GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

„De Wekker" m oppositie tegen „vader Brakel".

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„De Wekker" m oppositie tegen „vader Brakel".

16 minuten leestijd

In de Wekker schreef Docent Lengkeek van de apeldoornsche chr. geref. opleidingsschool:

„De uitdrukking „tenzij het tegendeel blijkt", is ons bekend. Zij komt voor in de omschrijving van de beschouwing van het zaad der gemeente, gelijk die bij vele Gereformeerden gevonden wordt. Men moet dan het zaad der gemeente krachtens het in-zijn in het verbond en het geheiligd zijn in Christus beschouwen als wezenlijk deelhebbende aan de genade, als wedergeboren dus, tenzij het tegendeel blijkt. Wij hebben tegen deze wijze van beschouwing ons bezwaar, dat v.'ij ontleenen aan het wezen van het geestelijke, het nieuwe leven, dat zich, zoo het in iemand, ook een kind, gevonden wordt, zal openbaren met het zich bewust worden van den begenadigde met het leven."

Ds C. Lindeboom stelt hiertegenover in Noord Holl. K^bl. de volgende opmerking:

't Is ons genoeg, te laten zien, dat de „vele Gereformeerden", tegen wie hij ingaat, W. a Brakel aan hunne zijde hebben. Dat het dus niet een nieuwe leering is, die door hen wordt voorgedragen, als zij zich in de beschouwing van het zaad der gemeente bedienen van de uitdrukking: „tenzij het tegendeel blijkt". Dat zelfs die uitdrukking bijna woordelijk bij W. a Brakel gevonden wordt.

Deze godgeleerde zegt in zijn Redelijke Godsdienst, Deel I, Hoofdstuk XXXIX Van den Heiligen Doop, § XXVI, 8fa:

„En dewijl de kinderen der bondgenooten niets vertoonen, dat voor of tegen is, zoo hebben wij ze niet te onderscheiden, maar hen uit kracht van de belofte voor kinderen Gods te houden, TOTDAT ZIJ HET TEGENDEEL VERTOONEN."

Iot zoover ds Lindeboom.

Op zichzelf natuurlijk is het niet erg, tegen , , vader Brakel" te wezen. Waar het noodig is, ben ik het ook. Maar in chr. geref. kringen vindt men dat wel erg. Als ds Kersten den een of anderen vader, inzake het „verbond", kan aanvoeren tegen Apeldoorn, dan komt Apeldoorn fluks met een anderen „vader"; en zoo draait het leven verder. En het volk draait mee. En het woord bewijst zijn waarheid: dathet de vloek der booze daad is, dat zij voortdurend nieuwe booze werken baren moet. Nu schudden weer enkelen het hoofd. Het zij zoo. Maar ik zie het zoo. Men begint scheuren te trekken, zonder noodzaak. Vervolgens maakt men verschillen, die er niet zijn, en die men alleen kan suggereeren, door wat iemand zegt, te verdraaien (b.v. inzake de veronderstelde wedergeboorte, die men ginds, geIij k ze door ons bedoeld wordt, evenzeer bewaart, voorzoover ze n.l. in de belijdenis en de formulieren meekomt). Daarna wapent men zich met een paar citaten, één paar erge van „iemand" uit het „andere kamp", — die hij misschien zelf ook met pleizier teruggenomen had — en daarna enkele hulpverleenende citaten, uit hetgeen men noemt „de vaderen"; en dan draaft 'men op een goeien dag door, en beweert, wat met „de vaderen" in strijd komt. En moet dan weer zwijgen —of plooien.

DIT is de verwereldlijlring van ons christendom; DIT; niet de bioscoop, en niet de schouwburg, en niet iets anders, — dat VAN BUITEN AF naar ons toekomt. Dit doen wij ZELF, heelemaal op EIGEN terrein; de „wereld" weet er zelfs absoluut niets van: ze zou alleen maar een lachstuip krijgen, als ze er iets van begreep.. Ik denk soms met schaamte: gelukkig, dat ze maar zoo'n heel klein beetje van ons weten ginds.

Overigens — het zou geen moeite kosten, naast „vader Brakel" ettelijke andere gereformeerden van vroeger te plaatsen. Maar wat geeft het? Slechts in plaatselijke kerken bekeert er zich hier en daar iemand van het kerk-scheuren en leuzen-maken. Een massa-bekeering droomt ons volk zich alleen als mogelijkheid bij de Joden! Niet bij christelijk-gereformeerden en zoo. Hén maakt, volgens sommigen. God de Heere „groot".

K. S.

Ds Jaspers.

Ds Gispen, Scheveningen, wijst in zijn kerkbode erop, dat d.d. 21 Juli j.l. ds J. L. Jaspers, , em. pred., een brief schreef aan den kerkeraad def geref. kerk van Lunteren, waarin hij dien kerkeraad vertelde, dat hij, stel, dat er een uitnoodiging kwam, om eens voor te gaan in een der diensten van de uit oorzaak van „Assen" gevormde kerkelijke gemeenschap, haar zou aanvaarden; en dat op 22 Juli is gedateerd een verklaring, van hetgeen men ginds noemt de „deputaten ad hoc" dat ze den brief van ds Jaspers aan dien kerkeraad gelezen i) hebben, en hem gaarne preekrecht verleenen. Nu, dat laatste wisten we zóó ook al wel: wie heeft ginds geen preekrecht? Maar we volstaan met het wijzen op die twee data; verstandige lezers weten dan verder genoeg; vooral als ze hooren, dat er — mirakuleus! — ook al ineens een invitatie was.

Overigens ben ik blij, dat de gereformeerde kerken zich er niet toe hebben laten verleiden, iets te doen, dat, ware het wèl gebeurd, haar het verwijt zou bezorgd hebben, dat ze ruw deden in een ziekenvertrek. Natuurlijk komen er nu andere verwijten, maar — dat wisten we óók van te voren. Ze hebben alleen zin, als we het woord „zich conformeeren" den geniepigen zin geven, dien de pers van ginds in een onsmakelijke reclamecampagne er aan gegeven heeft. Maar er zijn gelukkig nog eerlijke woordenboeken.

Voorts is het tragisch, te zien, hoe zelfs dit jongste „persmateriaal", hoezeer het geschikt is, afleiding te geven aan de vragen, die men .ginds moet voelen opkomen bij het heengaan van den als , , groot geleerde" ingehaalden dr N. D. van Leeuwen (gelijk ds Gispen herinnert), toch niet eens die belangstelling opwekken kan, die het op zichzelf wat den persoon betreft, toch tragisch verloop van

deze zaak tenslott: ^ zou kunnen rechtvaardigen. Er zijn nu eenmaal gevallen, w.araan de beste wil niets doen kan.

K. S.

Het curatorenvsfslag der Theologische School te Kampen.

Ter bespreking in ons blad werden ons toegezonden de gedrukte „Handelingen" van twee vergaderingen der Curatoren der Theol. School te Kampen.

Enkele mededeelingen daaruit laten we hier volgen.

1. Het admissie-examen is na de aanstaande inschrijving van studenten afgeschaft (alleen voor buitenlanders worden nog uitzonderingsbepalingen gehandhaafd). Dat is een verstandige maatregel, onzes inziens. Zij helpt bovendien mee, de illusie van sommigen te breken, alsoif de door de Theol. School verleende graden iets anders zijn dan formeel-wetenschappelijke; en het feit, dat de Vrije Universiteit tot een zelfden maatregel gekomen is in samenwerking met de Theol. School bewijst op gelukkige wijze, dat „de kerk" zelfs nog meehelpen kan, om „de wetenschap" uit sommige kluisters te bevrijden.

2. Het hoogleerarencollege hoopt zich te doen vertegenwoordigen bij de gedachtenisviering, op 7 Sept. a.s. van het „Collegium reformatorum" te Papa in Hongarije. Men kan zich troosten met de zekerheid, dat dit papale feest, waartoe een superintendentale invitatie de hoogleeraren-deputaten tot óver den blauwen ^ Donau opriep, geen nevelen immer zal vermogen te doen komen over onze goed-gereformeerde onderscheidingen inzake kerk en wetenschap, noch over die inzak© de grenzen, binnen welke de wetenschap in eigen kring wèl souverein is, èn de andere, binnen welke naar veler opinie zij dat volstrektelijk niet is. De invitatie strookt gelukkig met art. XXX K.O.

3. Het Studentencorps ontvangt f200 voor het doen houden van wetenschappelijke lezingen, voor dit jaar; welke lezingen dan te regelen zijn in overleg met de hoogleeraren.

4. Aan een Indische tentoonstelling, te Kampen te houden, werden stukken uit het zendingsmuseum der Theol. School in bruikleen af-• gestaan.

5. De Bazuin wint.

6. Voor de bibliotheek is nog beschikbaar (uit de giften ter gelegenheid van het jongste jubileum) f3520.46. Van de door oud-leerlingen toen bijeengebrachte gelden is nog over f 744.73. Uit het prettig te lezen verslag van den conservator der bibliotheek, dr W. Nawijn, blijkt, dat voor bibliotheek en studiezaal nog steeds gezorgd wordt. Tevens — men lette maar eens op het lijstje van de voornaamste (I) aanwinsten — dat de bibliotheek te Kampen veel hoog-noodige boeken niet aankO'Open kan; dit laatste woord schrijf ik natuurUjk in de onderstelling, dat de ervoor beschikbare gelden niet ruimer kunnen vloeien. Een enkele opmerking zij me veroorloofd: mijns inziens behooren zij, die de Theol. School iets legateeren willen, of op andere wijze steunen, meer opzettelijk met de bibliotheek te rekenen. Indienergens, dan wreekt zich HIER het voorvaderlijke beslui tom de Theol. School te Kampen te plaatsen. Kampen zélf heeft buiten de Theol. School geen wetenschappelijke bibliotheek; de dichtstbijzijnde is Utrecht (of, voor wie tegen een nachtboot-reis kan) Amsterdam. De professoren te Kampen staan natuurlijk bij hun amsterdamsche collega's hierin ten achter, dat laatstgenoemden zonder moeite kunnen profiteeren van de Amsterdamsche Gemeenteuniversiteitsbibliotheek (die van de Vrije Universiteit is natuurlijk óók niet voldoende voor het werk der hoogleeraren), en bovendien gemakkelijk Leiden kunnen bereiken. Wie eens nagaat, hoeveel tijdschriften b.v. in de leeszalen der openbare universiteiten ter inzage liggen (in Leiden b.v. meer dan 70 alleen voor de theologie), en daar steeds de nieuwste boeken ter hand nemen kan, voelt dadelijk het nadeelig gevolg van de (sedert de verbouwing bovendien vooreerst onherroepelijke) vestiging der Theol. School te Kampen; zal erkennen, dat het professoraat in Kampen duurder is dan dat in Amsterdam; en zal misschien meer opzettelijk 'de bibliotheek als afzonderlijke instelling gedenken. Duizend gulden per jaar is nauwelijks genoeg voor tijdschriften, — laat staan de boeken. Ach, waarom hebben de vaderen de overigens zeer sympathieke stad Kampen gekozen? Zulk een luxe (het uitzoeken van een stille plaats voor wetenschapsbeoefening) kan alleen een rijke staat of kerk zich veroorlooven.

7. Door en namens zendingsdeputaten zijn enkele namen genoemd van h.i. geschikte candidaten voor het zendingshoogleeraarschap. Over de benoemings-kwesties en aanverwante vraagstukken zal nog nader overlegd worden.

8. .Voorts de gewone mededeelingen inzake colleges, examina, financiën, etc.

K. S.

Kerkbouw.

De Redactie zond mij een schrijven door van een belangstellend lezer van de artikelen over Kerkbouw, welk schrijven hieronder wordt afgedrukt, met het verzoek, een kort antwoordartikel te geven.

Gaarne voldoe ik hieraan in zooverre een antwoord op mijn weg kan liggen.

Eerst dus de brief van onzen abonné.

Aan de Redactie van „De Reformatie".

Geachte Redactie,

Alhoewel het reeds eenigen tijd geleden is, dat in Uw geëerd blad voorkwamen de artikelen van den Weledelen heer Jos. de Jonge, over onzen kerkbouw, welke artikelen ik met instemming heb gelezen, zou ik toch naar aanleiding dezer artikelen gaarne eenig meer licht ontvangen, hetzij van den geachten schrijver zelven, hetzij van U, geachte redactie, over 2 vragen welke reeds lang bij mij leefden, doch waarop ik in deze artikelen geen antwoord gevonden heb.

Deze betreffen in het bijzonder het interieur onzer nieuwe kerken.

De kunst heeft zich als gave Gods te stellen in dienst der religie. Voorts heeft de geachte schrijver ook voldoende naar voren doen komen, dat de dienst des Woords en der Sacramenten, het centrale, het een en het al is waarom alles zich concentreert. Als wij nu een vergelijking maken met de kerkgebouwen, welke onze vaderen hebben gebouwd in de voorgaande eeuw, in een tijd toen de Bouwkunst in verval was, en ook met de kerkgebouwen, welke dateeren uit den bloeitijd der Reformatie van de 16e eeuw, dan treft ons één ding, waaraan zij in het bijzonder hun kunst hadden laten bot vieren, en welke toch heel goed in het kader der Geref. opvatting van den Geref. dienst pasten, doch in onze nieuwe kerken geheel wordt gemist. Ik bedoel de borden, welke meestal ter weerszijde van den kansel waren aangebracht, waarop te lezen stonden de twee steunpilaren van onzen Godsdienst, de Wet Gods en de Algemeene Chr. Geloofsbelijdenis. Als de gemeente voor den dienst haar blik door de kerk liet ronddwalen, vond zij daar een punt waarop haar aandacht zich kon concentreeren, en dat haar kon stemmen tot overdenking. Ook voor den vreemdeling, welke de kerk bezocht, kwam hierin uit wat de kerk belijdt, terwijl ook niet het minst de jeugd, welke ook dikwijls, zelfs tijdens de preek, onrustig zit rond te kijken, hierin bevrediging vond voor haar weetgierigheid.

Waarom worden deze beide symbolen der Christelijke Religie, welke toch ook voor onze tegenwoordige architecten en sierkunstenaars een dankbaar object zouden vormen, in onze moderne kerken gemist, hetwelk evenals het geheel ontbreken van eenigen tekst of Schriftgedeelte, op ons een eenigszins kouden indrak maakt.

Zoo hiertegen principiëele bezwaren zouden zijn, zou ik het kunnen begrijpen, doch zoover ik kan beoordeelen, zijn deze er niet. Indien onze kerkgebouwen op deze wijze versierd werden, zouden, mits in deze niet worde overdreven, onze kerken er zeker bij winnen, terwijl het getuigend karakter onzer kerken er meer mede tot zijn recht zou komen.

Het tweede punt waarover ik gaarne eenig licht zou ontstoken zien, betreft de dagverlichting der kerken, en het gebruik hiervoor van gekleurde glazen.

De heer de Jonge schrijft daarover: „Goed gekozen glas, dat het daglicht getemperd in de kerkruimte toelaat, kan de stemming in het gebouw ten goede komen. Gekleurd glas is echter een gevaarlijk materiaal".

Vooral dit laatste onderschrijf ik volkomen, en zoo de geachte schrijver daarmede tevens bedoelt te waarschuwen tegen de steeds meer in onze Protestantsche en ook Gereformeerde Kerken in zwang komende gebrandschilderde ramen met Bijbelsche voorstellingen, is deze waarschuwing zeker noodig.

Voor mijn besef is er geenerlei verschil tusschen het toelaten of aanbrengen van beelden of schilderijen, met voorstellingen uit de Evangeliën, en het afbeelden van het Laatste Avondmaal, of van onzen Heere Jezus, als den Goeden Herder, of van welke gelijkenis dan ook.

Daar nu in onze Catechismus geleerd wordt, dat wij niet wijzer moeten zijn dan God, die ons niet door stomme beelden, dus ook niet door afgebeelde voorstellingen in gekleurd en gebrand glas, wil onderwezen zien, maar door de levende verkondiging van Zijn Woord, zou ik gaarne Uw oordeel, mijnheer de Redacteur, er over vernemen, of het geen tijd wordt, dat onze Christelijke pers in plaats van de afbeeldingen dier ramen op te nemen, met een beschrijving van het schoone er in als kunstwerk, er haar waarschuwende stem tegen doet hooren, dat wij hierin de belijdenis der vaderen dreigen ontrouw te worden.

Gaare zou ik over deze quaestie Uw oordeel in Uw blad vernemen, en teeken met hoogachting

Uw abonné:

X.

Allereerst moge met voldoening geconstateerd worden, dat de geachte inzender de artikelen „met instemming" heeft gelezen, er blijkbaar verder over heeft nagedacht en thans met vragen op enkele punten reageert.

Blijkbaar zou de schrijver gaarne ook in de nieuwere kerken de Wet en de Geloofsbelijdenis op den wand — liefst naast den kansel — aangebracht zien, zooals dat vanaf de 17e eeuw tot een vijftig jaar geleden vrij algemeen voorkwam.

De geachte schrijver ziet hierin een middel omi e „Gereformeerde opvatting" tot uitdrukking te rengen in het interieur en meent dat de kerkangers hun aandacht op deze „grondslagen van nzen Godsdienst" zullen concentreeren vóór den aanvang van de godsdienstoefening, terwijl de jeugd ook tijdens den dienst „bevrediging" hierin zou vinden.

I Het wil me voorkomen^ dat het interieur gës feê hoort te zijn, dat duidelijk bhjkt, dat de reformatorische gedachte, „de m«uwe kerkidee", zooals. Dr Kuyper die in zijn „Onze Eeredienst" noemt, uit de geheelc inrichting blijkt, zooals getracht is in de artikelenreeks dit nader aan te geven.

Dat het aanbrengen van de tien Wetswoorden en de Geloofsbelijdenis één der middelen is omj de reformatorische kerkidee in 't bijzonder tot uitdrukking te brengen meen, ik te mogen betwijfelen.

Anderzijds lijkt het me niet toe^ dat er eenig bfzwaar tegen is om de gedachte van den geachten inzender te verwezenlijken, indien een kerkeraad hieromtrent zijn inzicht zou deelen.

raad hieromtrent zijn inzicht zou deelen. Het aangevoerde argument, dat de onrust Vm de jeugd er door zou worden beteugeld en de weetgierigheid bevredigd, lijkt me allerminst sterk.

Het wil me voorkomen, dat alles wat afleidt van het gepredikte Woord, moet worden vermeden.

Ook voor de jeugd.

Wat zou de inzender ervan denken om de kinderen gedurende het bijbellezen een of ander stichtelijk boek voor te leggen?

Ik overdrijf wellicht met dit voorbeeld, maar ik ben van meening, dat het aangeprezen middel erger is dan de kwaal.

Een „dankbaar object voor architecten en sierkunstenaars" zie ik hier ook niet in.

Zeker is een bord met letters, dat er tóch moet zijn, wel decoratief op te lossen, maar het aan te brengen uitsluitend als versiering, lijkt me niet juist. De taak van den bouwmeester is juist daarin gelegen, dat hij de benoodigde elementen tot een harmonisch geheel weet op te bouwen, zonder „op­

zettelijke" versierselen. Dat is het, wat in de artikelen getracht is te betoogen.

Wat geschreven werd omtrent het gebruik van gekleurd glas, wordt door den geachten inzender beaamd.

Alleen zou hij gaarne gezien hebben, dat verder was gegaan en tegen het maken van „gebrandschilderde ramen met bijbelsche voorstellingen" was gewaarschuwd.

Deze kwestie is enkele jaren geleden in den breede behandeld in verband met den kerkbouw aan den Kloppersingel te Haarlem.

In de kerkelijke bladen zijn aan dit onderwerp beschouwingen gewijd door ter zake bevoegde theologen.

Het zal den geachten inzender niet verwonderen te vermelden dat ik me niet competent acht om hierover een oordeel uit te spreken.

WeUicht is de redactie bereid om t.z.t. nog eens nader hierop in te gaan, doch hier moge worden volstaan met te verwijzen naar de toen gevoerde polemieken.

Als architect vind ik de kwestie niet van zoodanige importantie, dat dit nu bepaald uitgevochten moet worden.

Zou een opdrachtgever — kerkeraad dus — meenen, dat een voorstelling, als door den inzender bedoeld, gewenscht was, dan zou ik niijn geweten geen geweld behoeven te doen om dezen wensch te vervullen.

Alleen het afbeelden van den „Goede Herder" zou ik ongewenscht achten, al zou ik niet zoover willen gaan om hierin te zien een „willen onderwijzen door stomme beelden" zooals onze Catechismus dat bedoelt.

Wel acht ik dergelijke voorstellingen overbodig en daarom ook ongewenscht. absoluut

Veel meer zou ik, in het geval een opdrachtgever in deze richting wenschen had, den raad geven, in symboliek naar verhooging van de stemming te streven.

In een mij van zeer nabij bekend geval werd een kostbaar gebrandschilderd raam ten geschenke gegeven, waarop een symbolische voorstelling van de Kerk — een tempel — op een rots gebouwd, en omstuwd door bruisende golven.

Het komt me voor, dat in deze richting motieven zijn te vinden, die door kunstenaarshand uitgewerktj verheffend kunnen werken en bij niemand, ook bij den geachten inzender niet, eenig bezwaar zullen ontmoeten.

Misschien is het goed er bij te vertellen, dat het bovenbedoelde raam is aangebracht achter de hoorders, om de gedachte aan „afleiding" — zie boven — meteen uit te schakelen.

Naar aanleiding van de opmerking over de Christelijke pers moge hier worden gezegd —• dit dekt nu wel niet precies de gedachte van den inzender, maar is een te mooie gelegenheid om ze ongebruikt voorbij te laten gaan — dat het me voorkomt, dat onze pers goed zou doen om niet iedere , uiting van kunst of wat de auteur er voor wil doen doorgaan, met loftuitingen te overladen, zooals dat nog al te veel te doen gebruikelijk is.

Vooral voor onze geïllustreerde pers kan een waarschuwing in deze richting niet overbodig geacht worden.

Met een gezonde critiek zouden we ongetwijfeld meer gediend zijn.

JOS DE JONGE.


^) Waarschijnlijk dus vóór dien kerkeraad (in officiëele vergadering) zélf.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 augustus 1931

De Reformatie | 4 Pagina's

„De Wekker

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 augustus 1931

De Reformatie | 4 Pagina's