap is geworden. Dit zal altoos het voorrecht van zeer enkele geesten blijven, aan wie God hiervoor de bijzondere talenten geschonken heeft. Het in onderling verband zetten van de gewonnen kennis d: rfeitelrjke dingen met den raad der verborgenheden, is een zoo uiterst inspannend werk voor den menschelijken geest, dat slechts zeer enkelen tot een doordenken hiervan bekwaam zijn. Maar dit neemt niet weg, dat zelfs de eenvoudigste onder Gods kinderen de vatbaarheid ontving, om zelf, om persoonlijk, met de geestelijke wereld der verborgenheden in contact te treden. In zooverre heeft ook de eenvoudigste de zalving des Geestes en weet alle dingen, d. w. z. hij bezit den sleutel om elk probleem, waarvoor het leven hem plaatst, voor zich zelf in zijn God op te lossen. Hy ziet wat de man zonder genade niet ziet. Hij wordt gewaar wat een mensch, die niet den Geest ontving, niet waarneemt. Hij voelt tot diep in zijn innigste wezen, wat de nog onbekeerde zelfs niet merkt dat bestaat. Hij herwon de gemeenschap met zijn God in Christus, en dank zij die gemeenschap, is de sluier over de wereld der Verborgenheden voor hem ten deele weggenomen. Hij heeft de hoogere wereld die in het paradijs voor ons teloor ging, terug. Hij mag weer wandelen bij 't licht van Gods aanschijn. £n blijft er ook voor hem nog een wereld van Verborgenheden over, hij weet vooruit, dat hem steeds klaarder licht op zqn weg zal gegund worden, en dat eens, aan het einde der dagen, het volle licht voor hem zal opgaan. Voegt zich hierbij nu een hoogere vërstandelgke ontwikkeling, en ontving hij het talent om ook in de gewichtigste denkproblemen met zijn eigen denken in te gaan, dan kan hij geen vrede hebben met een zich noemende wetenschap, die enkel van passen, meten en wegen weet en zich bepaalt tot het feitelijke en grijpbare; dit toch zou hem wel het eiland in den Oceaan leeren kennen, maar hem omtrent dien Oceaan zelve, waarin de schatten der wijsheid verborgen zijn, onkundig laten. En dan heeft hij er geen vrede meê, om naast die feitelijke kennis zijn geloof als een andersoortig element van overtuiging te plaatsen. Wetenschap, voor hem dien naam waard, moet 't al in zich opnemen, zoowel de kennis der feitelijke wereld, als der wereld van gedachten die hem uit het rijk der verborgenheden toevloeit, en al z^'n streven is dan, om tot zulk een echt Christelijke wetenschap te geraken, die voor zija bewustzijn een gedachtenv/ereld ordent en als éen geheel saamvat, die èn uit de dingen zalf èn uit de verborgenheden van zijn God hem toespreekt.

Die wetenschap nu straalt van den Christus als het heilig middenpunt uit, en heet Christelijke wetenschap niet omdat ze door Christus beoefend wordt, maar omdat se alleen dank zij de openbaring ons in Christus gegeven, mogelqk werd en bestaat. De Schrift legt er daarom zulk een nadruk op, dat „in Hem al de schatten der kennis en der wijsheid verborgen zijn"; een waarheid die haar grond vindt in die andere belijdenis, daï „het des Vaders welbehagen is, dat in den Christus al de volheid wonen zou, " In Christus is de realiteit van die volheid, en daarom straalt van dien Christus ook de afschaduwing van die realiteit uit in de wereld der kennis, der wijsheid en der gedachten. En deze beiden gaan dan weer terug op den oorsprong der dingen, want „door Hem zijn alle dingen geschapen, die in den hemel en die op aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn, zoodat Hij voor alle dingen is en alle dingen nu nog te zaam bestaan door Hem". Dat voorts de realiteit der dingen en dus ook de kennis van alle dingen niet alleen in Hem rust, maar uit Hem is, ligt uitgesproken in den proloog op het Evangelie van Johannes, waar ons in jubel bezongen wordt, hoe de Christus is het eeuwige Woord, d. w. z. de uiting van alle scheppende gedachte, en hoe het door den Christus is, dat deze gedachte in alle creatuur haar belichaming vond.

Toch is hiermee nog niet genoeg gezegd. Wel volgt reeds hieruit, dat het rijk der verborgenheden voor den Christus geheel doorzichtbaar is, en dat hij ons de gedachten Gods uit dit rijk der mysteriën vertolken kon, althans in die mate en in dien vorm, waarin wij dit behoeven en in ons op kunnen nemen; maar ging het niet verder, zoo zou de profetie of apocalypse ons soortgelijke kennis hebben kunnen aanbrengen. Niet om mededeeling alleen omtrent God, om God zelf is het ons te doen, zal in de wetenschap van ons bewustzijn metterdaad al wait bestaat in eenheid liggen saamgevatenin die eenheid als het product van den levenden God gekend worden. Vandaar dat alle belijdenis van den Christus, ook op wetenschappelijk gebied, steeds moet uitgaan van de apostolische getuigenis, dat Hij is het beeld des Onzienlijken Gods, dat Hij bij God en God was, en dat, gelijk Jezus het zelf uitsprak, wie Hem gezien heeft. God zelf heeft gezien. Niet om afgetrokken kennis is het ons te doen, niet om een veelheid van weten, niet enkel om een afbeelding in ons bewustzijn van de wereld om ons heen. 0.is bewustzijn kan niet rusten eer het den levenden God zelf ontmoet heeft; van aangezicht tot aangezicht met Hem, die niet wijsheid heeft, maar de Wijsheid is, in aanraking is getreden, en in die aanraking ontwaard heeft, hoe het die heilige, hooge Wijsheid is, die alle dingen zijn doet, draagt en voleindt. Geen metisch, geen profeet, geen engel kan ons dit brengen. Dit kan ons alleen gegeven worden in Hem, die belijden kon : „Ik en de Vader zijn één". Maar nu komt hier in de tweede plaats bij, dat Hij, die in de gestaltenisse Gods was, óns verschijnen moest in de gestatte eens menschen, Het wezen Gods is ondoorgrondelijk, en ondoorgrondelijk is de Wijsheid in God. Een verschijning Gods in zijn Goddelijke Majesteit zou daarom verblind hebben door haar glans en ons het licht in het oog eer verduisterd dan verhelderd hebben. En daarom ligt hierin het heil voor ons, dat Christus God en mensch . „, .. . —, — ' was. God in menschengedaante. De volheid Gods in Hem, maar in menschelijken vorm voor ons verschijnend, in menschelijke gedaante zich aan ons openbarend, in menschelijke taal ons toesprekend. Dat dit kon, vindt z^n verklaring in de schepping van den mensch naar het beeld Gods, maar bracht dan ook met zich, dat alleen zij, die als kinderen Gods zijn beeld weer dragen mochten, in staat waren, om in den mensch Christus Jezus de openbaring van God zelf te begroeten. Zoo hangt het hier alles sad, m. De uitdelging van onze schuld en de verzoening door het bloed des Kruises breekt den scheidsmuur weg, die ons van de sfeer der Verborgenheden hermetisch afsloot. Het werk der genade in de wedergeboorte en bekeering neemt van den enkelen persoon den blinddoek weg, die alle inzicht in de wereld der verborgenheden verhinderde. En waar nu de scheidsmuur is weggebroken, en de blinddoek van de oogen is gelicht, en de Geest van God in den geest des menschen werkt, verschijnt voor het zielsoog God zelf in den mensch Christus Jezus, om ons het diepst geheim te ontsluieren, en ons tot in de diepste verborgenheid te doen Inzien. Zoo wordt de oceaan van verborgenheden voor ons ontsloten. Het dringt alles tot ons bewustzijn door. Dit bewustzijn poogt allen indruk dien het ontvangt, in gedachten te vertolken. Het poogt die gedachten te ordenen, tot eenheid samen te vatten, en ook met wat de feitelijke dingen der natuur ons leerden, in verband te zetten. En zoo komt allengs die alomvattende wetenschap op, die én wat stoffelijk én wat geestelijk, wat zienlijk en wat onzlenligk is, tot één majestueus geheel Ineenzet. Zoo hangt ook de wetenschap aan de belijdenis van de Godmenschheid in Christus, Wie deze heilige belijdenis verwerpt, valt vanzelf weer óf In het materialisme óf in de wijsgeerige bespiegeling terug. Het Licht is ons opgegaan, maar wie voor dit Jl.icht het oog moedwillig sluit, hij zal *geen dageraad meer hebben.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 september 1910

De Heraut | 4 Pagina's

Pro hege.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 september 1910

De Heraut | 4 Pagina's

Bladeren