GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

De beweging der „Jongeren” en „De Reformatie”*)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De beweging der „Jongeren” en „De Reformatie”*)

8 minuten leestijd

I.

Toen in 1918 de eerste wereldoorlog Europa in menig opzicht tot een chaos had gemaakt, kondigde zich reeds de komst van een, in vergelijking met wat vroeger was, gansch andere wereld aan.

Uit de ruïnen van het sinds lang vermolmde, en door de mokerslagen van een bloedroode revolutie ondergegane Czarenrijk was het materialistische, eudaemonistische en imperialistische sowjet-rijk aan het oprijzen. Amerika, door Wilson uit zijn isolement losgescheurd, was op weg om, na een isolationistische reactie, naast en tegenover Rusland een twééde wereldrijk te worden. Het verwaten duitsche keizerrijk van Bismarck was ondergegaan, maar reeds spookte in het brein van den korporaal BQtler het visioen van een nieuw Duitschland, machtiger en wreeder dan het vorige: het derde rijk met de leus van het: één volk, één rijk, één Führer. De strijd op leven en dood tusschen de dictatoriaal en de democratisch geregeerde landen werd door de scherpst ziende geesten reeds voorspeld. En in het, toen reeds niet meer verre, Oosten kwam de onmiddellijke gele menschenzee al meer tot bewustheid en in beweging.

Op sociaal-economisch gebied was alles in wanorde. De angst voor verarming en de vrees voor de volksmassa's leidde tot een dwaze en alle onheilen oproepende politiek van extreem protectionisme. Enorme rijkdom in het ééne land praalde naast de diepste ellende in het naastbijliggende. Wereldcrises veroorzaakte ongekende ellende te midden van een overvloed van voedsel en industrieproducten. En met al grooter kracht werd als het ideaal van een zich steeds meer bewust wordende, maar tegelijk door voortdurende werkeloosheid geteisterde, „vierde stand" de revolutionair te verwerkelijken of systematisch en successief na te jagen communiseering van industrie en landbouw gepropageerd.

Ook in de wereld van de kerk openbaarden zich de eerste teekenen van een nieuwen tijd. Vlak voor het einde van den oorlog vaardigde de paus uitsluitend krachtens eigen machtsvolheid, een nieuw groot kerkelijk wetboek uit, waarmee hij zich een zoo absolute macht over de roomschen aanmatigde als géén dictator ooit bezeten heeft of bezitten zal. En de curie maakte zich gereed om in de nieuwe na-oorlogsche wereld alle kansen aan te grijpen en alle mogelijkheden uit te buiten om zich tot steeds grooter macht in deze wereld op te maken. In de protestantsche wereld ontplooide zich met nieuwe elan, en als beweging van kerken, de voor den oorlog slechts individueel, improvisatorisch en dilettantisch opgezette oecumenische activiteit. De leidende figuren daarin verwachtten van de doorwerking en realiseering van de oecumenische idee niets minder dan een nieuwe kerk, een nieuw geloof, ja, een nieuwe religie! En, om niet meer te noemen, in het jaar van den vrede van Versailles publiceerde Karl Barth den eersten druk van zijn „Römerbrief".

In de gereformeerde wereld van na den eersten wereldoorlog was men zich van de geweldige veranderingen, welke reeds gekomen waren en op het punt stonden een feit te worden, zeer diep bewust. Het besef van „tusschen de tijden" te leven vervulde nagenoeg allen en zeker de leidslieden! De eerste alinea's van het eerste nummer van de op 24 September 1920 haar arbeid op het gereformeerde erf beginnende „Reformatie" luidden:

„Door geleidelijke overgangen en catastrofale gebeurtenissen zijn wij gekomen in een veelszins andere wereld. Wij leven in een wereld, waarin uit den chaos der door den oorlog verscheurde menschheid een volkenbond ontkiemt, die de opperste leiding in handen neemt, met idealistische woorden, maar voorloopig met imperialistische daden.

Het is een wereld, waarin ter eener zijde de leiders en de volken radicaler dan ooit met godsdienst en oude zeden breken, en waar anderzijds een vloedgolf van „nieuwe religie" en modem bijgeloof de ontredderde zielen overstroomt.

Het is een wereld, waarin het „proletariaat" zich gereed maakt de resten der bestaande orde weg te ruimen en aan kerk en kapitalisme den grooten dag der vergelding aankondigt.

Een wereld, waarin naast het hoogste idealisme en versobering des levens tot in het droogleggen der staten toe, de meest uitbundige genotzucht en sportmanie (waarvoor de cultuur gelegenheden schept) den levenstoon verandert en de tegenstellingen verdiept.

Een wereld, waarin de staat, als een moderne almacht, zich opmaakt het leven te „regelen", het maatschappeUjk vraagstuk op te lossen, zonder en desnoods tegenover de kerk.

Een wereld, waarin menig arbeider zich aan den arbeid door gestage inkrimping van den werktijd zoekt te ontworstelen en de emancipatie der vrouw zich geleidelijk voltrekt".

In het diepe en hooge bewustzijn, dat men een kentering der tijden beleefde, dat men een nieuwe periode in de wereld-en kerkgeschiedenis binnentrad, wilde men nu ook verandering en vernieuwing op alle gebied! Men dacht er niet aan de nieuwe wereld on het nieuwe leven passief af te wachten! Integendeel, men voelde zich zwaar verantwoordelijk vooi-wat komende was. Overal weerklonk de oproep aan den opbouw van de nieuwe, betere wereld mee te werken. Met hartstocht speurde men naar wat oud en verouderd was om dat weg te doen. En met inspanning van alle krachten zocht en ontwierp men nieuwe wegen, waarlangs het leven van de christenheid, speciaal dat der calvinisten, al meer zou kunnen beantwoorden aan het heilig ideaal ten bate van gansch de menschheid.

„Ondanks de hopelooze verdeeldheid in het geestesleven van onzen tijd — zoo lezen we van de hand van • Dr Hepp in het tweede nummer van „De Reformatie" — bestaat hierover vrijwel eenstemmigheid, dat de bestaande toestanden onhoudbaar zijn, dat er verandering moet komen.

Het conservatisme beleeft zijn boozen dag.

Zijn meest verstokte aanhangers durven niet voor behoud van het thans verworvene pleiten. De gebeurtenissen hebben hen overvallen, hen in hun droomerige rust gestoord, huii een werkehjkheid doen beleven, die al de verschrikkingen van een nachtmerrie heeft. Evenmin wagen zij het op een terugkeer van vroegere constellaties te hopen. Daarvoor is ook hun de wereld te zeer door elkander geschud. De verstandigsten onder hen verlangen er niet eens naar. Want zij kunnen met zekerheid voorzien, dat er dan toch weer ontreddering op moet volgen. Welke houding zij moeten aannemen weten zij niet recht. Zij bepalen zich tot het oefenen van critiek op alle veranderingen welke worden voorgesteld.

Doch hun felste protesten worden door het steeds zwellende geroep om verandering luide overstemd.

Verandering wordt niet maar begeerd op dit of dat terrein, 't Leven vormt een eenheid. Verwarring op het eene levensgebied heeft noodzakeUjke ontwrichting op het andere ten gevolge. Ingrijpen hier vraagt ook om voorziening daar. Het meest urgent moet worden geacht de verbetering van het sociale leven. Daar beangstigen misstanden, als Jakobus niet eens kende, toen hij sprak van het geschrei, dat gekomen is in de ooren van den Heere Zebaoth.

Maar dat mag ons niet blind maken voor ongewenschte toestanden in het leven daarbuiten.

Ook tegen ons kerkelijk leven met name kunnen rechtmatige aanklachten worden ingebracht".

Zoo schreef de eerste Eind-redacteur van „De Reformatie". Maar wat hij uitsprak, was de vertolking van wat in heel veel Gereformeerden leefde. Men mag gerust zeggen, dat het besef — misschien kan beter gezegd worden het gevoel — dat groote veranderingen in het kerkelijk leven moeten worden aangebracht, algemeen was. Zelfs de bezadigde „Heraut", naar haar aard wars van alle nieuwlichterij, gaf In die jaren artikelen, waarin het geheele kerkehjke leven grondig onder de loupe werd genomen, en een reeks veranderingen en verbeteringen dringend aan de kerken werd aanbevolen.

De gereformeerden, die onder den indruk waren gekomen van den zich met onweerstaanbaar geweld baan brekenden nieuwen tijd en er nu met alle kracht naar streefden het gereformeerde leven te „ontwikkelen", te „vernieuwen" zóó, dat het in levend rapport, synthetisch zoowel als antithetisch kwam te staan met de nieuwe wereld, die zich uit de ruïnes van de oude omhoog worstelde, noemden zich gaarne de „jongeren".

Met een flink ontwikkeld zelfgevoel dienden deze „jongeren" zich aan. Ze waren zich ter dege bewust dat ze iets zeer bizonders en belangrijks waren en wilden in den gereformeerden hoek.

„Ja daar is werkeUjk iets gaande, daar gebeurt iets bizonders — zoo verzekerde één der meest belangrijke figuren onder hen n.l. Dr B. Wielenga — zeker in de wereld, gewisselijk in het algemeen op-het terrein van den godsdienst, — maar, geliefde medeburger in het Gereformeerde Jeruzalem, ook in uw eigen heiligdom.

Wat er geschiedt is zóó belangrijk, dat wij, de tijdgenooten dezer beweging, het gewicht dezer dingen niet eens voldoende kunnen beseffen, omdat wij, kortzichtige menschen, nu eenmaal niet in otaat v.jjn een verschijnsel naar zijn oorzaak en wezen genoegzaam te beoordeelen, tenzij wij de uitwerking en vruchten in de geschiedenis hebben aanschouwd. En dit kan alleen het nageslacht doen, wanneer de genoemde beweging historie is geworden"^)

Maar al is een definitieve beoordeeling van de nieuwe beweging nog niet mogelijk, er was in 1920 al zooveel veranderd in den gereformeerden kring — stond het leven in de Gereformeerde Kerken toen niet geheel en al „in het teeken der „jongeren" " ? — dat Dr Wielenga met de oriënteering en beoordeeling van de actie der „jongeren" toch reeds beginnen kan en wil.

Vooreerst merkt hij op, dat het woord „jongeren" niet moet worden misverstaan. De menschen, die bij deze beweging de leiding hebben, zijn lang niet allen jongeren-wat-den-leeftijd-betreft. Er zijn zeöfs grijsaards onder. Daarom moet men dat woord „jongeren" tusschen aanhalingsteekens plaatsen. Maar al is de leiding van de nieuwe actie hoofdzakelijk in handen van „meer gerijpte persoonlijkheden, de behoefte aan verandering, de drijfkracht . tot reformatie, de sfeer en geestesstemming, die een dergehjke beweging schept, is zeker van de jongeren. De lijn van de jeugd is de opwaartsche lijn"2).


*) In verband met de lengte van het stuk van Prof. Veenhof, zullen we het vervolg in de komende nummers plaatsen.

1) De Ref., Ie Jaarg., No. 7, 12 Nov. 1920.

2) Idem.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 7 oktober 1950

De Reformatie | 24 Pagina's

De beweging der „Jongeren” en „De Reformatie”*)

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 7 oktober 1950

De Reformatie | 24 Pagina's