GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

NAAR AMERIKA.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

NAAR AMERIKA.

35 minuten leestijd Arcering uitzetten

Bij zijn heengaan naar Amerika wenschen we onzen Redacteur eene voorspoedige en goede reis. De Heere beware hem op de groote wateren, en behoede hem in het uitgestrekte land aan den overkant van den Oceaan. Hij sterke hem daar tot zijn velerlei werkzaamheden, en geve hem een goeden ingang.

De vooruitzichten zijn niet zoo bizonder rooskleurig. Destemeer mag het noodig heeten, dat daar goede inlichting gegeven worde. Men heeft zich daar oppervlakkig wel wat eenzijdig de zaken van ons kerkelijk leven laten mededeelen, zonder de voorzichtigheid te betrachten, om zich van beide kanten grondige voorlichting te laten geven. En zoo kwam men er toe, om overijld en onverstandig al vast ongenoegzaam doordachte verklaringen af te leggen, of uitspraken te doen.

Dat heeft zijn uit-en nawerking, en vergemakkelijkt het optreden van prof. Schilder niet. Doch de Heere bane zijn weg, en brenge hem straks na volbrachten en gelukten arbeid weer in welstand tot ons terug.

S. GREIJDANUS.

ZELFSTANDIG OPTREDEN IN DE POLITIEK ? XIV.

Ons vorig artikel besloot met de opmerking, dat 1905 ons nog wel wat meer ongelukken scheen gebracht te hebben dan tot nu toe tot onze aandacht doorgedrongen was. We moeten er nog wel iets van zeggen.

In ons vorig artikel wezen we aan, dat het Rapport van 1905 in de vertaling van den titel, dien Calvijn gaf aan zijn tractaat tegen Servet, ten onrechte het latijnsche werkwoord „co ere ere" weergaf met „straffen"; gelijk het daarin ook het onderscheid tusschen , , z w aar d-r e c h t" en , , zwaard" abusievelijk verwaarloosde. Gevolg van deze dubbele vergissing was, dat van Calvijn's opinie een scheefgetrokken voorstelling gegeven werd.

Op zichzelf was dat niet zoo heel erg.

Toch was het jammer. En wel hierom: de lezers van het Rapport werden op die manier een beetje kunstmatig losgeweekt van den inhoud van art. 36.

Als n.l. Calvijn zegt: „de overheid moet met het zwaard recht de ketterij bedwingen";

en het Rapport maakt daarvan (als ware dat Calvijns gevoelen) „de overheid moet met het zwaard de ketters straffen (lees: dooden);

dan zegt de lezer al gauw: maar dat is mij te gortig; en hij concludeert: die Calvijn had het toch wel wat erg mis; we moeten op DIT punt hem maar loslaten: wij hebben na enkele eeuwen wat meer verlichte denkbeelden dan hij.

Maar op die manier is Calvijn wat al te bekaaid eraf gekomen, en hebben wij, eenvoudige lezers van dit synodale rapport, ons te gemakkelijk van hem gescheiden. Het is ons zoo doodeenvoudig ontgaan, dat hij, " ook zonder nog het ketterdóóden te willen, toch kan volhouden: maar de overheid heeft een positieve taak tot het bedwingen, het beteugelen der ketterij. Het Rapport heeft zoo heel ongemerkt dat fijne puntje, waar het toch maar om bleef gaan, uit ons gezichtsveld weggetrokken. Het is er mee als met alle (bedoelde of onbedoelde) tendenz-redeneering: als zij iemand onschadelijk maken wil, geeft zij van zijn werkelijke meening een vergrootende, overdrijvende, in 't extreme getrokken voorstelling, en roept dan: f ij, zoo'n extremist! Zoo'n recht-lijnige! In zulke dagen kan de waarheid voor onbepaalden tijd wel het rouwkleed aantrekken: synodale rapporten hebben in de kerkgeschiedenis haar deze harde noodzaak herhaaldelijk opgelegd.

Nu krijgen we den indruk, dat de steller van het onderhavige Rapport toch wel beter had kunnen weten. Want de passage, die we in ons vorig artikel bespraken (betreffende Calvijn's tractaat tegen Servet) komt voor op bl. 288 van het Rapport. Maar daarvóór, n.l. op bl. 279, blijkt de steller van het Rapport reeds een passage onder de oogen gehad te hebben, waaruit hem duidelijk MOET geworden zijn, dat men als gereformeerde van den ouden stempel zeggen kan, niet alleen, dat de overheid haar zwaard-recht moet gebruiken tegen het antichristelijke rijk, maar ook, dat dit nog niet beteekent, kort en goed: zet ze tegen den muur.

De bedoelde passage is een bladzij uit Voetius (Disp. III, 806).

Om haar te verstaan, en om te controleeren wat het Rapport van 1905 ervan gemaakt heeft, dienen we even het verband na te gaan.

Voetius spreekt op bl. 805 over de Remonstranten, die de Gereformeerden te lijf gaan, alweer zonder goede reden. De Remonstranten, aldus Voetius, p. 804, beweren, dat de Gereformeerde Kerk gelooft en leert dat men de ketters moet dooden (haereticidium); het enkele feit reeds van het aanhangen eener valsche leer zou volgens de gereformeerde kerk

voldoende grond zijn voor den ketter-dood. Deze aanklacht, zegt Voetius, 805, probeeren zij nu op twee manieren te bewijzen:

Ie. door te beweren, dat de onzen ontkennen dat de overheid verplicht is aan de ketters vrijheid van eeredienst (exercitie) toe te staan, voorzoover en in de, mate waarin zij deze noodzakelijk noemen naar hun geweten; volgens de remonstrantsche logica vloeit uit zulke loochening de leer van het ketterdooden voort;

2e. door te wijzen op den brandstapel, in de stad van Calvijn opgericht voor Servet, en op Calvijn's tractaat over de noodzaak, de ketterij te bedwingen met het zwaard-recht; dat is dan hetzelfde tractaat, dat verleden week in onze kolommen ter sprake kwam, via het Rapport van 1905.

Langs zijn neus weg merkt nu Voetius op, dat de heeren Remonstranten den titel van Calvijn's tractaat soms heelemaal verkeerd aanhalen; ze beweren maar, dat het tractaat tot titel heeft: „over het do oden van ketters"; maar zoo heet 't in werkelijkheid allerminst, zegt Voetius. Calvijn heeft zoo'n tractaat nooit geschreven........

En langs ónzen neus weg merken op onze beurt w ij op, dat het gereformeerd-synodale Rapport van 1905 zakelijk in dezelfde fout verviel als de Remonstranten; hetgeen te meer onbegrijpelijk is, omdat — zie boven — de steller van dat Rapport deze zelfd e bladzij van Voetius met die puntige terechtwijzing onder de oogen gehad heeft. Nu voert vervolgens Voetius tegen deze Remonstrantsche aanklacht tweeërlei aan, om haar te ontzenuwen.

Ad 1: Allereerst wijst hij erop, dat men op die manier ook (behalve de Remonstranten zelf) de 1 u t h e r-s c h e n wel zou kunnen beschuldigen van het willen d o o d e n van ketters. Neem b.v. de Lutherschen. Ook zij kennen nadrukkelijk aan de overheid de macht tot het „c o e r c e r e" (daar is weer het verleden week besproken latijnsche werkwoord, dat niet „straffen" maar „bedwingen" beteekent) van afgodendienst, van ketterij en schisma toe, en juichen het toe, als de overheid van die bevoegdheid gebruik maakt;

Ad 2: de brandstapel van Servet is een kwestie van Geneve, en geen symptoom waaruit men , , de" gereformeerden over heel de linie zou kunnen leeren kennen; verscheiden gereformeerde auteurs, b.v. Musculus, of de (voormalige) leidsche professoren in hun „Censura" (tegen de Remonstranten), en lunius en Crocius, verwerpen het ketter-dooden; het ketterdooden is dan ook nimmer — aldus Voetius — in de publieke belijdenissen geleerd; en toch moet men daaruit de leer der kerk leeren kennen; het ketter-dooden is derhalve — aldus Voetius — geen kerkelijk dogma.

Tweeërlei nu vraagt hier onze aandacht.

Vooreerst, dat het woord „coercere" (bedwingen) hier weer duidelijk de beteekenis van „b e d w i n - g e n" heeft. Men kan dus de belijdenis laten staan, dat de overheid met haar zwaard-recht een roeping heeft de ketterij te bedwingen, en toch geacht willen worden, niet vóór het d o o d e n van ketters te zijn.

Vervolgens, dat het Rapport van 1905 Voetius' woorden niet zuiver weergeeft. Het zegt: „in dien zin heeft Voetius gelijk, wanneer hij in zijne Disp. TheoL, t. III, p. 806 opmerkt, dat het uitroeien of dooden van ketters geen geloofsartikel onzer kerken is". „In dien z in", staat er. Men wil in dit Rapport van 1905 blijkbaar op Voetius' uitspraak iets afdingen; men bedoelt, dan ook, dat Voetius alleen zou bedoelen den valschen eeredienst; die zou niet uit te roeien zijn met het zwaard, het beulszwaard n.l.; en slechts met die bep e r k i n g zou het dooden van ketters geen gereformeerd dogma zijn. Maar het verband wijst aan, dat Voetius niet maar in dien éénen zin, doch in veel meer dan één zin mocht zeggen, dat het ketterdooden geen gereformeerd dogma was. Dat leeft de man, die oud artikel 36 gekend, en als elk ander artikel trouw verdedigd en tegen misverstand beschermd heeft.

Wij leggen bij een en ander den vinger niet om op elk slakje zout te leggen. Maar om aannemelijk te maken, dat men in 1905 van de bedoeling van oud artikel 36 een gekleurd beeld gegeven heeft. Toen dat eenmaal geschied was viel het gemakkelijker, de bekende woorden geschrapt te krijgen. Dat behoeft geen bedrog geweest te zijn, maar kan wel een onwillekeurige tendenz-redeneering geweest zijn. Want als men in de kerken en ter synode geweten had, dat men de sindsdien geschrapte woorden van art. 36 had kunnen behouden, zonderdaarmee nog het dooden-van-ketters te leeren, zou het voorstel tot schrapping dan wel de noodige stemmen ter synode gehaald hebben?

Hoe het zij, o.i. valt niet meer te loochenen, dat de schrapping inderdaad een lacune heeft achtergelaten. Uit afkeer van een niet in de belijdenis zelf noodzakelijkerwijze uitgesproken voorschrift (het haeretioidium, het ketter-d ó ó d e n) heeft men door schrapping (instee van verduidelijking) van bepaalde woorden een door de confessie gestelde positieve taak der overheid uit het confessioneele gezichtsveld laten verdwijnen.

De vraag kwam toen op: waarmee, d.w.z. met welken inhoud woirdt dit „ga t", dat in 1905 geslagen werd, nu verder gestopt? Wat te dien aanzien het A.R. Program van Actie wil, hebben we reeds gezien. Maar heeft het Rapport van 1905 ook reeds te dien aanzien vingerwijzingen gegeven, die in de richting van het huidige A.R. Pro-. gram van Actie (bedenkelijk ver van art. 36 verwijderd) voeren?

Wij meenen van wel.

Daarover volgende week. Voor deze week volstaan wij met de opmerking: zoomin de sleutelmacht der kerk beteekent, dat men alle zondaren direct moet excommuniceèren, zóó min beteekent het zwaard r, echt der overheid, dat men alle kerkscheurders moet dooden. Als een ouderling op huisbezoek gaat — zelfs al verloopt het bezoek zoo kalm als een zomeravond — dan bedient hij de sleutelmacht. En als de overheid tegen het opdringende antichristelijke rijk met machtsmiddelen optreedt, dan gebruikt ze haar zwaardrecht.

Enkele voorbeelden. Perusinus in zijn Inst. luris Canonici (Lugduni, 1591) spreekt over den plicht der overheid van het , , coercere" van delicten. Wie vertaalt dat door dooden? Zij heeft tot taak de kwaden te dwingen tot het goede (zwaard-recht, geen zwaard). Bochmer, lus Ecclesiasticum, hanteert denzelfden term (ius gladii, zwaardrecht), dien we Calvijn hoorden gebruiken in den titel van zijn tractaat tegen Servet, door het Rapport verkeerd vertaald. Bochmer (II, 109) herinnert eraan, dat de bisschop van Utrecht het „ius gladii" (zwaardrecht) bezat; het was „merum imperium", pure, echte, ongedeelde, onbeperkte macht. Kapittels hadden het ook. Anton Matthaeus schreef over het „ius gladii" een boek. Carpzorius spreekt er ook over; het straffen valt er onder. Kortom: zwaardrecht gebruiken is nog volstrekt niet: dooden.

K. S.

PRATEN OF EERST SCHRIJVEN ? (VII slot).

Ditmaal het slot. De heer Miedema schrijft:

Ten slotte. We kunnen slechts samenspreken op voet van gelijkheid, niet als rechter en beklaagde.

Ik geloof, dat dit dezen keer een regel is, die toepassing verdient. Op voet van gelijkheid, ja of neen, dat i n t e r e s s e e r t ml ij niet. Op de basis der feiten: dat interesseert ons allen. De feiten zijn nu eenmaal, dat de synode en de door haar geleide andere instanties hebben gezegd: wij handelen als „rechter" en ginds zijn „beklaagden"; men heeft zélfs, om de zaak nog op gang te krijgen, waar er geen een kerk met klachten was, een paar haagsche dominees met aanklaagbriefjes uitgelokt; enkele particuliere heeren dus, die prompt op tijd de gevraagde leverantie deden, de oergereformeerde Youth-for-Christ-man zelfs met 'n telegrammetje (ze zullen er, als de zaken zoo blijven, over een eeuw nog om belachen worden). En tegenover dit feit staat nu het andere, dat wij thans al deze , , rechters" aanklagen bij God, wegens machtsusurpatie, valsche binding, onzuivere berichtgeving, permanente camouflage, kerkscheuring, gehandhaafd in hoogmoed, en zoo voort. Ja, uit hoogmoed; want anders zouden ze niet op één zondebok altijd maar weer afgeven, als ware er maar één geval, terwijl de honderden gevallen alle mogelijke processueele vormen doorloopen hebben. Uit hoogmoed, anders hadden ze al lang op de knieën gelegen, toen ze hun formuletjes, de bindende (!), een beetje gingen veranderen, zeggende: ze bleven onveranderd; of toen ze hun , , eischen" moesten verdraaien zonder ze terug te willen nemen, en zoo voort.

We zullen dus inderdaad „op voet van g e 1 ij k h e i d" elkaar moeten ontmoeten (als ze willen, maar het propagandageluid, dat inmiddels vernomen is, laat geen blijde vermoedens in dezen' rijzen). Waarom op voet van gelijkheid? Omdat we wederzijds elkaar beschuldigen van zonde voor God en menschen, en van kerkscheuring, van roof van den kerknaam, van aanneming des persoons, van muiterij, van woordbreuk. De heer M. meent:

En zolang het geloof in den Christus der Schriften niet in het geding is, bestaat er geen enkel bezwaar elkander, onder belofte van nauwgezet onderzoek der geschillen in de naaste toekomst, de hand der verzoening te reiken.

We antwoorden: — voor de zóóveelste maal — was er dan „ruzie"? Of was er een eisch, om niets te leeren, dat niet heelemaal en wat daar verder volgt? Of was er een nieuw kerkrecht, dat toch naar den tekst der K.O. en naar de confessie heette te zijn? Heeft iemand gezegd, dat Greijdanus met Ridderbos, of cand. Schilder met Grosheide „ruzie" had? Of heeft Ridderbos verklaard, dat Greijdanus met Gods wet, en Grosheide, dat cand. Schilder met de confessie in strijd leefde en dacht? Het zal toch daarover moeten gaan? Inzender schijnt te vinden, dat mijn vredesvoorstel van 13 Deo. 1943 erg verstandig was; hij wil ten minste in 1947 hebben, dat ik van mijn kant 't nóg eens indien bij een synode, die zegt, mij kerkelijk niet te kennen. Maar wie een voorstel verworpen hebben, die moeten, as zij daar berouw van krijgen, het dan maar eens eerlijk zeggen. De heeren, die anderen publiek van de grofste dingen beschuldigen (zie maar het geschrijf van dr de Bondt in Curagao, pas geleden) moeten niet weigeren, wérkelijk een stap terug te doen. Eindelijk, ziehier van inzender, die, nadat zijn artikel voltooid was, het liet lezen aan de heeren: D. v. d. Stoep, J. Niemeyer, Koos van Doorne, P. Hekstra, K. v. Duinen, C. V. Roon, en hun mede-onderteekening verkreeg, ziehier van inzender het laatste woord:

Wij waren één kerk voor de scheuring, wij kunnen dat ook nu nog zijn, beide richtingen in de Geref. Kerken hebben elkander nodig om voor extremisme bewaard te blijven.

Nu ook onzerzijds dus voor het laatst: inzender moet zulke dingen niet tot ons zeggen, maar tot „de overzijde". Althans voor zoover hij juiste dingen hier zegt. VOORZOOVER „richtingen" aan het viroord zijn, hebben sinds 1936, toen dr H. H. Kuyper den strijd begon, de theologische faculteit der V.U. bev^erkte, dr Hepp als zijn dogmatischen woordvoerder gebruikte (en de af weerslagen op liet vangen), om desnoods „over lijken te loopen", tenzij de slachtoffers voor altijd zich wilden laten vernederen, d-w.z. uitschakelen, wij geroepen: begint niet! Wij hebben tegen den dommen — onze argumenten zijn gegeven, en we kunnen ons daarna dit woord veroorlooven — wij hebben tegen den dommen aanval onze tegen-argumenten gegeven, en dat duidelijk en scherp gedaan, omdat we de heele affaire minderwaardig èn onkerkelijk en gevaarlijk vonden. Maar „desnoods overlijkenVoope n", neen dat vonden wij slecht; want de Naam des Heeren, de eed der kerk, de heilige sleutelmacht was daarmee gemoeid. Wij hebben dan ook geen mensch „geschorst" (vandaag zou dat anders worden, want het gaat ginds niet goed!) en we hebben niemand buiten het verband gezet. Maar tegen den tijd, waarin de anderen, nu wij ons niet voor hen vernederden, moesten kiezen tusschen: teruggaan óf doorzetten, toen kozen ze voor 't laatste. Ze liepen over lijken. Oók de zoo zachtmoedig geheeten, maar in den grond felle Grosheide. En als de eerste de zijn tijd diplomatisch beidende Ridderbos. Dat zullen ze voor God verantwoorden moeten; en ze durven die verantwoording aan. Ik weet, dat wij allen onze zonden hebben, en voor God diep in de schuld liggen. Maar zonden in 't openbaar als gehoorzaamheidsacte n praesenteeren — dat is nog een tweede zonde: haar naam is: valsche profetie. En die komt bij het valsche kerk-regiment, het befaamde „WANBESTUUR"; met dezen terminus technicus uit Voetius (!) heeft dr H. H. Kuyper een kerkeraad op zij doen zetten: (Drachten), doch hij zelf heeft met zijn helpers niets anders gedaan (getuige: de gestelde , , eischen", die men niet kon volhouden, en ook den handel der vervangingsformule, die zakelijk prijsgaf wat ons als • bindend opgelegd werd). NU is het dus geen , , richtingsstrijd meer binnen het raam der confessie, doch het is een sleutelmachts-bediening geworden. En daarover strooien wij geen stichtelijk aandoende camouflage-grappen. Want als w ij die mede voor ónze rekening namen, dan deden ook wij mee aan valsche profetie, en aan wanbestuur. We zullen Ridderbos-Grosheide-Nauta houden aan hun gebruik van den Naam des Heeren. Opdat we niet de kerk verleiden door publieken kwaden handel.

Kortom: inzender moet bij de anderen terecht komen. Als onze synode had geweigerd, in contact te treden, dan mocht „de roskam Zijner liefde" ons „behandelen" tot bloedens toe. Nu wij evenwel ALLEEN maar ónzakeljjk contact weigerden, en de anderen het z a k e 1 ij k e afwijzen, nu moet hij bij de anderen wezen met ingezonden stukken.

En hij moet eventueel dat haastig doen. Ik weet, dat er een synodocratische dominee is, die op een of andere wijze kennis kreeg va, n 't stuk van inzender, en zich van harte gaarne bereid verklaarde, , , een beweging in de synodale kerk op touw te zetten, parallel aan de strekking van het stuk van inzender". Maar waar bleef inmiddels toch die dominee? Hebben de synodale bladen al een stuk van hem gekregen? Ik heb er niets van gezien. Vindt ook hij offeranden-gebaren beter dan gehoorzaamheid, en aroma van rammenvet beter dan opmerken ?

Zoolang de dingen zóó staan, moet ieder dwars door alle mooie vredes-zinnetjes heen kijken. Een professor der V.U., van wien ik weet, dat ook hij van inzenders stuk af wist, heeft daarna ook tot een vrijgemaakte gezegd: , .jullie zijn zonder ons niets, en wij zijn zonder jullie niets", 't Maakt indruk — op de onnoozelen hun leven lang, op de verstandigen misschien een paar dagen. Maar die verstandigen bedenken : dit is een utiliteits-argument, en geen principieel, op rechtsgronden. En voorts: vragen zij zich af: heeft het soms in de synodale pers de laatste weken dan tóch gerookt, niet vanwege dien dominee van daareven, maar vanwege dezen professor en zijn bewogen protesten ? Immers evenmin ? Hij heeft zijn sigaartje gerookt, en zijn geest doen spelen, maar zich overigens net zoo als die dominee gedragen. Inzender ziet toch, dat de parallel-actie NERGENS den kop opstak? Of — moesten de anderen soms eerst wachten op een daad van óns? Wilden ze ons losmaken van onze generale synode? Hetgeen zij anders zónde noemen? Maar dan zou dat wachten op ons beteekenen, dat ze nóg vergeten zijn, dat Gods Naam door hen in 't beslissend uur genoemd is, met het gezag der kerk!

Zijn wij zonder hen niets? Dat hangt er maar van af. Dat zal wederom waar worden, zoodra zij zich weer gaan houden aan de kerkenopdening en daarin aan de gereformeerde belijdenis, waaruit deze opkomt. Maar blijven zij bij hun ongereformeerde practijken ('t is immers geen kwestie van „interpretatie" van art. 31, doch van dat artikel zelf, en van art. 7 der Confessie, en van art. 33), dan zouden wij met hen óók tot niets worden.

En zijn zij zonder ons niets? Ik geloof het ook. Ze zijn al geweldig achteruit gegaan, nu Ridderbos het stuur kwijt is, sedert hij het in handen nam. Maar als ze ons alleen willen terughebben als ontzielden, die hen heen helpen over hun verlegenheid, maar die, om de PERSONEN te ontzien, de ZAKEN van Christus, en van de kerk, en van recht en kerkstijl, maar blauw-blauw laten, dan worden zij met ons nog sneller tot niets.

Want er is maar één weg om Gods kerkmenschen te helpen: niet langer liegen en draaien, en nog minder één dag langer de kwesties ontzeilen. Als Grosheide zich HEEFT geblameerd tegenover dien candidaat (en dat is zoo), en als Ridderbos HEEFT gedraaid in zijn synodale correspondentie over de „eischen" aan Greijdanus en Schilder (en dat is zoo), en als de binding aan 'n onhoudbare formule de kerk HEEFT gescheurd (en dat is zoo), en als ze ginds nauwelijks meer weten wat ze gedaan hebben (kijk hun stukken maar na, ze loochenen de eenvoudigste feiten), dan is de e e n i g e manier: officieel, d u i d e 1 ij k op de zaken ingaan en eindelijk eens weer kerk zijn. Niet langer kerkje spelen en afzettinkje-spelen.

Voor extremisme bang zijn? Inzender gebruikt het woord. Hij heeft gelijk, als hij het gevaar aanwijst. Maar hij bedenke, dat èn in Indonesië èn in de gereformeerde synodes het toegeven aan rechtsverkrachting DE promotie beteekent van het extremisme.

Iemand, die het stuk van inzender gelezen had, schreef mij: „heb medelijden met de zwakheden van onze broederen en laat het niet op een capitulatie aankomen. Ze zitten in hun eigen garen verward; zeg dat niet hardop, maar help ze een handje om hen te verlossen". Dezelfde correspondent schreef eerst: „Geef u ditmaal en redeneer niet, laat uw hart spreken en doe een grootsche daad terwille van het geheel".

Juist.

Terwille van het geheel. En daarom zeg ik wèl hardop, wat tot de zaken der gemeenschap behoort. Als een heele gemeenschap Gods orde noemt, wat (ook) ik een „in eigen garen" verstrikt zijn noem, dan moet die gemeenschap wakker worden.

„Het geheel", dat is: de gemeenschap der gereformeerde Christenen. Die moeten weer terug naar art. 7 der Belijdenis, en naar de Gereformeerde Kerkenordening. Daar zijn ze van afgetrokken door enkele koppige leiders, die gekrenkt waren in hun trots. En wie dus die enkele leiders ontziet, en hén tegen een capitulatie beschermt, d i e vergeet het geheel. Ze hebben trouwens al sinds 1944—1947 niets anders gedaan dan te verzekeren: Wir kapitulieren nicht! De jonge Ridderbos vond het zelfs een keer noodig, dit ongeveer letterlijk zoo uit te drukken.

Maar wij weten slechts één ding: de schorsings-en afzettingsgronden waren uit God, óf ze waren het niet. Wij wéten: ze waren het niet. Maar ze liggen daar nu eenmaal. En de KERKEN zeggen: ze waren het niet. De synodocratische kring roept: ze waren het WEL.

Daarover moet dus het gesprek gaan. Want daarin komen alle draden samen. Is men in dezen teruggekeerd tot de positieve belijdenis van art. 7, en tot de gehoorzaamheid aan de kerkenordening, en tot het herstel van recht, dan kunnen we zien, welke stormschade op te ruimen is (om een woord van Hepp te gebruiken). Wij weigeren terwille van enkele personen de KERK te helpen verknoeien. Trouwens, die personen zeiden toch zelf, in 1944, toen ze met hun actie begonnen: de kerk des Heeren moet zonder aanzien des persoons handelen, en daarom: henen uit met dien scheurmaker? Nu moet niemand ons zeggen: spaar hun de capitulatie. Want afgezien van mijn vaste overtuiging, dat die personen kerkelijk alleen te redden zijn, als er eindelijk eens een PROFEET onder hen opstaat, die d ó ó r s t o o t, zou ik zeggen willen: geen aanzien des persoons, dr Ridderbos. Noch, als gij uw collega's den Satan overgeeft (minder was het niet!), noch als gij zegt: zullen we eens praten? Met genoegen, maar: zonder aanzien des persoons, en dan eerst: zwart op wit. Doe gij eens een grootsche daad: en verdraag de steekvlammen, die uit een kerkelijke pen kunnen schieten, als 't God behaagt. U bent er toch alt ij d zelf óók nog bij? En ook uit de synodale pen van 1944 en nog in 1947 — b.v. in Curagao — komen er steekvlammen (dr de Bondt) ?

Ja, nu ik aan dien man denk, nu heb ik voor inzender nog een laatste woord.

Hij denkt allicht: de wind waait gunstig, a 1 s nu maar eens gepraat werd.

Hij vergist zich.

De affaire is destijds begonnen met 'n briefje — volgens afspraak — van Haagsche dominees. Ook door dr A. de Bondt. Ze schreven brieven: o synode, o synode, iemand heeft aan de raden der kerken geschreven: voor WEDERGEBOREN houden vindt hij onjuist en tegenstrijdig; handel tegen den man. En ook dr De Bondt schreef. En dr de Bondt stuurde (classis Den Haag) een candidaat de woestijn in. , , De Heere wilde het". Dat was in 1944.

Nu is het 1947. Dezelfde dr de Bondt is inmiddels gevlogen naar Curasao. Ik heb deze week gelezen de aperte onwaarheden, waarmee hij Curacao „voorlicht"'.

Met andere woorden: ze zijn ginds nog geen haar veranderd, 't Begon met dr de Bondt. En 't eindigt nóg met hem. Ridderbos komt er niet meer van af. Alleen maar — ze vinden 't prachtig, als ze den schijn kunnen wekken van vredeswil. Kijk door dien schijn heen, en lever op dien molen geen koren. Toets liever hun daden. Waar blijft hun eigen actie ? Al is 't maar van revisie?

„Redeneer niet", zegt — zie hierboven — iemand. Ja, dat zei onlangs ook een groote winkel in een groote stad: gebruik uw consumentencrediet en r e - deneer niet langer. Sic transit gloria mundi.

Wij mógen niet staken.

K. S.

HEEREN OF BROEDERS?

IV.

Zooals ik de vorige week al memoreerde, acht prof. Ridderbos het niet noodzakelijk in te gaan „op de vraag, wat er geschied zou zijn, indien de broeders niet waren heen gegaan en toch in het verzet tegen de synode hadden volhard". Toch wil hij ook deze vraag wel beantwoorden. Dan begint hij met eraan te herinneren, , , dat men in de Gereformeerde Kerken niet spoedig tot de excommunicatie (afsnijding) overgaat. Wanneer in het avondmaalsformulier aan de aaar genoemde zondaars wordt verkondigd, dat ze geen deel 'in het rijk van Christus hebben, beteekent dat toch niet, dat deze zondaars, zoover de kerkeraad hen kent, aanstonds met het formulier van den ban moeten worden afgesneden. Daar moeten eerst vele. vermaningen aan voorafgaan, en ook dan moet nog ieder geval op zichzelf beoordeeld worden". Daarop volgt de verwijzing naar het besluit van Middelburg, dat in een vroeger artikel reeds werd genoemd.

Men merkt, dat prof. Ridderbos de kwestie direct weer verschuift. Wij hebben nooit beweerd, dat de in het avondmaalsformulier genoemde zondaars aanstonds met het formulier van den ban moesten worden afgesneden. We hebben alléén maar herinnerd aan het feit, dat volgens dit formulier aan o.a. scheurmakers wordt verkondigd, d a t z e geen deel in het rijk van Christus hebben. Prof. Ridderbos heeft tegen zijn toenmaligen collega Schilder het avondmaalsformulier toepasselijk verklaard; hem mee schuldig bevonden aan één der hier genoemde ergerlijke zonden en a 1 z o o mede verklaard, dat hij geen deel had in het rijk van Christus. Waarom zegt prof. Ridderbos dan, dat hij en zijn synode dit nimmer hebben verklaard?

Vervolgens schrijft prof. R.: „De stelling, dat men iemand niet op grond van scheurmaking of valsche leer als ambtsdrager mag schorsen, tenzij men hem, wanneer hij daarvan niet terugkomt, ook buiten het koninkrijk der hemelen sluit, is geheel onjuist. Onze vaderen hebben dan ook anders gedacht. Prof. den Hartogh heeft nog onlangs in het „Ouderlingenblad" vermeld de uitspraak der particuliere synode van Zuid-Holland 1619, in welke uitspraak aangaande de Remonstrantsche ouderlingen werd verklaard, dat de hardnekkigen onder hen aanstonds van hun diensten ontzet moeten worden, „maar dat men geen excommunicatie aan dezelven gebruiken zal". Tot zoover prof. R.

Ik weet niet, of prof. R. zijn collega den Hartogh hier juist en volledig weergeeft. Voor de collegialiteit van prof. R. hoop ik het wel; voor de wetenschappelijkheid van prof. den H. zou ik liet echter betreuren, als het zoo was. Want ik ben de laatste jaren erg huiverig geworden, als men bepaalde stellingen , , geheel onjuist" verklaart, onder beroep op de „vaderen" die anders zouden hebben gedacht. Omdat ik toch vacantie heb, heb ik maar eens 'n middag gegrasduind op het terrein va, n collega Deddens, en eens de acta gelezen van de door prof. den Hartogh genoemde part. syn. van Zuid-Holland 1619. Alleen de beide eerste voorbeelden hebben betrekking op de part. synode van 1618. Mijn citaten zijn ontleend aan Reitsma-van Veen, Acta III; de getallen tusschen haakjes geven de bladzijden aan. Ik vond daar o.a. de volgende gegevens:

l.Voor de synode verscheen ds Adrianus Romanus, die beschuldigd werd van bedriegelijk gekomen te zijn tot den kerkedienst, van onbehoorlijke en seditieuze comportementen, het stellen en doen aanplakken van een schandelijk en lasterlijk plakkaat, waardoor vele amtsdragers beleedigd werden en de leer zelf geblameerd. Vonnis der syn.: „gedeporteerd van synen kerckendienst ehde oock meteenen gesuspendeert van het avontmael des Heeren" (311).

2. De bekende Wtenbogaert van den Haag: „gedeporteerd van alle kerkelijke diensten tot hij volkomen genoegdoening heeft gegeven, , , gelyck hy oock s o o-lange sich sal onthouden van den h. avontmale des Heeren" (315).

3. Ds Albertus Huttenus is niet verschenen, maar heeft een brief gezonden, „heel met galle overgoten" (wie denkt niet aan de beschuldigingen tegen prof. Greijdanus? ). Vonnis: , , Soo ist dat de sijnodus, merckende dese sijne ongestuijmichheijt ende dat hij ons geheel alle broederschap ende cristelicke gemeenschap opseijt, goetvint dat hij niet alleen van sijnen dienst sal worden gedeporteert, maer dat daerenboven de kercke van Buijren aen Huttenum sal gebruycken de kerckelicke eens uren ende nae gedane vermaninge, soohij hartneckich blijft,

volgens de ordre der kercke comen sal tot excommunicatie ende deselfde in de plaetse van sijne residentie de christelicke vergaderinge bekent maecken" (368).

4. Ds Burgius had zich schuldig gemaakt aan ongezondheid in de leer alsmede zich lasterlijke uitlatingen veroorloofd; was deswege afgezet en tevens afgehouden van het avondmaal. De synode verklaarde thans, dat men, zoo hij hardnekkig bleef, „aen hem sal oeffenen de kerckelicke censure ende comen tot de excommunicat i e" (374). Evenzoo wordt gehandeld met ds Slatius (375).

5. Ds Barleus had de zaak der Remonstranten hevig voorgestaan ook in geschrifte. De synode ver-Jciaarde hem den kerkedienst onwaardig, ontzegde hem meteen den toegang tot het avondmaal, en droeg de kerk van Leiden op met hem te p r o c e-dteren tot de excommunicsatie, als hij zich niet beter gedroeg (378 v.). Hetzelfde besluit valt ten aanzien van ds Bertius (382).

6. Tegen een zevental predikanten, die de remonstrantsche leer fel hadden voorgestaan, bovendien een tegensynode hadden gehouden, en ook het bevel tol uitwijzing van de overheid hadden ontvangen, en tegen een achtste, die bovendien nog trouweloos zijn dienst had verlaten, valt eenzelfde vonnis: afgezet. IJ aar de synode verklaart daarenboven, , , dat sij tegen sodanige ter gelegender tijt kerckeliok sal procedee-, ren ende haer g e h e e l i c k van de kercke sal afsnijden, tenzij dat se haer leven beteren" (385).

7. In artikel 78 wordt meegedeeld het besluit inzake de vraag, of het niet noodig was één lijn te volgen zoowel ten aanzien van de predikanten als gemeenteleden, die zich in de remonstrantsche twisten hadden doen kennen als voorstanders van het remonstrantsche gevoelen. Het is dit artikel, waaruit prof. den Hartogh citeert en prof. R. geeft dat door.

De synode zei, dat een groot onderscheid gemaakt moest worden tusschen de hardnekkigen èn de gezeglijken; vervolgens: dat de hardnekkige leeraars volgens het besluit van Dordt d a d e 1 ij k van hun diensten zullen worden gedeporteerd, en, wanneer de trappen der vermaning zijn waargenomen, g e ë x - c..mmuniceerd! (386). Bij de gezeggelijke leeraars maakt men weer onderscheid tusschen hen, die tegen de gezonde leer geschreven hebben èn hen, die zulks niet hebben gedaan. De eerste groep krijgt een proeftijd van 2 jaar, voor ze weer tot den dienst worden toegelaten; de tweede categorie ontvangt een proeftijd van 1 jaar. Maar van beide wordt gevraagd publieke se hu ld b-e 1 ij d e n i s voor de gemeente, en onderteekening van de drie formulieren!

Nu komt het citaat-den Hartogh! Bij de lidmaten maakt men onderscheid tusschen hen, die een ambt hebben bediend en hen, die nooit ouderling of diaken zijn geweest. Hardnekkige ouderlingen en diakenen moeten dadelijk van hun diensten worden afgezet, maar daaraan werd volgens den Hartogh-Ridderbos toegevoegd, „dat men geen excommunicati'» aan dezelven gebruiken za 1". Er stai'.t echter iets meer: „dat men geen excommunicatie aan deselvige gebruijcken sal ende een j a e r la nek insien, hoe sij haer draghen", om dan op de volgende part. synode opnieuw te beraaislagen wat met hen gedaan diende te worden. Men nam niet het besluit om de excommunicatie i n geen geval toe te passen, doch om daarmee te w a c h t e n g e d u r e n d e één jasi r; men had dan den tijd eens te zien, hoe ze zich gedioegen en kon het volgend jaar opnieuw zich beraden (387).

Belangrijker, is misschien nog wat volgt over de gewone leden. De hardnekkigen onder hen zullen worden vermaand, maar de verdereprocecf.ure wordt uitgesteld tot de volgende synode. De anderen moeten worden onderwezen. En '/, 'at betreft de leden, die ergernis hadden gegeven omdat ze , , in hare prooeduijren de Remonstranten toegevallen sijn", in zaken van minder gewicht wordt een amnestie afgekondigd. Ma'ar degenen, die in wat de synode noemt , , uijtstekende daden" de kerken bedroefd hebben, doch thans zich met de kerk weer wenschen te verzoenen, moeten schuldbelijdenis doen voor den kerkeraad. En vóór de viering van het OTondmaal zal zonder het noemen van namen de gemeente worden opgewekt, dat niemand zich moest ergeren aan de personen die door hun proceduren de terk bedroefd hadden, doch nu weer tot het Avondmaal toegelaten werdjen, om-"at ze schuldbel ij denis hadden gedaan (388).

Laat ik hiermee mogen volstaan. Het is voldoende < "n in te zien, wat er overblijft van de bewering van Pfof. Ridderbos, dat de vaderen anders dachten. Zelfs gewone leden der kerk, die zich in die leertwisten "adden misdragen, konden alleen na schuldbelijdenis Weer worden toegelaten tot het avondmaal. En bij sabtsdragers overweegt men ernstig de excommunip^atie, alleen wil men nog een jaar de zaak aanzien. *'•> aan hardnekkige predikanten wordt het avond-Waal ontzegd, en bij gebleken hardnekkigheid aarzelt '"en niet om tot de afsnijding over te gaan, uitter-^ard met inachtneming van de regelen der K.O.

Dan moet prof. Ridderbos nog schrijven, dat onze stelling, dat men in schorsing en afzetting wel een oordeel had uitgesproken over onzen staat voor God, — ik zeg: hij moet noodig nog zeggen, dat deze stelling „met name de leertucht voor een groot deel onmogelijk maken zou". Dordt dacht er anders ovet, en de „vaderen" ook. Doch men maakt ginds geregeld propaganda met „de vaderen", zonder ze te kennen.

Wil men nu heusch nog beweren, dat de houding der tegenwoordige synodes ligt in de lijn van Dordt? Ds Romanus werd op staanden voet van het avondmaal gehouden, wegens zijn onbehoorlijke en oproerige wijze van handelen. Wat was volgens het oordeel der schorsende synode dan het verschil tusschen dien Romanus en K. S. ? Prof. Ridderbos moet maar eens meegaan met zijn zoon, als die voorlichting geeft; hij weet dan heel wat van het „seditieuze" van K. S. te vertellen. Het stellen en vermenigvuldigen van schandelijke en lasterlijke plakkaten, het schrijven van brieven met gal overgoten: nu, ik vergeet niet, dat men prof. Greijdanus om zijn strijdschriften schuldig verklaarde aan zonde tegen het 5e en 9e gebed. In dat geval zouden de vaderen gezegd hebben: wegens zijn onstuimigheid zal men de censuur tegen hem gebruiken en bij hardnekkigheid met hem komen tot de excommunicatie. De Zwolsche synode, voortgaande in de lijn van de vaderen, kan hoogstens „amnestie" afkondigen, tegen enkelen die in onwetendheid met de vrijmaking meegingen. Maar overigens kan men ginds niemand tot het avondmaal toelaten zonder publieke schuldbelijdenis. Wil men heusch beweren, dat het vonnis van , , scheurmaking" geenerlei oordeel inhield omtrent onzen staat voor God, en dat de vade­ ren ook zoo dachten?

B. HOLWERDA.

DE APELDOORNSCHE RAMEN.

Onze lezers vinden hier een cliché van de reeds eerder genoemde Apeldoornsche ramen in het gebouw der Theologische Hoogeschool.

LINKS:

Boven: e steenrots, die water gaf (Mozes); daaronder de luit (David). Beneden: aaronder de koperen zee uit den tempel (Salomo); daaronder Aarons bloeiende staf boven de ark; daaronder de kandelaar. Heel onderaan: eut. 30 : 14. Dit alles: ude Testament. De „steenrots was Christus"; van Christus zong David; de tempel wees naar Hem heen. Reeds zóó was het Woord nabij (Deut. 30 : 14). Dit alles staat links, d.w.z. aan den kant van Mozes (die de linksche figuur is in het groote middenraam).

RECHTS:

Boven: e visch, symbool van de oude Christenen, want visch is in 't grieksch: -ch-th-u-s, en dat zijn de beginletters van I(esus) Ch(ristos) Th(eou) K(ios) S(oter) = Jezus Christus Gods Zoon Heiland. Daaronder de kerk op de steenrots (oud symbool der Theologische Hoogeschool van de eerste dagen af). Beneden: n onder wereldkaart (Azia, Oceaan, Nijl, Europa, Gog en Magog staan'aangegeven), daaronder het kruikje van den pelgrim (die door d© wereld zijn weg zoekt); daaronder de symbolen van het avondmaal (beker en broodschaal); daaronder een doopvont (met opschrift: -i-ps-o-n-a-n-o-m-ê-m-a-t-am-ê-m-o-n-a-n-o-ps-i-n (van achteren naar voren gelezen hetzelfde als van voren naar achteren; men kon dus om het oude doopvont loopen van links naar rechts of van rechts naar links, en las altijd hetzelfde: .w.z. laat uw zonden afwasschen, en niet alleen uw gelaat; niet het uitwendige waterbad alleen dus). Daar onder: om. 10 : 8. Deze tekst komt overeen met Deut. 30 : 14 en geeft daar nieuwtestamentisch licht over. In al deze symbolen weer: abij is het Woord (Rom. 10 : 8). Het Woord, ditmaal in het N.T., niet maar als bij Mozes (middelaar van het Oude Verbond), doch in Christus (middelaar van het nieuwe Testament). Tegenover de schaduwen van het O.T. de rijkdommen van het N.T. Tegenover het O.T., dat niet buiten één Volk komt, thans de christen in de, volle wereld als pelgrim, doch door de kracht van het nabije Woord. Alles rechts, d.w.z. aan de zijde van Paulus, rechtsche figuur in het groote middenraam.

MIDDEN ONDER:

Eenheid van Oud en Nieuw Testament: inks Mozes (O.T.) met de wetstafelen, rechts Paulus met de rol, die „zijn" evangelie kort samenvat: e grieksche woorden op de rol in Paulus' hand beteekenen n.l.: echtvaardigheid uit het geloof. Tusschen beide figuren in de grieksche woorden: et Woord is vleesch geworden. Want in de vleeschwording is het Woord Gods ons het meest nabij gebracht. Boven de twee figuren in hebreeuwsche letters: abij u is het Woord. Onder hen, in grieksche letters, dezelfde spreuk Deut. 30 : 14 dus, en Rom. 10 : 8, eenheid van Mozes en Paulus, van O.T. en N.T. De woorden „n a b ij u is het Woord zijn zinspreuk der Hoogeschool.

MIDDEN BOVEN: de spreuk van ons Studentencorps: Fides Quaerit Intellectum, d.w.z. het geloof vraagt naar kennis (inzicht). Bekende spreuk van Anselmus. Links: Geloof met helm, borstwapen, schild (Ef. 6). Op het schild twee grieksche letters: beginletters van den naam „Christus". Rechts: figuur van de wetenschap (met bekende emblemen). Alles is nuttig (de deur moest toch ondoorzichtig zijn) en mooi. En niet duur. Ontwerp van den Heer

Van dér Burght, glazenier te Kampen.

U komt wel eens kijken op den Schooldag?

K. S.

P.S. Van deri Schooldag gesproken: ds Hagens nam de uitnoodiging aan. Prof. Deddens heeft de leiding. Zoo noodig geassisteerd - door ds D. van Dijk, presi­ dent-curator.

K. S.

SUPPLETIEFONDS.

Ten vervolge op onze vorige verantwoording vermelden wij de volgende giften:

„een oude zuster" door ds v. H. te R.-Z. f2.50; collecte de Lier f86.—; idem Blokzijl f44.41; door ds K. destijds te H. f 50.— ; door J. v. P. te A. f 15.50; ds D. te R. f5.—; collecte Alblasserdam f32.25; ds D. te R. f5.— ; idem f5.— ; familie M. te G. f45.—; collecte Schildwolde f 97.— en 1/2 dollar; collecte Hoogeveen (gedeelteijk) f 100.—; idem Sauwerd f57.—; door ds V. O. van A. S. te Z. f20.— ; ds den O. te H: flO.—; famiie M. te G. (gedeeltelijk) flOO.—; ds D. te R. f5.—; collecte Langerak f48.60; door den heer B. na afloop diaconale conferentie te Zwolle f125.— ; ds D. te R. f5.— ; collecte Aduard f 108.50; door den heer K. te H. opbrengst collecte Hilversum f20.—; collecte Leeuwarden-Huizum f 130.27; collecte Oenkerk f35.—; ds D. te R. f5.—; uit nalatenschap weduwe W. geboren D. te O. na aftrek f 3S2.—; ds D. te R. f5.—; collecte Zuidhorn f66.50; idem Haarlemmermeer f 158.30; ds D. te R. f5.—; collecte Leeuwarden-Huizum f23.97; mej. E. V. te L. f25.—; Geref. Kerk Heemstede flO.—; ds D. te R. flO.—; Geref. Kerk Bedum f 10.—; ds D. te R. f 10.—; idem f5.— ; collecte Schildwolde f97.50; ds D. te R. f5.— ; idem f 5.— ; mej. E. V. te L. f25.— ; ds D. te R. f5.—; door den heer J. B. te K., gift van een onbekende aldaar f60—.

Giften, binnengekomen in de periode na de laatste verantwoording in , .Groninger Kerkbode" en vóór de eerste, die in ons blad vermeld werd, volgen later.

Ook nog enkele omtrent de bestemming, waarvan nog correspondentie gaande is.

K. S.

CANDIDA ATS-EXAMEN.

Geslaagd voor het Candidaats-examen de heeren:

H. van Tongeren, Burgersdijkstraat 8, Katwijk aan Zee; J. Kamphuis, Koningsstraat 92, Hilversum; W. V. d. Lingen, Crezerlaan 22, De Lier (cum 1 a u d e); L. Moes, Geref. Pastorie, Blokzijl.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 16 augustus 1947

De Reformatie | 8 Pagina's

NAAR AMERIKA.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 16 augustus 1947

De Reformatie | 8 Pagina's