GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

PERSSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

PERSSCHOUW

11 minuten leestijd

NOG EEN BELANGRIJK STUK OMTRENT DE KERK.

In een vorig nummer van „De Reformatie" publiceerde ik de eindredactie van de bekende stellingen omtrent de kerk, welke indertijd door Prof. Schilder in „De Reformatie" werden bekend gemaakt.

In mijn bezit is nóg een belangrijk document waarin over de kerk het een en ander wordt gezegd.

Aan dit stuk is een historie verbonden.

Toen in 1942 de leeruitspraken door de Synode aan de kerken waren geschonken, was daar niets bij dat over de kerk handelde. De synode had over de kerk geen uitspraken gedaan, maar besloot een aantal deputaten te benoemen om zich met de vragen, die omtrent de kerk gerezen^waren, bezig te houden en omtrent hun arbeid aan een volgende synode rapport uit te brengen. Tot die deputaten behoorde ook ondergetekende. Deze deputaten hebben een paar maal vergaderd, maar zijn niet zover gekomen, dat ze een rapport bij de synode konden indienen. Voor het zover was werden ze namelijk afgedankt. Blijkbaar was de synode toch wel een beetje bang voor de leeruitspraken geworden.

Door deze deputaten werd in één van hun eerste vergaderingen besloten aan enkele predikanten en hoogleraren, welke zich met het vraagstuk der kerk hadden beziggehouden, te verzoeken, hun oordeel over wat de belijdenis omtrent de kerk leert, mee te delen. O.a. werd dit ook aan Ds W. H. v. d. Vegt van Goes gevraagd. Hij zond toen het stuk in dat hier volgt. Omdat Ds v. d. Vegt geen bezwaar had tegen publicatie en het deputaatschap niet meer bestaat, neem ik de vrijheid hét hier af te laten drukken.

Het is de moeite meer dan waard het grondig te bestuderen!

I. De Nederlandsche Geloofsbelijdenis kent m.i. slechts één ware Kerk: de Kerk der Reformatie. II. Verder kent ze nog andere „kerken", maar daardoor ontstaat geen pluriformiteit, „aangezien dat alle secten, die heden ten dage In de wereld zijn, zich met den naam Kerk bedekken". III. Tegenover de ware Kerk staat de valsche.

I

iDat de N.G.B, de situatie zoo eenvoudig ziet kan men ook afleiden uit de belijdenisuitspraak: deze twee kerken zijn lichtelijk te onderschelden.

Wie de pluriformlteitsgedachte voorstaat ziet de situatie veel ingewikkelder en komt uiteraard tot een tegenovergestelde conclusie: maar dit lichtelijk is voor ons zoo licht niet (K. Dijk, Heraut, no. 3042).

De Reformatoren volgden de oude Kerk. Cyprljmus- Augustinus: Eén God, eéu Christus, eén geloof, eén volk, eén Kerk. Indien de Kerk eénlg is is ze eén. In Christus.

Calvijn verklaarde, dat wanneer meer dan eén kerk aanvaard wordt, de eenheid van het lichaam van Christus verscheurd wordt. De Kerk is de eene, eenlge bruid. Zoo gebruikt hij ook het beeld van Cyprianus: een tak van den boom gescheurd sterft.

Luther zegt eveneens, dat hij slechts eén Kerk kent. Waar de eenheid verbroken wordt is het zeker, dat niet belde deelen de ware Kerk kunnen zijn, eén ervan is van den duivel.

Het bestaan van de Zwltsersche Reformatie naast de Luthersche en Calvinistische bracht niet tot een pluriformiteitsleer. Integendeel.

Dit is het gevoelen van Calvijnkenners als Doumergue, Kuyper en Rutgers. De eerste zegt: de drie Reformatoren zijn het volmaakt eens op dit essentiëele pimt: de onderscheldmg ta twee kerken: ware en valsche. De tweede schreef: Op datzelfde standpunt van de absolute eenheid der zichtbare Kerk plaatsten zich aanvankelijk alle Reformatoren. De derde verklaarde, dat Calvijn altijd gestreden heeft tegen allen, die de kerk als het ware in afdeeimgen wilden laten uiteenvallen.

II

De eenheid der Kerk is een eenheid In het ware geloof. Daar er geen eenheid in het geloof kan zijn of er moet een eenheid zijn van leer en prediking, kan men de eenheid der Kerk niet beperken tot de mystieke eenheid, onderling een arcana communlo. Ze veronderstelt het institutair karakter der Kerk.

Dit is dan niet Iets bijkomstigs, maar primair. Het voornaamste kenmerk van de geïnstitueerde Kerk, de prediking, noemt de Reformatie de ziel der Kerk, die aan het lichaam het leven geeft.

Ook hier zet de Reformatie de lijn der oude Kerk eenvoudig voort. Cyprianus en Augusttous zoeken de eenheid der Kerk in verbondenheid aan de herders, die onder den eenlgen Opperherder de kudde door hun herderlijken dienst bijeenhouden.

Hoe sterk de Reformatoren aanvankelijk den nadruk legden op de organisme-gedachte, later brachten zij het Institutair karakter van de Kerk al meer naar voren. Zoo zegt Luther, dat de Kerk daar is waar de kansel en het doopvont staan. De Kerk is de plaats waar men het Woord Gods hoort en het herder-ambt is. E3n Calvijn zegt evenzoo: Waar de verkondiging van de hemelsche leer niet weerklinkt, waar niet gepredikt wordt, kan men niet van Kerk spreken: wij worden niet anders wedergeboren tot het eeuwige leven dan door den dienst en het ambt der Kerk. Bij de belijdenis-uitspraak: 'bulten de Kerk geen zaligheid heeft de Reformatie stellig ook hieraan gedacht.

Wie zich van de wettige ambtsdragers afscheidde maakte zich aan schismavorming schuldig, zoo hij een meuwe kerkgemeenschap stichtte. Vandaar, dat de Reformatoren zich zoo fel tegen het verwijt van schis-

mavorming verweerd hebben. Dan waren zij valsche herders geworden.' Ze hadden de eenheid der Kerk verbroken.

Ben beroep op Matth. 18 : 20 gold h.l. niet ter verontschuldiging. Zij hebben dit nimmer zoo verklaard, dat waar het kleinst getal christenen zich maar vereenigt tot kerkstichting, daar de Kerk is en op die wijze pluriformiteit ontstaat. Reeds Cyprianus wees een dergelijk beroep van schismatic! als ongeldig af en verklaarde, ' dat deze woorden vooral den nadruk leggen op het een-zijn der geloovigen. Waar de eenheid bewaard wordt deert het niet al vallen duizenden af: de Kerk blijft dan hij het klein getal. In dienzelfden zin hebben de Reformatoren dezen tekst verstaan. Calvijn verklaart juist bij deze plaats: wie de heilige samenkomsten veronachtzaamt of zich van de broeders afscheidt en zich traag betoont in het betrachten der eenheid, bewijst daarmee, dat hij de tegenwoordigheid van Christus hoegenaamd met op prijs stelt. En op andere plaatsen: die beweren kerk te zijn, moeten vóór alles toonen, dat zij de zuivere leer hebben. Maar de christelijke eenheid bestaat dan niet enkel In overeenstemming aangaande de leer, maar ook in het eendrachtig samenleven. Eenheid moet b.v. uitkomen In het saamvergaderen onder eén prediking.

Tenslotte: ook een beroep op de Westminster Confessie kan hier niet van kracht zijn. Deze spreekt In art. 17 van dissidium, door Prof. Hepp vertaald door scheuring. Maar een aannemelijker vertaling is: oneenigheld, meeningsverschil. Daarmee vervalt de noodzaak hier aan gescheiden kerkformaties te denken. In een bepaald kerkverband kunnen al oneenlgheden en meeningsverschillen genoeg voorkomen!

III

Ten opzichte van de Roomsche Kerk zijn de uitspraken der Reformatoren niet minder duidelijk. Zij hebben zich nimmer op het standpunt gesteld, dat de Kerk der Reformatie een tweedy Kerk vormde naast de Roomsche, zoodat daardoor een zekere pluriformiteit zou zijn ontstaan. Volgens hen »is de Roomsche kerk geen Kerk meer. Zoo reeds Zwlngll: ik geloof graag, dat ge de ecclesia repraesentlva ztjt, maar dan de vermeende, ingebeelde kerk, niet de ware bruid, de vrouw van Christus.

Luther spreekt in aansluiting daaraan van valsche kerk, wat voor hem hetzelfde is als schijnkerk. De Roomsche kerk is des duivels kerk, de pauselijke is niet de christelijke.

Calvijn handelt in zijn Institutie over het onderscheid tusschen ware en valsche kerk en spreekt dan bij de valsche uitsluitend over de Roomsche. Daarvan zegt hij verder, dat zij het Hoofd niet heeft behouden. De Pausgezinden moeten derhalve bewijzen, dat de Kerk bij hen te vinden is, wat hun niet gelukken zal. Wat zij voor kerk uitgeven is nog meer in verwarring dan Babel, daarom matigen zij zich den naam kerk maar aan. De kerk Is bij hen uitgeroeid (abolita), het is een synagoge van Satan, de Pausgezinden zgn Idimieërs, Joden, Turken, de Paus en Mohammed zijn de twee hoornen van den antichrist, de Roomsche kerk is het rijk van den antichrist. Neque est ecclesia, nulle marque d' Eglise. De correspondentie tusschen Calvijn en zijn vroegeren Roomsch gev/orden vriend du Tillet werd afgebroken, toen Calvijn de Roomsche kerk niet als christelijk kon aanvaarden.

Op grond van dit alles konden de Reformatoren vrijmoedig met de Roomsche kerk breken. Daarmee erkenden zij metterdaad, dat deze kerk den naam van kerk verloren had, dat de vroomheid was vergaan en de waarheid Gods er weggenomen was en dwaling en goddeloosheid het geheele lichaam der kerk had bevangen. Want naar het getuigenis van Calvijn kon men alleen op deze gronden een kerk verlaten. Anders was men schismaticus.

Deze stellige uitspraken lijken mij voldoende om te concludeeren^ dat de Reformatoren de pluriformiteitsgedachte niet hebben gekend of voorgestaan.

Dat was ook niet het geval wanneer zij de Roomsche kerk nog'kerk noemden. Bij Kerk zagen de Reformatoren vooral op de vera et legitima ecclesiae constitutio. Deze was door Rome met voeten getreden. Het goddeloos karakter der kerk lag niet zoozeer In de impietas membrorum als wel In de impietas ministerii. Dat het chrtstendom onder de pauselijke tyrannic geheel vernietigd is zal geen gezond mensch beweren, zegt Calvijn. Benig overblijfsel der kerk was er gebleven. Maar omtrent deze dingen dacht hij niet zeer optimistisch: wat was er veertig jaar geleden, toen God het licht van Zijn evangelie ons weer teruggaf? Leek het niet, of heel het christendom uitgeroeid was? Zoo spreekt hij van enkele kerken, ja enkele honderden geloovigen die bij Rome zijn overgebleven. Luther Is zelfs nog veel pessimistischer en zegt, dat er maar enkelingen in de Roomsche kerk nog zalig worden en dan niet door de prediking, maar ondanks deze door het lezen van Gods Woord.

Hoe kunnen de Reformatoren dan nog van Roomsche kerk spreken? M.i. als bij concessie. Calvijn doet zoo ook ten opzichte van de ambtsdragers in de Roomsche kerk: wij bedienen ons nu eenmaal van de gebruikelijke termen (bisschop — opziener enz.) maar zij zijn niet minder dan dat. Als Calvijn zijn bedoeling wat "beter verstaanbaar maakt noemt hij hen Cybelijnsche priesters.

In dezelfde lijn ligt m.i. de wijze, waarop hij van de kerk bij Rome spreekt. Ze heet kerk op dezelfde wijze zooals de overspelige vrouw nog echtgenoote kan heeten. Dat ligt m.i. in valsch. De valsche kerk (door de Reformatoren hoer genoemd) heet kerk, omdat ze het geweest Is, maar ze Is in haar tegendeel verkeerd.

Wanneer men voorts uit de erkenning van den Roomschen doop concludeeren wil, dat daarmee ook de Roomsche kerk als kerk erkend wordt, meen ik, dat dit op een misverstand berust.

Vooreerst is het merkwaardig, dat de Reformatoren, die gedurig Cyprianus aanhalen, hem niet eén maal clteeren ter bestrijding van zijn standpunt inzake de verwerping van den doop door ketters en schismaticl bediend. Wel neemt Calvijn In navolging van Augustinus een ander standpunt in, maar dit bracht allerminst mee, dat de erkenning van den Roomschen doop ook erkenning van de Roomsche kerk als kerk inhield.

Augustinus erkende den doop der Donatisten, zooals hij zelfs van den doop door Mardon bediend verklaarde: integrum erat sacramentum. Maar hij deed dit alleen op dezen grond, dat de sacramenten niet van karakter veranderen als zij door onwaardige handen worden bediend. Ondanks de doopserkennlng der Donatisten leerde hij, dat de Donatisten zelf buiten de kerk stonden en de eenheid der kerk verbroken hadden.

Het is zelfs zoo, dat Augustinus persoonlijk geneigd was Cyprianus gelijk te geven, alleen het gezag der Kerk hield hem daarvan terug. Maar intusschen liet hij niet na deze restrictie te maken, dat iemand, die door een ketter of schismaticus gedoopt was, de zegeningen van den doop niet kon ontvangen, zoolang hij niet tot de eene en eenige Kerk overging.

Calvijn schijnt niet zonder Instemming van deze be- • schouwing kennis genomen te hebben. Hij erkent den . doop van Rome, ja, maar tegelijkertijd vindt men bij hem uitspraken als deze: de sacramenten zijn door de Pausgezinden geheel vernietigd, er Is daarvan niets overgebleven dan de schijn. Dat hij hier van sacramenten spreekt in het meervoud, terwijl hij doorgaans zich zoo kras uitdrukt over het avondmaal alleen, werpt m.i. een eigenaardig licht op zijn erkenning van den Roomschen doop. Ik denk hierbij nog aan een uitspraak: wij weten immers, dat de doop onder het pausdom zoo verdorven is en verontreinigd, dat geen kind - hem kan ontvangen zonder tevens bezoedeld te worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 2 augustus 1952

De Reformatie | 4 Pagina's

PERSSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 2 augustus 1952

De Reformatie | 4 Pagina's