GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

KERKELIJK LEVEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJK LEVEN

13 minuten leestijd

CuItunT-optimisine of versleten dilemma. cultunr-pessimisme, — eegl

Het is nog niet lang geleden, dal we in onzj kringen inzake „de" cultuur elkaar belangslellend bestudeerden, om te ontdekken, wie culluur-opii. mist en wie cultuur-pessimist was. De wijze, waarop indertijd Dr A. Kuyper het in 1911 geboren tijdschrift „Stemmen des Tijds" beoordeelde ij „De Standaard" (zie de nummers van 4 Novembei en 11 November 1911, en de artikelen „Bundels, gewijs" in de nummers van 21, 23 en 28 Maarl 1912) was zelf reeds een duidelijk symptoom van de verlegenheid, waarin in die dagen hel gereformeerde, bet christelijke volk zich vond. Dt Kuyper tracht in die ai-tikelen ook nog met een enkel woord tusschen „christendom" en „cultuur" t© onderscheiden; stelt hel christendom vooropi verlangt echter, dal men óók op hel „terrein vaj de gemeene gi-atie" zijn vleugelen als christen broed uitslaan zal, en wjl op deze wijze gaarm tusschen christendom en cultuur een verbinding leggen. Hij waarschuwt echter tegen synthese, ziel er niet tegen op (men durfde toen meer dan tegenwoordig) ci-itiek te oefenen op het feit van de publicatie in deze revue van een geschrift van één zijner dochters, komt straks tot puntige critiek, wanneer het synthetisch orgaan de planl misslaat, maar — en hierom is het ons te doen, hij tracht in elk geval onder den dran^ van zijn suggestieve hypothese van een „terrein der meene gratie", weifelaars op te wekken om niet in cultuur-pessimisme zich te verliezen, doch ook op dit terrein hun geluid mode Ie laten hoorea Sedert Dr Kuyper schreef, is er wel veel veranderd. Eu de verandering is vrij acuut. Van een apart terrein der gemeene gratie willen onder ons velen niet meer weten. Het is meer dan eens publiek gezegd. Dat er voor „de" cultuur een afzonderlijk terrein zou zijn, ontkennen zij, gelijt zij ook ontkennen, dat er een afzonderlijk terrein zou zijn voor „het christendom", of de „bizonder* genade".

Nu zijn er, die hiervan een weinig terugschrikken. Zij vreezen, dat prijsgeven van deze twee-terreinenleer 6 f een terugvallen in het cultuiu"-pessimisme, óf een overwoekering van het cultuur-optimisme beteekent. Zij duchten dus of het gevaar van een weer „afgescheiden" christendom, 5f dat van een verwereldlijkt christendom.

Het is daarom goed, er op te letten, dat nie(' alleen van binnen uit, doch ook van builen al heel deze problematiek tegenwoordig doorbroken wordt. Men behoeft maar na te gaan, hoe b.v, Brunner over „de cultuur" spreekt, om te constateeren, dal heel het dilemma van cultuuroptimisme dan wel cultuur-pessimisme door hem wordt prijsgegeven. De cultuur, zoo zegt hij, heet! altijd een Januskop. Uitgaande van het op zijn standpunt toch wel verwonderlijke begrip van den z.g. Logos spermalikos, komt hij tot een cultuurwaardeering, welke zich geen oogenblik leent voor den vroeger zoo suggestief-dwingenden oproepen) te kiezen tusschen cultuur-oplimisme en cul-| tuur-pessimisme. Tengevolge van zijn eigenaardige opvatting van de verhouding tusschen eeuwigheid en tijd, natuur en genade, geeft Brunner een bepaalde opvatting van de relatie tusschen naluur en geschiedenis. Van „geschiedenis" wil hij bij del natuur niet gesproken hebben. „Geschiedenis" behoort niet tot de naluur, maar alleen lot menscli en menschheid. Een opvatting, die oris door en| door onjuist schijnt, maar die bij; Brunner mede moet helpen, om den weg te bereiden voor zijn nu volgende stelling, dat geschiedenis steeds het midden houdt tusschen het zinvolle en liet zinledige, tusschen vergankelijkheid en eeuwigheid. Dit brengt dan weer eeij bepaalde opvatting mee inzake de cultuur mei haar reeds gemelde Janus-gezicht. Alle cultuur, ! zoo zegt Brunner, heeft dit dubbele gezicht: zoowel een vlucht uit de eeuwigheid als ook ee' verlangen naar de eeuwigheid. Boven deze innerlijke gespletenheid komt de cultuur nimmer uit. Zij blijft liggen onder dit nog al gemaUgii' oordeel.

Nu moge hel onze opmerkzaamheid hebbeOi dal deze opvatting van Brunner onmiddellijk verwant is aan de opvattingen der romantiek, die door Brunner aanvankelijk zoo scherp beslrede» is. De these immers, dat de cultuur tegenover de eeuwigheid of het eeuwige zoowel een middelpuntvliedende als ook een middelpunl-zóékend' kracht vertoont, lijkt bizonder veel op de filosofi* der romantiek, met name bij Schelling en Schleiermacher. Ook door dezen toch werd het „universum" bewogen geacht door twee elkaar te^ge"' gestelde krachten, die echter steeds tegelijkertijd met elkander pleegden op te treden: * „Ich-trieb" en de „Fern-trieb". De „Ich-trieb" " dan ongeveer hetzelfde als de drift, om a'j'' naar zich toe te trekken, zichzelf tot mi''' delpunt te nemen van alle leven en levenbeweginS' 'En de „Férn-lrieb" is de daartegenover staan* beweging, welke van het subject zelf

ziet, zich uitstrekt naai- het „andere", het eeuwige enz. ^ ^ . . .

Er is wel eens een preek gehouden in Amsterdam van een niet onvermaard redenaar, die deze begrippen kwam verduidelijken. De preek handelde over den schenker en den bakker, uit liet verhaal van Jozef. De bakker, aldus luidde de voorstelling, dat is de man, die bij het kneden van het deeg met zijn handen al maar door die bepaalde beweging maakt, waardoor hij het deeg omwoelt; bij elke beweging brengen die handen het deeg naar den bakker toe, hij brengt voortdurend het deeg in de richting van hemzelf. Zoo wordt de bakker het beeld van den zelfzuchtige, hij is de wandelende afschaduwing van den „Ich-trieb". De bakker werd „dan ook" aehangen. De schenker daarentegen, zoo vervolgde de preek, maakt, al schenkende, een beweging van-zichzelf-af. Giet hij den wijn uit de kan in den beker van den koning, dan stuurt hij dien wijn in de richting van-zichzelf-af, en is zoo liet wandelende symbool van den „Fern-trieb". Men verhaalt, dat de preek besloten werd met het oebed, dat „de Eeuwige" alle bakkers, op mocht hangen, gelijli de schenker in leven mocht blijven. Die preek heeft — en dat althans is haar ver^

dienste — derhalve niet gekozen voor de leer, dat de „Ich-trieb" en de „Fern-trieb", de schenker en de bakker, tot elkander steeds in polaire verhouding moesten blijven staan; en derhalve evenmin willen pleiten vóór de romantische stelling, dat een wijze Farao slechts den bakker met den schenker naast elkander, in ongestoorden sómengang voor zijn aangezicht moest laten staan en dienen.

Moest nu vandaag Brunner over dien schenker en bakker spreken, en zou hij in die twee een afbeelding van twee cultuurmachten zien, laat ons zeggen in den bakker de vlucht uit de eeuwigheid, en in den schenker het verlangen tot de eeuwiglieid, dan zou dus Brunner wel degelijk beiden willen gespaard zierj, op straffe van de ontblooting van het huis van Farao. Een Faraonisch paleis immers mèt een „schenker", maar zónder een „bakker", zou van da cultuur en haar tendenzen, en van haar nimmer rustende cenheid-van-tendenzen steeds een verwrongen beeld geven, - een caricatuur-beeld. Want de „Ichtrieb" heet bij Schleiermacher en bij Schelling de kracht der at-tractie; U denkt maar weer aan den bakker, en dat deeg. En de „Fern-trieb" heet bij hem de kracht der repulsie; U denlit maar weer aan den schenker^ die den wijn vanzich-zelf-af laat vloeien. Waar nu Brunner ten- ; gevolge van zijn opvatting inzake de geschiedenis het specifieke van het wezen „humanus" (mensch) hierin zoekt, dat hetzelfde, wat hem tot een deelgenoot van zijn soort, de „humanitas", de menschheid, maakt, liem tevens een enkeling, een individu, een zoeker van zichzelf doet zijn, daar is meteen in zijn opvatting gegeven, dat de cultuur, gedreven door de menschheid en door de menschen, steeds weer de eenzijdigheden zoowel van den cultuur-oplimist, alsook van den cultuur-pessimist be la cht. Het is nu onzin, vanwege de aanwezigheid van den „bakker" te klagen, I of ter wille van den aanwezigen „schenker" te lachen. Het is onzin, te vreezen, dat de heidensche bakker ooit den christelijken schenker zou vermogen te „hangen", of te li ó p e n, dat de schenker uit eigen krachten den bakker nog eens zal gaan hangen. Al mag er tusschen Brunner en de roman-, tiek groot onderscheid zijn, in zooverre n.l., als J de romantiek het coïncideeren van de krachten I der „attractie" en der „repulsie" over heel het „universum" uitbreidt, dus óók over lietgeen i Brunner (ten onrechte) „natuur" noemt in onderscheiding van den mensch, en de menschheid, toch heeft zijn opvatting voor wat de cultuurgeschiedenis betreft, gelijke uitzicbt-Ioos-beid. Het christendom zal de cultuur nimmer doordringen, ook op geen enkel puntje van den kosmos, in geen enkele maatschappij, geen enkel land, geen , enkel „eiland" van heele of halve zaligheid. En j anderzijds zal de cultuur nimmer zijn zonder I eeuwigheids-verlangen. Wat zou hier de optimist met zijn lach? Wat klaagt hier de pessimist? Wat I zou de een hier hopen op zuivering, de ander i vreezen voor voortgaand bederf? De geschiedel nis, zegt Brunner, is altijd, men lette daarop, een I poging tot „redintegratie" (vernieuwde zuivering) van het „gedesintegreerde" (liet onzuiver gowordene) en tegelijk een voortschrijdende desintei gratie. Zij bestaat volgens hem in een bestendige I oprichting èn weder-ópheffing van gemeenschaps- ' formaties, die altijd tegelijkertijd zoowel leven als óók dood beteekenen. Er is geen eenheid der geschiedenis en geen mogelijkheid, om haar vanuit zulk een eenheid te verstaan. Er is dan ook geen geschiedenis-filosofie mogelijk.

Uiteraard heeft niet alleen Brunner hier be- , teekenis. Wanneer men weet, hoe Barth, met zijn I scherpe scheiding tusschen geloof en wetenschap', ' bij voorbaat bij de bestudeering van het fenomeen der religie alle ruimte laat voor allerlei wisse- ; lende, op-en-neer-gaande wetenschappelijke hypothesen en tiieorieën, ook evolutionistische, dan Wijkt ook hij tusschen cultuur-oplimisme en cul- ; tuur-pessimisme geen keus te. willen, en voor jgeen van beide te voelen. Let men daarbij op nog andere overlieerschende stroomingen, b.v. op de opvatting van de geschiedenis, gelijk Tillich ze geeft, dan wordt liet dilemma van optimismepessimisme ook dezerzijds prijsgegeven als onzakelijk en verouderd. De geschiedenis komt nimmer lioven het tweeslachtige uit. Ze heeft nooit plaats voor zulk een tendenz-ten-goede, welke de tendenz-ten-kwade zou overwinnen en doorbreken, noch ook voor het omgekeerde. Zulk een overwinning, hetzij van het goddelijke, hetzij van het satanische zou de geschiedenis eenvoudig verteren. Dat is dan ook het „daemonische" in de geschiedenis.

Waarom wij op deze dingen wijzen? Om te doen zien, dat men zich heusch niet van zijn tijd verwijdert, indien men de leer van de twee terreinen, één „terrein" van gemeene, en één „terrein" van bizoiidere genade te, genwoordig van gereformeerde zijde bedenkelijk noemt. Het is een gelukldge omstandigheid, dat juist in dezen tijd de gereformeerde belijder onttrokken wordt aan de verlegenheidsgevoelens, die hem belilemmen moesten, zoodra hij weifelend had te kiezen tusschen cultuur-optimisme óf cultuurpessimisme. Een mensch lian maar op één terrein staan. Het óver-wippen van het ééne „terrein" naar het andere is — probeert u het eens — leven-opslokkend, indien de terreinen heusch bestaan; en anders is het natuurlijk maar een waan. Wie op het ééne „terrein" positie nair\, maar nog een ander, waarop hij niet staat, moet zien te waardeeren, (ten ^oede of ten kwade, prijzend dan wel lakend), dien zal die typische onzekerheid waarvan we zooeven spraken, altijd bijblijven. Het gevolg is, dat hij niet uitkomt boven de zwakheids-, de verlegenheidshouding, die reeds zoolang ons volk gekenmerkt heeft. De typische houding, waarbij men het eene niet durft zegenen, en het andere niet durft vloeken, maar alLei zijn zegenspreuken en anatliema's relativeert. Hetgeen dan „breed" heet.

Daarom staat de gereformeerde belijder in dezen tijd niet gemakkelijlser, maar wèl zuiverder in het volle leven, op het ééne terrein, waarop God Zijn genade èn Zijn oordeel uitricht.

Niet g"e m a k k e 1 ij ke r. Want hij heeft nu niet meer het recht, op het ééne terrein zich te specialiseeren, en het andere over te laten aan wie daarop thuis zijn. Practisch was het vroeger zoo. Aanleg, ontwikkeling, levensgang, beslisten over de kwestie, op welk „terrein" men zich begeven zou, althans zoo lang men weifelde tusschen optimisme en pessimisme ten aanzien van het cultuurleven. Is eenmaal dit dilemma prijsgegeven, dan staat ieder onder gelijken druk en onder gelijke spanning aoor het Goddelijk bevel.

En daarin wordt tegenwoordig de teekening der situatie wèl zuiverder. .

Want nu hebben wij niet meer een voorkeurkeus te doen, de één voor specialisatie op „het terrein" der „religie", de ander voor die op het „terrein" „der" „cultuur", en wij liebben ook niet meer angstvallig te vragen, „hoever" ons optimisme raag gaan, en waar toch alevel de grens van het pessimisme mao liggen. Want nu is er alleen maar een huivering voor de zónde in het cultuurleven, èn een sterke begearte tot het doen van de geboden Gods óólc in het cultuurleven. K. S.

^^ -"' Zoo lang mogelijk, zoo kort mogelijk, zoo haastig mogelijk.

Sommigen (naar verluidt, al ken ik hen niet) zeggen: N.S.B.'ers etc. zoO' gauw mogelijk de Kerk uit.

Ook ik zeg: foei! Anderen eisciien: N.S.B.'ers etc. zoo lang mogelijk erin.

Ik zeg: natuurlijk! Hetzelfde geldt van dronkaards, dieven, seclen-en-muiterij-aanstichters etc. Het geldt dus a 11 ij d.

Maar nu: hoe vinden we die „mogelijkheid"? Door zoo haastig mogelijk op de bekeering te werken. En te zeggen, dat bekeeriijg komen móét. En dan te zien, hoe elk geval speciaal verloopt. De „mogelijkheden" staan niet aan ons.

Handelingen 9 (met 22 en 26) en 15 vergeleken met Galaten 1 en 2.

Verleden week heeft Prof. Dr S. Greijdanus het rectoraat aan de Theologische School overgedragen aan zijn opvolger. De aftredende rector hield daarbij een rede wellce nog denzelfden avond in druk verscheen (met weglating van het gedeelte, waarin de lotgevallen der Thcol. School verhaald werden), onder den titel: „Is Handelingen 9 (met 22 en 26) en 15 in tegenspraak met Galaten 1 en 2? " Omdat deze redei) ons ook ter aankondiging in „De Beformatie" toegezonden werd, maken wij van het verschijnen dezer „vergelijkende, exegetische studie" bij dezen dankbaar melding. Het belang van deze studie wordt door den schrijver in zijn „woord vooraf" zelf aangegeven. Prof. Greijdanus merkt op, dat bij de bestudcering van de geschiedenis van het oudste christendom oolc bizonder het leven en werken van den apostel (Zie vervolg op blz. 84.)

Paulus de aandacht vraagt. Bronnen daarvoor zijn de Hand«lingeu der Apostelen, en de op Paulus' naam staande brieven. Nu hebben velen gezegd, dat deze Ijronnen, met name wat betreft de bericliten over Paulus' roeping en bekeering en eerste werkzaamheden, gelijk ook die over de samenkomst te Jeruzalem (Handelingen 15), met elkaar in strijd komen. Is deze beweerde tegenstrijdigheid werkelijk aanwezig, dan, zoo merkt Prof. Greijdanus op, zou het uiterst moeilijk zijn, d© geschiedenis van Paulus' leven en werken, en de ontwikkeling der kerk in liaar aanvang te kennen. Het is daarom van het hoogste belang, niet alleen \-oor de erkenning van het Schriftgezag op een bepaald punt, maar ook voor het kennen van de geschiedenis bovenbedoeld, dat op goede gronden aangetoond wordt, dat de berichten niet met elkander strijden.

Zulke goede gronden nu geeft Prof. Greijdanus. Reeds bij het hooren van deze rede kwamen de hoorders onder den indruk van de als gewoonlijk dwingende argumentatie van den spreker. Én voor zoover zij daarna de geheele publicatie: (94 l)lz.) onder de oogen kregen, werd hun gevoel van eerbied slechts versterkt. Wij geven dan ook met blijdschap en dankbaarheid de aankondiging van deze studie hier. Hier en daar is een grieksch citaat opgenomen; echter zóó, dat óók lezers, die geen grieksch kennen, toch met \TUCht deze studie ter hand nemen, en zich er in verdiepen kunnen. Men zal. over het leven van Paulus studeerende, deze studie niet kunnen voorbijgaan voortaan.

"Wie op een zeer belangrijk punt zijn Schriftgieloof bevestigd wil zien, en Paulus' leven en werken kennen wil, bestudeere dit prachtig gedocu­

menteerde geschrift.

K. S.


1) Uitg. N. V. Uitg.-Mij J. H. Kok, Kampen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 december 1935

De Reformatie | 8 Pagina's

KERKELIJK LEVEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 december 1935

De Reformatie | 8 Pagina's