GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

HET BOEK VAN DE WEEK

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

HET BOEK VAN DE WEEK

11 minuten leestijd

„Eldert Holler".

Roman van C. Rijnsdorp. Uitgegeven door Bosch & Keuning N.V., Baarn.

Dit boek is opmerkelijk door conceptie, door kracht van fantasie en stijl. Daar zijn auteur met dit zeer zorgvuldig bewerkt verhaal iets van wer zenlijk belang bedoelt te zeggen toit de kindereai van zijn tijd, is de eerste vraag, welke aan dei orde komt: Wal is de strekking van den roman?

De beantwoording dezer niet zoo eenvoudige vraag wordt ons eenigermate vergemakkelijkt door den kleinen sleutel dien de uitgevers ter beschikking stelden: een beloiopte samenvatting van den inhoud, begeleid door eenige vingerwijzingen voor het recht verstaan. Daarnaast heeft Rijnsd'orp gelegenheid gevonden . in dagbladartikel en lezing deze zijn bedoeling nog dichter bij zijn lezers te brengen, i) Of het ten gunste van een roman pleit, wanneer hij zichzelf niet verklaart, mag, dit terloops, in twijfel worden getrokken.

Alles wat zich in dit boek afspeelt (de beschik!bare niimte veroorlooft ons niet het verhaal na te vertellen) heeft als middelpunt de' Yana-gedachle. Met Holier zou de auteur kunnen zeggen: „Ik zie geen mensen, ik zie Yana alleen". Hlolier zelf is de exponent van den nieuwen geest en zijn val is geen geval, maar een reeds lang tevoren drieigende noodzakelijkheid. Hel onpersoonlijke van deze rol — ondanks de gigantische persoonlijkheidskracht welke ze veronderstelt — ligt goed gesymbohseerd in de onmëntënis van een sprekend s^nalêmmt Kies, Fanny, Annie en andea'en kon men conterfeiten. Holier is het geïncarneerde Yanaïsme-inopgang. Doch ook de andere figuren zijln in den geest van den auteur secundair, vergeleken bij^ de Yana-conceplie. Wie ook na herhaalde lezing van het boek van de dragers der handeling weinig levendige indrukken heeft bewaard, bedenke, dat dit met hel Yana-gegeven samenhangt.

Do oorsprong van deze alvernieuwende beweging ligt 'm den dorst naar levens vernieuwing van den man Holier, die, zoo juist veertig jaren geworden (het getal is niet op goed geluk af gekozen!), zichJ vastgeloopen weel. Op deze innerlijike losmaldng van hel oude leven volgt de radicale breuk in den weg van het offer, dat levens- en ontwikkelingswet voor Yana blijken zal: de drank, Fanny, de individueele vrijheid, ten slotte — Holier zeli (74; 259). Evenwijdig hiermede loopt, dat Holiers ondergang sh-aks zal worden voorafgegaan door een bezwijk ken voor den dorst naar drank (in plaats van schoonheidsdorst) en vleeschelijke erotiek (in de plaats van erotischen schoonheidisdienst).

Waarin manifesteert zich het nieuwe leven dat Yana brengt door middel van dezen herboren man? Uit de lange reeks van samenhangende verschijh-, iselen die zich naar voren dringen doen wc een keuze: een mysterieus-intuïtief verstaan en scheppen van kunst; een achterslellen van hel voorbedachte, opzettelijke bij het ex tempore, het geinspireerde; een heel hel leven in (Immaterlëele) muziek omscheppenden schoonheidscultus; prijsgeving van zichzelf in publieke' biecht, weerloosheid en offeren van individueele vrijheid; mystiek contact met andere menschen, verheerlijikt tot collectieve inspiratie; vergeestelijking, Bakchische geestvervoering en geestelijke eroitiek^); profetische krachten; een (verwrongen) projectie op aarde van eeuwigheidsidealen; een lïrincipiëele breuk met de oude cultuur, welker vormen als cüché's worden gezien. Tegen het Christendom kiest deze beweging aanvankelijk niet pai-üj. Yana zondigt per defectiun: het mist een doel. Maar zoo- weinig wordt het formeel principe van Yana als anti-christelijik geleekend, dat de christenen in de beweging hier het probleem van het mede-arbeider zijn Gods in principe vinden opgelost en, na hun uittreden, den nieuwen geest in Zich laten na- en doorwerken.

Rijnsdorp' zelf — zie den genoemden „sleulel" — acht de Yana-muziek van collectieve inspiratie blijkbaar rijker aan leven dan die welke wij kennen. En vergeten we het niet: „muziek" is de essentie der beweging! Onder de lianden der Yanaisten wordt alle beleven omgetooverd in een „muziek", waarvan de hoorbare een afschijnsel biedt Ook zoekt hij, als Holier, in gebrek aan bezieling het characteristicum van onzen tijd. s) Holiers brandende schoonheidsdorsl is de zijne. Eén, of verwant, zijn ze in hun kritiek op de „dodigheid des geesles"-van onze samenleving die ons cultureel „op hongerrantsoen" heeft gesteld. Daardoor kwam de auteur tot een fantasie 'die gestalte geeft aan zij|n schoonheidsverlangen. Van de twee mogelijkheden die zich aanboden, aan te duiden met de woorden Kerk en Wereld^, kwam alleen de tweede in aanmerking. De Kerk te teekenen als brengster van schoonheid deed de realiteit te zeer geweld aan!') Zoo is in het ontwerp van den roman de conceptie van de schoonheidsopleving primair. Secundair haar localiseering. En nu komt de auteur te staan voor het probleem: hoe een wereldsdie, door den Satan geïnspireerde, samenleving-inschoonheid uit te beelden. Zulk een uitbeelding n.l. die èn een ware schoonheidsopleving toont èn

< jen daarvan uitgaande daemonisclie verleiding. Dil probleem nu is naar mijn meening den auteur to machtig geworden. Het beteekent dan ook de guadratuur van den cirkel. Satan kan n.l. wel ©en schijnschooli scheppen, maar de ware scSiioonlieid is uit God. En Yana brengt wezenlijke schoonbeid'. Het verlost ook de Kerk van banden des geestes.

° Dit is mogelijk volgens den auteur: Holier is een Bileam, een Saul, een Judas. Hiji is „rakelings langs het Christendom" heengegaan. Vandaar, dat zijn inspiratie ook vrudrten in Christus' Wijngaard kan doen rijpen (o.a. bij de uit de beweging getreden Christenen), terwijl hij zelf door Satan zich laat drijven. Evenwel, hier blijkt, als ik goed zie, juist de zwakheid van 'de conceptie. Bileam is zijns ondanks een profeet des Heeren en over Saul wordt de Geest des Heeren vaardig, zoodat Iiiji in ©en anderen man wordt veranderd, en Judas heeft uit Christus' handen het Apostolaat ontvangen, mèl roeping en kracht om duivelen uit te werpen. Doch zoo staat het met onze valsche profeten niet; zoo mogen we het evenmin verwachten van toekomstige Holiers. En ware het anders, dan zou hun profetisch spreken zijn mt God. En ook «lit is bij' Holier niet het geval.

Zie, er ligt niets onwaarschijnlijks in, dat de geest uit de diepte bijzondere gaven van artisticiteit zal mobiliseeren. Hij heeft dit al dikwijls gedaan. De Overste dezer wereld heerscht ook hier. Alleen maar, daemonische inspiratie produceert een 't zij min 't zij meer gedeformeerde schoonheid, een door verziekte aesthetica geïnfecteerde kunst. En dit juist toont Yana niet, naar de bedoeling van den auteur. Hier openbaart zich ware schoonheid. De droom van het Yanahuis, waarin de subtielste vervoering der gemeente en haar leider zich' zoekt te materialiseeren, wordt door de uitgetreden Arcadiërs wel prijsgegeven voor de realiteit van het huis Gods. Maar Kies spreekt over dit laatste in de bewoordtagen van den ouden droom en komt zelfs tot deze conclusie, dat die droom een „gebrekkige gelijkenis (had) met het Koninlcrijk Gods, door Holier benaderd van de aesthetische zijde, en zo wel juist gezien, maar niet verstaan" (239). Juist zooals Annie's laatste woorden Yana's beeldspraak en stijl trouw reproduoeeren (236; vgl. 100 en 183). Volkomen stemt hiermede overeen, dat Holier juist bij' de Arcadiërs zijn visioen ontvangt van Het Huis.

We worden herinnerd aan de idealiseerende teekening die Augustinus van de „Platonisten" ontwerpt: wel zien zij' van een beboschten bergtop af het vaderland des vredes, ze kunnen slechts den . weg daarheen niet vinden. *)

Wanneer de auteur nietterriin achteraf verklaart, dat de Arcadiërs een fout begingen met ©en soort Christelijke nabootsing van de Yana-beweging te geven en dan ook geen toekomst hebben s), is dit désavoueeren van de Arcadiërs uit den tweeledigen opzet van het boek (in beeld brengen van aesthatisc'hè idealen en waarsohuwen tegen Satanische verleiding) zeer goed te verstaan. Doch het boek zelf toont ons niet, dat Rij'nsdorp Yana's sclioonheidsidealen wraakt. Integendeel: de „eer en heerlijkheid" der beweging zal • binnengedragen worden in het nieuw Jeruzalem. En Holiers stem is al heel moeilijk van Rijnsdorps stem te onderkennen.

Doch mysticisme (en Yana lééft daaruit) beteekent: een ook aesthetisch bedeirf. Nergens betoont Satan zich levensvemieuwer.

De conceptie van den roman acht ik om deze, en meer, redenen weinig gelukkig, zijta opvoedende waarde problematisch. Maar daarmëd™ is niet alles gezegd. Behalve het wat komt ook het hoe voor de beoordeeling in aanmerking.

'En dan zal men m.i. moeten constateeren, dat de stijl (om ons hiertoe te beperken) ongemeen© qualiteiten vertoont, die maken, dat het boek in dit opzidit den lezer kan verrijken. Deze stijl is op veel plaatsen oorspronkelijk, rijk aan plastiek, muzikaal, verfijüd, hoewel van oververfijning niet altijd vrij. Yana's omscheppen van alle geestelijk bezit in „muziek" heeft hier symbolisch uitdnikking gevonden in een rhythme en melodie van niet zelden treffende schoonheid.

Ergens heet het van de nieuwe kimst in haar aanvangsstadium: „(ze) deed geen grote gevoelens uit kooien springen, maar had toch voortdurend iets van het met vingertoppen aanraken van de huid van een levenden pante'r" (39). Biji Holier is er sprake van „een bruidsvlucht der gedachten" (64). Moeilijk kon Yana's zoo sterk aan Plato' (en Boutens) herinnerend schoonheidsmysücisme fijtaer worden aangeduid. Elders: „was het niet veeleer te verwachten, dat na die eerste, korte bloeiperiode de bloesemblaadjes zouden versneeuwen, de bloemen zouden vervalen en versdiralen? " 117). Ries wil niet meer zeggen, dan wat „belegen zielsbezit" van hemzelf is (120). Jakobs teekent een affiche „dat aan ieder kunstgevoelige ©en Breitneriaans© stomp voor de borst gaf" (131). Met felle contrastwerking: „Nauwelijks was de lente begonnen, of ze was al verdisconteerd en banaal gemaakt in krant en radio.... Als opi een culturele vendu stonden alle stijlen door elkaar. Het groene landschap was met auto's overkropen als met bladluizen. Maar in de kerken schreed d© passie onzes Heren voort van statie tot statie, omgerven van vererend commentaar en vermaan, omzongen d'oor oude profetieën" (168/9). Beeldkeuze, zinsbouw èn zinsmelodie werken voortreffelij'k samen om de tegenstelling te typeeren tusschen menschelijk© banaliteit en goddelijke majesteit.

Het directe domineert. De herfstluohlt lijkt Mer niet, maar is „een natte verfdoos" (247) en de eschdoorns hebben „bladeren van uitgeknipt bruin pakpapier." „Een vroeg aangesprongen lichtreclame aan de overkant mengde frambozenlimonade in het Blaakwater." (271)

Wie ZOO' schrijft, blijft niet altijd ver van de onzichtbare grens die loopt tusschen artisticiteit en manier. En wanneer hij daii bovendien nog een aesthetisch mysticisme als Yana brengt heit woord geeft, zonder eigen positie daartegenover duidelijk te markeeren (misschien zelfs zonder die goed door te denken) wachten over-raffinement en leege gemaniëreerdheid op hun kans. 'Zoo b.v. als gesproken wordt over „de verblekende poëtische formule, die de nevel soms boven vijverwater schrijft" (238). Maar de duidelijkste illustratie vindt men vermoedelijk in de fijngesponnen fantasieën van het Yanahuis: „En als het huis leeg was en ©en gel© avond viel, o droom di© het bloed uit de wangen jaagt, dan zou er een heilig huiveren zijn. Dan leefde er een geluidloze storm in het huis. Dan rekten zich de sculpturen en trachtten te zien naar het midden, wezen elkaar, wekten elkaar op, peinsden, tiiurden, of traden luchtig voort in een durend opgaan naar het midden. Een eeuwige muziek leefde in deze 'mimten van buiten naar binnen en omgekeerd, een in- en uitademen van een vergeestelijkte architectuur, waarin rumoer en stilte, beweging en rust, ruimte en benauwenis, geest en materie tot één was geworden" (179). En verder: „...en die vondsten kropen weer bijeen, opdat elke vierkante centimeter bezield en rijk, vrij en gehoorzaam, verstild en hartstociitelijk, onbezonnen en wijs zou zijn." (183).

Op zulke plaatsen wreekt de onzuiverheid der conceptie zich naar mijn meening in den taalvorm.

Wat evenwel bijzonder in den stijl de aandacht verdi&amp; nt, is het muzikale, spedaal de rhythtniek. Men leze uit dit oogpunt de boven geciteerde passage over de lente nog eens na. We veroorlofven ons nog een paar voorbeelden aan te halen. Holier gaat met zijn viienden musioeeren. De aanvang van het spel is doodgewoon, zooals men reediS aan het nonchalant afloopend rhythme hoort: „Holier zelf moest de woorden voordragen en de maat slaan, dat was wel wat lastig, maar de muziek was nu de hoofdzaak. Zo begonnen ze dan maar". Maar al spelend komen de musici er in: „ze speelden goed, ze leefden mee"(u - J. u A | u - : . u - i.) Dan, als allen door Holiers bezieling worden aangegrepen, spelen ze „hachelijk vrij, wonderlijEk een" (jL U u J. 1^ U u A) en dan: „De vaart nam toe. Holier werd bewegelijker, verrukking brak door: ©en garf van virtuoos wervelende stemmen, doorschetterd van vurige trompettonen, richtte zich opi, wankelde en waaierde prachtig uiteen". (21/2). Meöi hoort de klanken als ©en fontein opspuiten om, eenmaal het hoogtepunt voorbij, rhythmisch neer be droppelen, (^uuxuui). Het ware verleidelijk nog veel meer te citeeren, maar we moeten onisl beperken. Nog één voorbeeld: men vergelijke eens het veerende, bezielde rhythme van d© als volgt aanvangende passage op- pg. 34: „Het nieuwste avontuur is dat van de geest" met de donkere, zware muziek waarop de auteur Annie's diditerlijlk: gebed om den Geest heeft getoonzet: „verzen... dreigend van toon en todi zo geweldig van een donkere vervoering, dat hier geen muziek bij' kón gehoord worden, omdat dit zélf rijpe muziek wais, die in haar zwaarte opwoog tegen al wat was gezegdi" (52).

We zien üi E, 1 d e r t H o 1 i e r ©en niet geslaagd, maar van respectabel kunstenaarschap getuigend boek.


1) Zie het Boekennummer van „De Standaard" van 18 Nov. 1938 en „De Standaard" van 16 Febr. 1939.

2) Zie o.a. pg. 86, 149, 164.

3) „De Standaard" van 16 Febr. 1939.

4) Conf. VII, c. 21.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 april 1939

De Reformatie | 8 Pagina's

HET BOEK VAN DE WEEK

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 april 1939

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken