GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Kerkelijk leven In Ned. ludië.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kerkelijk leven In Ned. ludië.

9 minuten leestijd Arcering uitzetten

De Kerk in Indië In de 17de en 18de eeuw.

(Thans zijn ons ook geregelde bijdragen omtrent het kerkelijk leven in Ned. Indië toegezegd. Hier volgt het eerste artikel over deze materie van de hand van Ds Ringnalda van Soerabaja.)

Was de Kerk in ïndië in de 16de eeuw Roomsch-Katholiek, de 17de en 18de eeuw behooren aan het Protestantisme. Ligt er misschien een groote Reformatie tusschen? Wie dat zou meen en, zou zich van de Christelijke Kerk in Indië een veel te schoon beeld vormen. Van Reformaties weet de Kerk in Indiö niet.

Geen innerlijke, geestelijke motieven leidden tot die verandering. Het was eenvoudig een kwestie van de macht en het gezag, naar den regel cuius regio, eius neligio, welke spreuk hier het best aldus vrij te vertalen is: de beheerschers van het land Ipggen den inwoners h u n religie op, met uitsluiting van alle andere.

Toen, , bij den overgang van de 16de naar de 17de eeuw, de Portugeezen door de Hollanders verdreven werden, werd het Roomsch-Katholicisme ook door het Protestantisme verdrongen, en het eerste kon zich 'silechts .staande houden in de gebieden, . die Portugeesch bleven (de eilanden Flores en Timor, waar tot op den huidigen dag dan ook de Roomsche Kerk het meest bloeit en tot werkelijk rijke ontwikkeling is kunnen komen in den loop der eeuwen). De door de Roomschen gedooptea werden overal elders eenvoudig Gerefo'rmeerd geacht en „gemaakt". Aan de R.K. werd de toegang tot Indië ontzegd, hetwelk eerst in 1808 weer zou worden gewijzigd. Hier en idaar bleven nog wel Roomsche personen, met wier , , paapscbe stoutigheden" de protestantsche predikanten vaak heel wat te doen hadden; maar de Regeering besloot zelfs in het laatst der 18de eeuw nog eens opnieuw, de R.K. .te zullen weren, al kwam het tot besliste uitvoering van dit besluit niet.

Practisch hebben we in deze eeuwen eigenlijk alleen te rekenen met de Geref. Kerk. Aan de R. K. werd geen plaats gegund, haar leden keerden tot het heidendom terug, werden Mohammedaan ol Gereformeerdj dit laatste met name op Ambon. Hoezeer men desondanks in Indië Rome bleef vreezen, moge blijken uit een doopkwestie van het begin der 18de eeuw, waarbij het lichtvaardig doopen, zonder grondig onderzoek naar de belijdenis en bij zeer geringe kennis, door de Synode van Noord-Holland in bescherming genomen werd meit het motief: „als wij de heidenen niet willen doopen, dan komen vooral in sommige streken de Roomschen het doen; en als iemand ongedoopt sterft, brengt hem dat dikwijls in veel twijfelingen en zoo krijgen de „papisten" lof bij de inlanders ten nadeel van de Gereformeerden." (Dijkstra, Het Evangelie in onze Oost, I. 103.)

Trachten we nu in grove lijnen een indruk te geven van het bestand der Kerk in Indië gedurende die eeuwen, dan herinneren we er in de eerste plaats aan dat we vooral datgene in het oog vatten wat ook voor later van beteekenis is, ter juiste beoordeeeling van de Kerk in de 19de en 20ste eeuw. Maar voorts moeten we er van te voren ook op aandringen, niet te vergeten, dat Ihdië in vele opzichten niet te vergelijken is met Holland. We noemen slechts a. we hebben hier te doen met een kolonie, v/aarin, vooral in die eeuwen, de handelsbelangen voorop gingen; b. het gaat om een land, dat nog vrijwel geheel in het heidendom verzonken was; c. het getal Europeanen in Indië was gering; d. de enorme afstanden, waarvan men zich in Holland nauwelijks eenige voorstelling maken kan, zijn gewichtige belemmeringen voor dea opbloei van kerkelijk leven en saamleven... Mea gevoelt reeds, we beginnen a.h.w. reeds met ververontschuldigingen, dat de plaats der Kerk in Indië ook in deze „Gereformeerde" eeuwen nooit groot geweest is.

Doch hierin werken ook andere factoren, die we nu nader onder oogen te zien hebben.

De ontwikkeling der Kerk werd in deze eeuwen gedrukt door de volgende bezwaren:

1. De Kerk was veel te vast verbonden aan-en afhankelijk van de Oost-Indische Compagnie (O. I. C), die, zooals eens typeerend werd opgemerkt, haar belangstelling verdeelde tusschen godsdienst en kruidnagelen. „De Compagnie had maar één doel: geldmaken en nog eens geldmaken, en wat zij deed voor de belangen der Geref. Kerken, dat deed ze voor een groot deel om de PLOomschen afbreuk te doen en onder voorwaarde, dat het niet te veel kostte". (Dijkstra, a.w. pag. 3 en 30). De belangen van de Kerk stonden achter bij die van den handel en van de regeering, die beide vóór alles aan dit handelslichaam waren toevertrouwd. Wel heeft de Compagnie veel geld voor de kerk over gehad, en zorgde zij voor de tractementen en pensioenen van predikanten, ziekentroosters, en onderwijzers, maar daarmede had ze dan ook meer zeggenschap over de kerkelijke aangelegenheden dan goed en wenscbelijk w& s. De predikantsbenoemingen hadden haar goedkeuring noodig; afzetting en overplaatsing berust ten practisch bij haar. Hoeveel ellende, wrijving en konkelarij hieruit ontstonden, weet de geschiedenis in den breede te verhalen.

2. Ook vloeide hieruit voor een goed deel voort een tweede belangrijke factor, n.l. het telkens terugkeerend nijpend gebrek aan predikanten. De Compagnie, die betalen moest, werkte de uitbreiding vanzelf niet in de hand. Hun totaal aantal wisselt sterlc, maar we meenen het in elk geval nie' te ongunstig voor te stellen, wanneer we hun gemiddeld aantal in deze eeuwen aannemeni op dertig: voor zulk een uitgestrekt gebied als Indië zeker te weinig. De verhouding tot de overheid maakte het den predikanten natuurlijk niet aanlokkelijk naar Indië te gaan. Ook zag men oj) tegen de bezwaren en gevaren van de groote reis; tegen die van het klimaat en de gezondheidstoestanden in Indië; en tegen het werk zelf, dat, bij de uitgestrektheid van het gebied, voor vele moeilijkheden stelde.' Dit gebrek aan predikanten werd bovendien telkens zoo sterk gevoeld, omdat vele predikanten slechts een beperkt aantal jaren in Indië bleven, om er niet weer terug te keeren. Dan waren weer anderen noodig!

3. Het kerkelijk leven werd hierdoor nu weer ongunstig beïnvloed doordat het, bij dien predikantennood, meermalen voorkwam, dat men pef' sonen uitzond van minderwaardig karakt.er. Velen gingen naai' Indië alleen tot positie-

verbetering; als loondienaars; anderen werden dronkaards, vervielen tot ontucht, hielden brasserijen en traden ruw en schandelijk op. Dat Indië zulke predikanten gekend heeft, deed zeer veel kwaaid.

4. Niet veel anders was het helaas met velen der leden van de Kerk., Men leefde in de afzondering; men had veel op moeten geven; niet altijd de beste elementen van ons volk gingen naar Indië; het klimaat en de omgeving gaven er aanleiding toe. Zoo kwam men tot ontuchtigen wandel; dronkenschap; vermenging met de Inland'sche bevolking. Het deed den naam der Christenen veel kwaad. Des Zondags immers gingen ze weer naar de Kerk! Weinig begeerlijk leek het den Inlanders hun eigen godsdienst op te geven voor zulk een Christendom; en m^en kan het van hen begrijpen; zij moesten zeker niet het minst nog bepaaldelijk ook door het leven der Christenen worden getrokken.

5. Ook de band aan Holland echter heeft de ontplooiing van de Kerk wel belemmerd. Natuurlijk, men leefde in een kolonie, waar alles eigenlijk nog vanuit het moederland beredderd weird. Er waren nqg maar weinig Christenen en kerken. En deze lagen op groote afstanden van elkander. Wat zou er van terecht gekomen zijn, als Holland zich had teruggetrokken? De Indische Kerken waren nog lang zoover niet, dat ze voor zichzelf konden zorgen. Maar... de belangstelling was in Holland voor Indië niet overmatig .(behalve in Amsterdam en op Walcheren); en de afstand is eigenlijk te groot. Als Holland zich met Indië inliet, deed het al zijn best de kerk aldaar „minderjarig" te houden. Men vertrouwde haar geen zelfstandigheid toe, en liet dat telkens weer duidelijk blijken. En inderdaad: er was wel reden toe. Tot Classicaal of Synodaal verband is het al dien tijd in Indië niet gekomen. De kerk van Batavia nam een overheerschende positie in; maar 'deze juist had het meest met de Regeering en haar politieke commissarissen te doen. Dan wilde de vaderlandsche kerk toch liever zelf een oogje in het zeil houden. En wat de overige plaatselijke kerken betreft..., zelfs de kerkeraden waren maar al te vaak geheel incompleet; bestonden soms alleen uit den predikant.

Ongetwijfeld mogen we de beteekenis der kerk in deze eeuw niet onderschatten. Er is door vele trouwe dienaren veel en goed werk gedaan; en God heeft dat ook gezegend.

Van beteekenis was het, dat óók in deze eeuwen de eenheid van Kerk en Zronding gehandhaafd bleef. Wel lag het voor de hand, dat de eerste geestelijke verzorging aan de Hollanders-in-Indië gegeven werd; ook is het begrijpelijk, dat het werk der Zending te lijden had onder het bovengenoemd gebrek aan predikanten en hun kort verblijf in deze landen (men had immers in het begin steeds weer veel tijd noodig, om de taal te leeren, om in te leven in de Indische toestanden); maar toch wordt voor het einde der 18de eeuw nog een getal van 70.000 inlandsche Christenen vermeld, vooral op Ambon, de Molukfcen, Celebes en (maar minder) op Java wonende. Van 'dezen arbeid der Geref. Kerk in de 17de en 18de eeuw plukt de Protestantsche Kerk in Indië feitelijk' nu de vruchten nog.

Er zijn in deze tijden betrekkelijke bloei-perioden geweest.

Maar..., ook al is een en ander dan van meer blijvende beteekenis geweest, tot op den huldigen dag toe, toch kan niet gezegd worden, dat de Kerk in Indië in die eeuwen een lieteekenisvolle en zelfstandige plaats heeft ingenomen; en in het geheel niet, dat ze tot eenige zelfstandige ontwikkeling zou zijn gekomen.

Daarvoor was ze aan alle zijden te veel gebonden, met name aan de Compagnie, wat wel het droevigst bleek aan het einde der 18de eeuw, toen de Compagnie tot verval kwam. Toen sleepte zij de kerk mee in haar achteruitgang; en in den Franschen tijd bleven er in heel Indië slechts twee a drie predikanten over.

Bij den aanvang Van de IQde eeuw was het dan ook allerdroevigst met de Kerk in Indië gesteld. Er was vrijwel niets van overgebleven. De kerk als kerk was totaal machteloos. Ze was in de vorige eeuwen niet tot die zelfstandigheid gekomen, dat ze zelf kon blijven bestaan. Ze moest weer opgericht worden; en ze werd weer opgericht, maar...

Doch daarover later eens weer.

A. RINGNALDA.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 januari 1931

De Reformatie | 8 Pagina's

Kerkelijk leven In Ned. ludië.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 januari 1931

De Reformatie | 8 Pagina's