GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

HOOFDARTIKEL

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HOOFDARTIKEL

13 minuten leestijd

De volbeid des tijds.')

„De volheid des tijds" is een uitdrukking der Heilige Schrift, die dus ook in haar licht bezien, en naar het verband, waarin zij; daar voorkomt, verstaan en verklaard moet worden.

Wij vinden haar in Galaten 4:4. Daar schrijft de apostel Paulus: Maar wanneer üe volheid dos üjds gekoiii'; : iï, heeft God Zijnen Zoon uitgezonden, geworden uit ©ene vrouw, geworden onder de Wiet, opdat Hij degenen, die onder de Wet waren, verlossen zoude, opdat wij de aanneming tot kinderen veriarijgen zonden. En hij wijst aldus op den samenhang tusschen deze volheid des tijds en eenerzijds de komst en heilsverwerving van den mensch geworden Zoon van (lod, en anderzijds de uitwerking daarvan ia de verlossing en verheffing van hen, die in den Christus Gods gelooven, vgl. ook Eph. 1:9 en 10. Dat moet er bij de bespreking van de volheid des tijds toe leiden om na te gaan, waarin zij bestond ten aanzien van de komst van den Zone Gods in de wereld met Zijne Evangeliepredildng en Zijnen kruisdood, en vervolgens wat zij insloot eu beleekendc met betrekking tot de verbreiding aa Gods heilboodschaij in Christus onder de volken ter zaliging van het verloren menschdom. Nu kunnen we de wereld der menschheid van dien tijd te dezer zake onderscheiden in Joden en heidenen, en zullen dus voor de goede orde achtereenvolgens moeten overwegen, wat de „volheid des tijds" zegt aangaande de Joden, zoowel '"^ Palestina, als in. de Diaspora of verstrooiing !| 0^^, ^^. ^^ ^, ^^^^^ ^^ .^ ^^ verschillende landeS van destijds, en wat zij aangeeft inzake de volkeren of heidenwereld, en bepaald die van het Romeinsche wereldrijk.

De aanduiding „volheid des tijds" geeft te kennen, dat het met den tijd gaat als met den mensch, en met het dier, en met de plant. Er is ©en begin, en ler is daarna groei, en tenslotte komt er een eind. En bij dien groei gaat het naar vaste maat. Is al in de beginperiode de ontwikkeling snel^ zij gaat niet door, maar bereikt zekere hoogte of uitgebreidheid, en komt dan tot stilstand, en gaat allengs over in verval, om uit te loopen op ontbinding. „Wat uit stof is, neemt een end; , door den tijd, die alles schendt."

Maar ook deze tijd zelf is aan de vergankelijkheid onderworpen. „Opgaan, blinken en verzinken, is het lot van iedren dag". Ook de tijd zelf was er eens niet. En straks zal hij er niet meer zijn op die wijze, waarop hij nu bestaat. Hoe wij' pMosophisch den tijd bepalen moeten, zij nu daar gelalen. Maar ook hij verloopt niet eenerlei, noch eindeloos. Er is ook bij hem ontwikkeling, een uitgroeien tot zekere maat, die bereikt moet Worden, een komen tot zijne bestemming steeds meer, totdat ten laatste zijn voUe doel bereikt is. En dan treedt na zekeren duur ook bij hem de overgang in en Icomt het einde. Willen wij den tijd eene bestaanswijze en maat noem.en van al 't geschapene, — want God heeft wel ook den tijd geschapen, maar is Zelf niet aan den tij'd onderworpen, en kent geene verandering maar is de Eieuwige —, dan ligt in „de volheid des tijds" aangeduid, dat het gansche wereldgeheel, met alle schepselen in ouderlingen samenhang, tot zoodanige constellatie en gesteldheid gekomen was, als God voor de uilvoering van Zijn gi-oote heilsplan, dat hel centrum van het gansclie wereldverloop vormt, vastgesteld had.

We denken hier allereerst aan de menschheid en hare geschiedenis. Maar niet zij alleen was lüerbij belrokken, zooals we kunnen weten üit de ster, die aan de wijzen uit het Oosten verscheen, en hen daarna voorging van Jeruzalem naar Bethlehem, en gelijk we ook kunnen verstaan uit het invallen der drie-urige duisternis, toen de Heere Jezus leed aan het kruis en klagen moes; t; Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten! Ook straks aan het einde dezer wereldgeschiedenis zullen zon en maan verduisteren en de sterren van den hemel vallen en de hemelen met een gedruisch voorbijgaan, en de elementen branden en vergaan, om plaats te rnakeu v-oor een riieuwen hemel evenzeer als voor eeue nieuwe aarde, zoodat de geheele schepping vrijgemaakt wordt van de dienstbaarheid aan de verderfenis.

Maar God heeft den mensch gesteld tot koning over de aarde met wat tot haar behoort. Alle dingen heeft Hij aan zijne voeten onderworpen, en daarbij niets uitgelaten. Waarom met den mensch ook bet gansche heelal viel, doch om ook wieer met hem in en door Christus opgericht te worden. En aldus in de geschiedenis der menschheid het middelpunt van de geheele wereldgeschiedenis, en wordt deze laatste door de eerste' a.h.w. beheerscht.

Daarom betreft deze volheid des tijds in de eerste plaats de geschiedenis en gesteldheid der menschheid met hare onderscheiden volken en dezer toestand en onderlinge verhoudinigen. Bij die menschenwereld vooral, en bij hare verschillende deelen, de velerlei natiën en volken, kan verandering gezien' worden al de eeuwien door, ook in dezen zin, dat zij opkomen, een periode van bloei doorleven, daarna inzinken of wegvallen, elkander in overhecrschende machtspositie afwisselen en opvolgen, ho'ewel zij toch met elkander ©ene eenheid vormen. Dat komt vooral tot uitdrukking in het geweldige beeld, dat Nebucadnezar in zijnen droom aanschouwde, met het hoofd van goud, de borst en de armen van zilver, den buik en de dijen van koper, en de schenkelen en voeten van jjzer en leem. De rijken, door die onderscheiden metalen en stoffen voorgesteld, waren verschillend in macht en heerlijkheid, maar vormden toch één geheel, wisselden elkander af en volgden elkander op, tataar gingen ten laatste ten gronde, zoowel het een als het ander, en eindelijk zelfs alle tezamen. Wie behoeven ook verder maar aan het nachtgezicht in Daniël 7 van de vier groote dieren, leeuw, beer, luipaard, en het vierde, verschrikkelijke dier, die elkander opvolgende wereldrijken verzinnebeelden, te denken, en aan hetgeen Johannes op Patmos zag, en hij in Openbaring 13 en 17 mededeelt.

Van de gansche menschheids- en volkerengeschiedenis is nu weer, tot op de komst van den Zone Gods in ons vleesch, de geschiedenis van het Oude Bondsvolk, de Israëlieten, uit Abraham, Izaak en Jacob gesproten, en aan wie God Zich als hunnen God in bizonderen zin had willen geven, het middelpunt, de spil, om welke zij zich beweegt. Dat vernemen we met duidelijke woorden in Jesaja 45, waar de Godsspraak luidt: „Alzoo zegt de Heere tot Zijnen .gezalfde tot Kores, wiens rechterhand Ik vat om de volkeren voor zijn aangezicht neder te werpen, eix Ik zal de lendenen der koningen ontbinden om voor zijn aaugeziclit de deuren te openen en de poorten zidlen niet giesloten worden: Ik zal voor uw aangezicht gaan, en Ik zal de kromme wegen recht maken, de kopieren deuren zal Ik verbreken, en de ijzeren grendelen zal Ik in stukken slaan, en Ik zal u geven de schatten die in de duisternis zijn, en de verborgen© rijkdommen; opdat gij moogt weten, dat Ik de Heere ben, die (u) bij uwen naam roept, de Gods Israels; om Jacobs mijns knechts wil ea Israels, mijn uitverkorenen; ja Ik ri^ep u bij uwen naam. Ik noemde u toe, hoewiel' gij Mij niet kende t" .

Daar wordt hel dus op onmiskenbare wijze uilgesproken dat Kores, d.i. Cyrxis, de geweldige stichter van het Mediscli-Perzische wereldrijk, met al zijne verovei-ingen, verwekt werd en tot heerschappij kwam, koningen versloeg, sleden innam, grooten rijkdom verwierf, om den wille van Jacol), d.i. Israels volk, den üllverkorene des Heeren. En tevoren lezen we in Jes. 10 aangaande het aan Cyrus tientallen van jaren voorafgaande Assyrische wereldrijk: „Wee den Assyriër, (die) de roede Mijns toorns is, en Mijne gi-immigheid is ©en stOn. ill iiUUne llctUd: Iri ZtA n-Cili z> l.ii, di^±i Lt^^t.^ii CCii huichelachtig volk, en Ik zal hem bevel geven tegen het volk Mijner verbolgenheid, opdat hij den roof roove en de pliuidering plundere, en het ter verlreding stelle gelijk het slijk der straten: hoewel hij het zóó niet meent en zijn hart alzóó niet denkt, maar hij zal in zijn harl hebben te verdelgen en uit te roeien niet weinige volken." En dan zegt de Heere enkele verzen verder: „Zal eene bijl zich beroemen tegen dien, die daai-mede houwt? Zal een zaag pochen tegen dien, die ze trekt? Alsof een staf bewoog degenen die hem opheffen!" En wat aldus gold van de Assyrische en de Medisch-Perzische wereldrijken en heerschers, dat ging evenzeer op met betrekking tot de Babylonische en de Grieksch-Macedonische an de Romeinsche wereldheerschappijen in haar opkomen en woeden en te gronde gaan; dat was waar ook van Egypte en Pharao en van al de volkeiU der oudheid. Daarom heb Ik! u verwekt, opdat Ik Mijne kracht (aan) u betoonde, en opdat men Mijnen Naam vertelle op de gansche aarde, was des Heeren Woord tot den Pharao bij Israels uitleiding uit Egypte, die door geweldig© plagen tot vrijlating van het oude volk Gods gedwongen werd, en ten laatste omkwam in de Roode Zee, Ex. 9:16. En in Jeremia 51 le^en we, dat de Heere tot Israël zegt: „Gij zijt Miji een voorhamer (en) krijgswapenen, en door u zal Ik volken in stukken slaan, ^en door u zal Ik koninkrijken verderven, •en door u zal Ik in stukken slaan het paard en zijnen ruiter, en door u zal Ik in stukken slaan den wagen en zijnen ruiter; en door u zal Ik ini stukken slaan den man en de vrouw, en door u zal Ik in stukken slaan den oude en den jonge, en door u zal Ik in stukken slaan den jongeling en de jonkvrouw; ©n door u zal Ik in stukken slaan den herder en zijne kudde, en door u zal Ik in stukken slaan den akkerman en %ijn juk (iossen), en door u zal Ik in stukken slaan landvoogden en overheden. Maar Ik zal Babel en allen inwoneren van Chaldéa vergelden al hunne boosheid, die zij gedaan hebben aan Sion, voor ulieder oogen, spreekt de Heere."

Bij Israël ging het echter op zijne beurt weer om den Christus Gods, Die uit dat volk geboren zou worden. Want de zaligheid is uit de Joden. D© groote rood© draak die zeven hoofden en tien hoornen had, met zeven koninklijke hoeden op zijn© hoofden, en wiens staart het derde deel der sterren trok en ter aarde wierp, en die den Satan voorstelt als den innerlijken bezieler en verschrikkelijken hanteerder der wereldmachten, stond dan ook vóór de vrouw, die baren zoude, om haar

kind Ie willen verslinden, wanneer dat _gebor©n zoude zijn, Openb. 12. Dat kind was de Messias, de Christus Gods. En die vrouw was allereerst de Oudtestameutische gemeente Gods, het oude bondsvolk van Israels natie. Gedreven door den hellevorst waren de groote wereldheerschappijen, en zelfs niet alleen deze, maan. ook de kleinere machten, er al de eeuwen door op uit, om. Israels volk ten onder te brengen en uit te roeien, zooals dat reeds begonnen was door den Egyptischea Pharao, teneinde de Christus Gods er niet uit zoude kunnen voortkomen. Jesaja z^egt daarom: In al hunne — dat is der Israëlieten — benauwdheid was Hij benauwd, n.l. de Engel des verbonds, de Zone Gods, Die in de wereld komen zoude, gelijk er volgt: en de Engel Zijns aangezichts heeft ze behouden; door Zijne liefde en door Zijne genade heeft Hij ze verlost, en Hij nam ze oj) en droeg ze alle de dagen van ouds. God wilde, zooals we in Eph. 1 lezen, in de bedeeling van de volheid der tijden alles wederom tot één vergaderen 0ï onder één hoofd vereenigen, in Christus, beide dat in den hemel is en dat op de aarde is. En in Mal. 3 kondigt de Heere aan: „snellijk zal tol Zijnen tempel komen die Heere, Dien gijlieden zoekt, te weten de Engel des Verbonds, aan welken gij lust hebt, zie Hij koml, zegt de Heere der heirscharen."

Zoo was de komst van den Zone Gods in onze menschelijke nalum-, en het heilswerk, door Hem te volbrengen, het doel van, Israels geschiedenis, en daarmede van die der volkeren en der wereld. Om die komst en dat verlossingswerk wentelde zich al de eeuwen van zijn bestaan tot Christus' geboorte de historie van Israels volk, ei^ in samenhang daarmede die van alle natiën en der geheele menschheid, ja van de gansche wereld. Scheen het ook meermalen anders, zoodat het was, alsof de geweldenaars de volken overheerschten naar hunnen wil, gelijk een Nebucadnezar bralde: Is dit niet het groote Babel dat iik gebouwd heb tot een huis des koninkrijks, door de sterkte mijner macht, en ter eere mijner heerlijkheid? (Daniël 4), en alsof de groote wereldheerschappijen met Israël handelden overeenkomstig eigen begeeren, en alsof de Christus Gods het slachtoffer was van de listige boosheid Zijner vijanden, de Joodsche oversten, zoo was dit toch enkel Jiet uitwendige voorkomen. Wezenlijk stond het gansch anders en veeleer vlak omgekeerd. Omdat Christus sterven moest tot verzoening van Zijn, volk, en ter redding der wereld, daarom moesten Kajafas en de Joodsche Raad .Hem overleveren aan Pilatus, en deze Hem .nagelen aan het kruis. Nebucadnezar was slechts aangestelde des Heeren, die al zijne macht zich door llcm zag ontnomen (Dan. 4 VS 31—33), en die ook tegen het twee-stammenrijk en tegen andere .volken Gods raad uitvoerde. Zie, moest Jeremia als woord Gods tot Juda's volk spreken, Ik zal zenden en nemen alle geslachten van het Noorden, spreekt de Heere, en tot Nebucadnezar den koning van Babel, Mijneni knecht, en zal ze |brengen over dit land, en over zijne inwoners, en over .alle deze volken rondom, en zal ze verbannen en zal ze stellen tot eane ontzetting en tot eenc aanfluiting en tot eeuwige woestheden, Jeremia 25:9. En even later moest deze profeet in betrekking ook tot Egypte en die daarheen getrokken Israëlieten spreken: Zóó zegt de Heere der heirscharen, de God Israels: Zie^ Ik zal henenzenden en Nebucadnezar den koning van Babel, Mijnen knecht, halen, en Ik zal zijnen troon zetten boven op deze steenen die Ik verborgen heb; en hij zal zijne schoone tent daarover spannen. En hij zal komen> , en Egypteland slaan, Jer. 43:10. Niet Nebucadnezar heerschte dus, maar hij was ook in zijn overheerschen niets dan knecht Gods Lot tuchtiging van Juda en do volkeren, en om dezer geschiedenis, dus ook die van Juda of het oude volk Gods, te bepalen. En tevoren sprak de Heere in gelijken zin van Assyrië's koning, dat hij in zijn veroveren van de volken en in zijn benauwen ook van Jeruzalem, maar was de roedie Zijns loorns, en gelijk eene bijl, waarmede God sloeg, of ais eena zaag, die Ilij trok, Jes. 10. Evenzeer was Pharao door God verwekt, opdat Zijne macht en heerlijkheid ia de plagen over Egypte tot loslating van IsraM zouden uitblinken en verteld worden op de gansche aarde, Ex. 9:16.

S. GREIJDANUS. (Wordt vervolgd.)


1) In verkorten vorm als radio-rede uitgesproken op 9 December 1935.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 december 1935

De Reformatie | 8 Pagina's

HOOFDARTIKEL

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 december 1935

De Reformatie | 8 Pagina's