GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

UIT DE HISTORIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE HISTORIE

7 minuten leestijd

Schetsen uit den Reformatletyd

door P. Brouwer.

(In leven redacteur van Friesch Dagblad.)

Psalmgezang en Geloofsbelijdenis.

II.

Maar dit klaag- en verweerschrift was nog niet het voornaamste uit het pakket, dat opi zoo ongewone wijze in handen kwam van Margaretha's commissarissen.

Opdat de vervolgers zouden kunnen oiordeelen over de Schriftuurlijkheid van het geloof en de zuiverheid der bedoelingen van de vervolgden; inzonderheid opdat ze zich zouden overtuigen, hoe dezen in geen enkel opzicht met de oproerige Wederdoopers op één lijn mochten worden gesteld, hadden ze mee ingesloten een boeksken, kort geleden gedrukt, waarin ze hun leer, duidelijk en klaar beleden voor God en de menschen, betuigende voor déze Waarheid de berooving hunner goederen, lastering, pijniging, vuur en zwaard, kloekmoedig te willen verdragen. Het was, in de Fransche taal, de beroemde „B e 1 ij d e n i s des Geloof s", die van den tijd der martelaren at tot op den huldigen dag geweest is de uitdrukking van het geloof, dat de gereformeerden in de Nederlanden door Gods genade deelachtig zijn.

Nieuw was ze voor de commissarissen niet. Enkele dagen geleden was bij een huiszoeking een dergelijk exemplaar in beslag genomen en naar Brussel opgezonden. Stond het toen echter in de schatting der heeren gelijk met zoovele andere „stichtelijke boekskens", die ondanks de strenge plakkaten, van stad tot stad werden rondgevent, thans werd hun aandacht er bijzonder bij bepaald, nu het hun — zij' het op min gebruikelijke manier — door de „ketters" als een officieel stuk in handen was gespeeld.

Ook dit exemplaar werd aan de Landvoogdes opgezonden en, al spoedig vermoedende dat Belijdenis en Smeekschrift uit één pen waren gevloeid, zetten de commissarissen hun onderzoek met dubbelen ijver voort, nu vooral ook om te weten te komen, wie de man mocht zijn, die blijkbaar het hoofd en de ziel was der vervolgde gemeente.

Dat viel hun niet gemakkelijk! Slechts stap na stap bereikten ze hun doel en toen ze eindelijk zóóver waren, dat ze meenden op den langgezochte de hand te kunnen leggen, had deze reeds lang, naar het woord des Heilands, het stof der stad van zijn voeten geschud en was naar een andere gevlucht, voorloopig buiten het bereik der agenten van 't Staatsbewind.

Mocht hij, in Belijdenis en Smeekschrift, oprecht zijn geweest als de duiven — het bleek al spoedig, dat ook de voorzichtigheid der slangen hem niet vreemd was! Het bleek toch, - dat-zelfs velen, die de samenkomsten der gemeente bij­ woonden, hem wel van aanzien kenden, maar noch zijn naam, noch zijn woonplaats wisten te noemen. 'Blijkbaar vertoonde hij zich weinig op straat en was hij bij degenen, die niet tot zijn intieme vrienden behoorden, slechts onder verdichte namen bekend.

Toch kregen de commissarissen allengs verschillende gegevens bijeen over zijn persoon en arbeid. Het bleek hun, dat hij' behalve de gemeente te Doornik ook die in omliggende steden bediende en daartoe vaak op' reis was. Ook kregen ze er eenig idee van, hoe de gemeente zich zoO' voortdurend uitbreidde. Wanneer het bleek, dat er lieden waren, die het oor neigden naar een godsdienstig gesprek, dat bij buurtbezoek als anderszins zoo gemakkelijk kon worden aangeknoopt, of die wel gaarne stichtelijke tractaten en kleine werkjes lazen, dan werden ze naar de een of andere samenkomst meegenomen, liefst bij donkeren avond, langs allerlei omwegen en met velerlei voorzorgen, zóó, dat ze zelve den weg niet zouden weervinden. Daar hoorden ze dan een godsdienstige toespraak van den onbekenden voorganger aan en konden ook persoonlijk met hem in gesprek treden, maar naam- en woonplaats werden hun zorgvuldig verborgen gehouden en eerst na lange beproeving en hartelijke belijdenis werden ze tot de volle gemeenschap der geloovigen toegelaten.

En allengs kwamen meer bijzonderheden aan

't licht. Bij het verhoor van iemand, die o.a. een bijeenkomst had bijgewoond op den avond dat het psalmgezang door de straten van Doornik klonk, kreeg men een volledig „signalement" van den gezochte: „Iemand van ongeveer 40 jaar, lang van persoon, tamelijk mager en bleek en met een langwerpig gelaat, rosachligen baard en hooge schouders, gekleed in een zwarten mantel met omgeslagen kraag." Ook bleek uit de verhooren, dat de predikant nu eens Hieromme, dan weer Guy werd genoemd en dat hij den avond van het eerste psalmgezang in de straten van Doornik een samenkomst had geleid, waarin hij nog trachtte de deelnemers hun opzet te ontraden. Tevens kwamen de commissarissen er achter, dat hun man van stad tot stad ging en van uit Doornik als woonplaats gedurig den omtrek bereisde.

Op hun verzoek werd 's mans signalement naar Docray, Valenciennes en andere steden gezonden, en een gestreng onderzoek door de Landvoogdtes bevolen: zonder eenige uitkomst echter.

Met grooten ijver werd het onderzoek te Doornik voortgezet en den lOen Januari 1562 konden commissarissen in een jubelenden brief aan Margaretha schrijven, dat elk geheim thans was opgelost. De predikant in kwestie was niemand anders dan Guido de Bray, welbekend te Brussel, één der bekwaamste en ijverigste dienaren van de „Kerken onder 't Kruis". In de wijk St. Brixo had hij een achterhuis in huur van zekeren Jan vans Gent, wiens vrouw hem tevens van leeftocht voorzag. Een onverhoedsche inval had evenwel tot niets geleid. Van Gent noch zijn vrouw werden gevonden en ook De Bray bleek reeds sinds ettelijke dagen de stad te hebben verlaten.

Toch keerden de speurders niet met ledige handen huiswaarts. Ze namen De Bray's boekerij in beslag, benevens tal van brieven, dagboeken enz., alles wat hij bezat en toen dit behoorlijk was geordend en nagesnuffeld, waren ze van zijn leven, doen en laten geheel op de hoogte. Mocht de man zelf dus al ojjtsnapt zijn, thans kon zijn arbeid worden bemoeilijkt, tegengewerkt en vernietigd. Bijna was die buit hun nog ontgaan. Zoo goed hadden ze hun maatregelen niet kunnen nemen, of een der vrienden van De Bray vond gelegenheid met een ladder in zijn vertrek te klimmen en de bibliotheek van den predikant in brand te steken. Maar de vervolgers waren te dicht bij en toen ze het vuur gebluscht hadden, was er nog maar weinig verkoold en bijna alles leesbaar gebleven. Margarelha was ten zeerste voldaan over deze gewichtige vondst en beval, dat al die kettersche papieren tot süchtiijg der inwoners van Doornik en tot hun opbouw in het „Katholieke geloof" publiek verbrand zouden worden. ^

Vooraf echter moest van al wat belangrijk was, behoorlijke aanteekening gehouden worden en het is uit die aanleekeningen, welke bewaard gebleven zijn, dat we menige bijzonderheid uit De Bray's werkzaamheden uit het leven der Zuid-Nederlandisch© kerken zijn te welen gekomen. Zoo leeren we daaruit, dat te Doornik en denkelijk ook in de omliggende steden een welgeordende kerk bestond, met opzieners, diakenen, bediening des Woords en der Sacramenten en waartoe men slechts na oprechte belijdenis des geloofs eni behoorhjk onderzoek werd toegelaten.

Tevens blijkt, hoe De Bray iemand was, die ondanks afmattenden ambtsarbeid de studie niet verwaarloosde. Hij had een uitgebreide bibliotheek met werken van Luther, Calvijn, Beza en andere voormannen. Maar ook bezat hij tal van werken in 'tlatijn, grieksch en hebreeuwsch, terwijl zijn memoriën, schetsen enz. vele aanteekeningen van zijn eigen hand in de oude talen bevatten. Dit is temeer opmerkelijk', wijl De Bray oorspronkelijk geen geleerde opleiding gieftolen" had en zich dus deze kundigheden op later leeftijd, met groote inspanning had moeten eigen maken. Daarenboven voerde hij een uitgebreide briefwissehng met tal van gereformeerden in de Nederlanden, Zwitserland en Frankrijk en stond in voortdurende gemeenschap met de vluchtelingeakerken in Duitschland en elders, 't Was dan ook een zware en gevaarlijke arbeid, dien hij verrichtte, een weinig slechts verlicht door de liefde en aanhankelijkheid zijner gemeenteleden. Hun stilzwijgendheid had hem den lijd en de kans gelaten, naar Frankrijk te ontvluchten, gelijk hun offervaardigheid in zijn nooddruft had voorzien, zoolang hij te Doornik vertoefde.

In De Bray's verblijf vonden commissarissen nog 200 exemplaren van den eersten druk der „Belijdenis des Geloofs", in 'IFransdi gesteld onder den titel: „Confession de foy des fidelles des Pais-Bas". 't Is over dit stuk, zoo belangrijk voor önz; e kerken, 'dat we nóg iets willen mededeeleu.

(Wordt vervolgd.) -

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 juni 1939

De Reformatie | 8 Pagina's

UIT DE HISTORIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 juni 1939

De Reformatie | 8 Pagina's