GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

PERSSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

PERSSCHOUW

7 minuten leestijd

Bizonderheden aangaande een federatief jeugdfront.

Dr C. N. Impeta schreef in Kamper Kerkbode een artikel over bovengemelde formatie, waar men toe geraken wil. Handelende over den z.g. Centralen Jeugdraad, schrijft dr Impeta:

Men wil natuurlijk niet: samensmelting. Dan ware de vraag of we toestemmen zelfs geen vraag voor ons. Want men moet goed weten, dat bij den Centralen Jeugdraad ook de Roomsche en Sociaaldemocratische Jeugdorganisaties, de Vrijzinnige Jeugdcentrale en het Padvindersgilde aangesloten zijn. Het gaat meer (men vergeve mij de vreemde woorden; ze zijn alzoo gebruikt, ik haal dus de gebruikte termen aan) over een misschien mogelijke organisatie voor een instantie (ongeveer: lichaam) van samenwerking, die voortaan zouden kunnen hebben een „Raad van Leiding".

Sprekende over het federatief jeugdfront, zegt dr Impeta:

We hebben evenwel een zéér groot bezwaar. En dat is: het volslagen gemis aan prineipiëele éénheid.

Dit komt ook terstond uit in de formuleering van de punten van het „programma", zal ik nu maar zeggen.

De Grondslag zou dan deze moeten zijn:

1. Aanvaarding van de algemeen-Christelijke en historische grondslagen van ons Nederlandsche volksleven.

2. Handhaving van de bij ons volkskarakter aan-

sluitende geestelijke vrijheid in het openbare leven, met de erkenning van de noodzakeüjke handhaving van orde en gezag.

3. Trouw aan ons volk en vorstenhuis. Ik verheug me er in dat zoovelen van geheel uiteenloopende beginselen dezen grondslag zouden willen aanvaarden; maar acht hem tegelijk voor o n s en ons Jeugdwerk volkomen onvoldoende.

Het Doel is aldus geformuleerd:

1. Systematische bewustmaking van het nationaal volkskarakter.

2. Versterking van het geestelijk en zedelijk leven en bevordering van de lichamelijke ontwikkeling van onze Nederlandsche jeugd, zoowel in als buiten de organisaties.

3. Versterking van het gezinsleven. Stellig niet kwade woorden, en goede bedoelingen, ik twijfel er niet aan. Maar wat verstaat men onder „het nationale volkskarakter" en onder „het geestelijk (en zedelijk) leven", dat versterkt moet worden?

Onder Middelen wordt dan genoemd: inzonderheid „de historie en de cultuur van ons volk behandelen, ter bevordering en waardeering van onze volkséénheid" en 't „weerstandsvermogen der Nederlandsche jeugd stalen".

Dan volgen nog „enkele program-punten", die o.m. duidelijk maken hoe we „de cultuur" van ons volk op onze vereenigingen moeten behandelen:

a. Film over Nederland en overzeesche gebiedsdeelen;

b. openstelling van musea;

c. excursies naar steden en streken van ons land;

d. bevordering van eigen volkslied, spel en dans;

e. gemeenschappelijke viering van nationale feestdagen ;

f. bevordering van diensten aan de gemeenschap door deelname aan E.H.B.O., ophaaldienst van afval (jongens). Sociale hulpdienst (meisjes). Burgerzin-diploma, Lichamelijke Opvoeding. Zijn hier geen goede dingen bij? Ongetwijfeld. Laten we niet alleen critiseeren, ook waardeeren. In bepaalde opzichten toone Nederland zich één; óók onze jeugd.

Maar: onze bezwaren overtreffen toch verre onze toejuiching van het één of het ander.

Nederland en de Nederlandsche jeugd zij één ja, bijv. in trouw aan vorstenhuis en vaderland.

Maar voorts is er toch het diepgaand, blijvend verschil in wereldbeschouwing en daarmee samenhangend in beschouwing van het Woord Gods, de Wet Gods, den Dienst Gods; grondslag van het jeugdwerk, doel van het jeugdwerk en de middelen om het doel te bereiken.

Zeker, we zouden ook bij zoodanige federatie „eerbiedigen elkanders levensovertuiging". Maar zal 't bovengenoemde programma iets beteekenen, dan zouden wij er ons toch aan moeten gewennen om voortaan ook excursies te beramen en te maken naar steden en streken van ons land, onze jongelui musea moeten binnenvoeren, voor hen noodzakelijk noemen het ophalen van afval, en als voornaam programmapunt nieuw invoeren: stelselmatige lichamelijke oefening.

En daar voelen we niets voor.

Maken onze jongelui groepsgewijs excursies — best. Bezoeken ze musea — uitnemend. Helpen ze mee aan practisoh werk — loffelijk. Houden ze hun lichaam soepel — fijn.

Maar dit alles is niet doel van ons jeugdwerk. Het vervange nimmer wat wij ons ten doel stellen, nu sinds meer dan 50 jaren: het leeren kennen en beUjden van de heiUge beginselen, neergelegd in Gods Woord en in de Belijdenis der vaderen, geldend ten aanzien van Kerk en Staat en Maatschappij.

En dit heerlijk doel laten we ons — zoo lang nog niet macht dwingend over ons komt — niet met onzen vrijen wil ontrooven.

Ik voor mij zie in concentratie of federatie van heel de Nederlandsche jeugd, recht- en vrijzinnig, Roomsch en protestant, Gereformeerd en sociaaldemocratisch, geenerlei heil.

Eenheidsmaniakken zijn er altijd geweest. Wellicht achten sommigen hunner nü de kans schoon om tot verwezenlijking van hun idealen te geraken. Maar als ik in „De Rott." van 18 Juli onder 't opschrift „Over nationale Concentratie" lees (en ik betrek dit dan op onze jeugd): „Er moet een vernieuwingsbeweging komen. Verouderde begrippen en idealen!) moeten op zij worden gezet. Niemand mag de klok terugzetten" — dan is het mogelijk, dat straks het één en ander „verouderd" zal blijken; maar dan roepen wij toch om het noemen van concrete dingen in plaats van zulke algemeenheden; en dan verklaren wij alvast bij voorbaat, dat we ons Christendom nooit verouderd zullen achten ; het is oud doch immer nieuw ; en we roepen het uit met den grooten Duitsohen held Luther: „Het Woord van God — dat zult gij

laten staan!" Ik voeg er bij, dat ook 'n soort commissie ter „overkoepeling" van de Protestantsch-Christelijke jeugdbonden — om dan „een instantie" te hebben ter gezamenlijke „afwering van eenig dreigend gevaar" — mij al evenmin gewenscht, laat staan noodig, voorkomt, zoolang 'n dergelijk gevaar nog in 't geheel niet aanwezig is, althans voor onze oogen, naar hetgeen wij nu zien.

Laten we blijven die we zijn, in de kracht Gods, met veel gebed tot en groot vertrouwen op Hem.

En meer dan ooit, in deze tijden, tot doel ons stellen: principiëele vorming van onze jeugd!

Zie voor wat onze meening betreft „Kerkelijk Leven".

„Land en Volk".

Het drupt al. Via allerlei plaatselijke bladen wordt de huistafel volgepropt met geschriften over rassentheorie, etc. „De Eerste Heemsteedsche Ct.", 18-7-'40, schrijft over „Land en Volk" o.m.:

Een groot deel van onze Nederlandse Volkseigenschappen kunnen wij natuurlijk afleiden uit onze Germaanse oorsprong. Nederland behoort tot die landen, waarin de Germaanse zuiverheid van ras vrijwel ongeschonden bewaard is gebleven. Het deelt dit gelukkig lot met landen als Duitsland, Denemarken, Noorwegen en Zweden.

Een paar alinea's verder:

Eerste b ij bel van Germaanse oorsprong.

Door hun bekering tot het Christendom verscheen onder hen een vertaling van de Bijbel. Ofschoon dit geschrift natuurlijk ten opzichte van hun eigen beschaving een tweede-hands document was, kunnen wij uit die vertaling zeer veel omtrent hun eigen aard afleiden.

„Veel interessanter literatuur" heet in de Eerste Heemsteedsche „de Edda" (liederen, legenden, mythen van germaanschen oorsprong). Veel interessanter dan — de „Gouden Bijbel" van Ulfilas. Wat die

Edda betreft:

De gehele oorspronkelijke geestes- en godenwereld van onze voorvaderen duikt daarin omhoog.

En nu de klap op de vuurpijl:

Wij weten allen uit onze geschiedenisboekjes, dat Karel de Groote, de grote Germanenkeizer, de verzameling bevolen heeft van al deze geschriften, maar wij weten ook, dat zijn zoon en opvolger, onder de invloed van een Latijnse clerus, de volledige vernietiging van al deze geschriften bevolen heeft. Het Romeinse Christendom kon deze voortbrengselen van Oud-Germaanse inspiratie en fantasie niet dulden.

O neen, dat is geen hartstochtelijke aanval; het klinkt allemaal zuiver refereerend, en hoofdzakelijk vooral rassentheoretisch geïnteresseerd. Maar het dringt den geest der jonge menschen in: het ras voorop, rassenadel nummer één, en wat straks daartegen inging, al was het christelijk, heeft maar bederf gebracht. Zoolang het ras heidensch is, heeft het zijn adeldom; het christendom bracht de ontaarding.

Een gevechtje met de Eerste Heemsteedsche? Och neen: een klein bewijs maar, dat ons volk stelselmatig wordt geïnfecteerd met ideeën, die heel zeker kerk en bijbel uit de volksaandacht bannen.

Als we nog lang zóó moeten, dan kan de heer Keuning zijn klacht over eigenwijze J.V.'s wel staken. Zulke rassentheoretische eigenwijsheid, waaraan wetenschappelijke critici geen waarde toekennen, zal dan het veld voor zich alleen behouden hebben.


1) Ik lees verder: „Ook op de pers rust hier een taak. Boven alles praevaleert [is van waarde] het volkswelz ij n, dat niet mag opgeofferd worden aan de verkondiging van min of meer verouderde begrippen en opvattingen van theoretischen of academischen aard!" — Maar aan het waarachtig — dan óók geestelijk! — volkswelzijn wordt juist steun en stuur gegeven door gezonde beginselen ontleend aan het immer-blijvende Woord Van God I

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 augustus 1940

De Reformatie | 8 Pagina's

PERSSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 augustus 1940

De Reformatie | 8 Pagina's