GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Ingezonden Stukken.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ingezonden Stukken.

15 minuten leestijd

{Buiten verantwoordelijkheid nan de Redactie)

Haarlem, 25 Juni 1888.

Aan de Beiyders vau den Christus der Schriften, die nog onder de Synodale hiërarchie verkeeren.

Zij het mij vergund langs dezen weg een bescheiden en ernstig woord tot u, bijzonder tot de opzieners onder u, te richten.

Immers door hetgeen sedert het einde van 1885 is geschied, is uw stelling ernstiger geworden, waarop mijne aandacht bij vernieuwing werd gevestigd door wat ik las over hetgeen voor eenige ' maanden te Gendringen voorviel. Immers ais | een moderne zegt, dat hij »de Schriften des Ouden en Nieuwen Testaments voor het eenige Woord van God en de volkomene leer der zaligheid houdt, en alle leeringen verwerpt, die daartegen strijden, en belooft zijn ambt «gelijk hetzelve voorheen beschreven is, naar deze leer getrouw te bedienen, en dus te prediken de onfeilbaarheid des Bijbels, de voldoening aan Gods gerechtigheid door den dood van Christus, de zaligheid uit loutere genade om zijne verdiensten, de noodzakelijkheid van wedergeboorte, bekeering en geloof in Christus, dat de Vader, de Zoon en de Heilige Geest de eenige, waarachtige en eeuwige God zijn. (Dit laatste toch blijkt uit de Doopsformule, die in het bevestigingsformulier wordt aangehaald), dan zegt en belooft hij iets, waarvan hij niets gelooft. En zegt ge nu niet met mij, dat iemand, die voor het oog van God en in het midden van zijn gemeente zoo durft liegen, geen minder brandmerk verdient dan dat van GEWETENLOOS SCHEPSEL? Hoe zou elk man van karakter het beoordeelen, als iemand bij de aanvaarding van een burgerlijk ambt beloofde, de hem voorgestelde verplichtingen na te komen, maar reeds besloten was om niet dit, maar het tegendeel te doen. En heeft deze moderne niet juist hetzelfde gedaan. Terecht gaf dan ook het Doetinchemsch Weekblad aan zijne verontwaardiging over dezen gruwel lucht, i) De kerkeraad te Gendringen sphijnt echter weinig minder schuldig, als hij Ds. Ynzonides op een dwaalspoor heeft geleid 2).

Maar toch, ook tal van irenische opzieners ! gaan te dezen niet vrij uit. Ook zij'hebben beleden: »de Schriften des Ouden en Nieuwen • Testaments voor het eenige Woord van God I te houden en de volkomene leer der zaligheid, I en alle leeringen te verwerpen, die daartegen I strijden." En toch zijn er vilen onder hen, die deze Schriften niet als Gods Woord erken­ , nen willen, maar beweren, dat dit er met vele verdichtselen in vermengd is, zoodat zij, dus evenals | de modernen eedbrekers voor God den Heere zijn. Bovendien zijn er velen onder hen, die de verplichting op zich genomen hebben om de leer onzer Gereformeerde kerken, vervat in de drie Formulieren van eenigheid, als de door God in de Schrift geopenbaarde waarheid, te prediken, en alle leeringen, daarmede strijdig, als «dwalingen en ketterijen, met de Heilige Schrift te wederleggen", en die toch reeds jaren lang die beloften geschonden hebben, door, in | strijd met die Formulieren, de onfeilbaarheid \ dier Schrift, de particuliere genade, het onderscheid der beide naturen in den persoon onzes Heeren, de oefening der tucht over wie i> onder den Christelijken naam onchristelijke leer of leven voeren en van hunne dwalingen of schandelijk leven niet afstaan willen" 3^, van den kansel of in geschrifte te bestrijden. Dal ik ook zulk een schriftelijke bestrijding als een diep zondige schending van de heiligste beloften beschouw, kan niemand wraken. We kunnen althans geen goeden dunk hebben van iemand, die belooft eene leer te prediken, die hijzelf voor valsch houdt, of zich aanstelt alsof hij in Gods bedehuis de gemeente in haar geloof moest opbouwen., maar daarbuiten door zijne schriften haar van dit geloof mocht (ï/'/z-^/tken. Verschilt zulk een bedrijf wel zoo heel veel van gewetenloosheid? Toch is het bekend, dat vele irenische godgeleerden de leer der Ned. Herv. Kerk door hunne schriften hebben ondermijnd en. bestreden. Of werpt iemand tegen, dat deze beschuldiging valsch is en zij nooit zulk een band aan de drie Formulieren hebben aanvaard. Ik erken, dat dit niet met zoovele woorden in de bevestigingsformulieren is geëischt. Daar staat enkel, dat zij des Heeren Woord grondig aan hun volk zullen voordragen en met de Heilige Schrift alle dwalingen en ketterijen zullen wederleggen." Maar vooreerst is hier geen sprake van zulken, die aan de Schrift het hoogste gezag betwisten. Er wordt onderstelt, dat er met beroep op die Schrift zelf alleriei valsche leeringen geschreven zijn. Er wordt evenzeer ondersteld, dat de opzieners weten, wat met »de zuivere leer" bedoeld is. En nu spreekt het toch wel vanzelf, dat een kerk van Christus alleen haar eigen leer voor »de zuivere leer" kan houden en als zoodanig moet doen erkennen. Immers is het eene ongerijmdheid, dat de kerke Gods op de vraag: „Wat is de ware leer? " zou moeten zeggen : „Ik weet het niet." Even onzmnig is het, dat de kerk dit zou moeten antwoorden op de vraag, of haar leer de zuivere leer was Dan toch zou ieder van haar eischen, dat zij eerst zelf op dit punt tot zekerheid kwam, alvorens zij anderen de verplichting ging opleggen om die leer als de ware te erkennen en te prediken. Nu blijkt uit het opschrift boven de Liturgische schriften, dat die schriften van de Gereformeerde kerken in Nederland afkomstig zijn, en dus met «zuivere leer" alleen die leer kan bedoeld zijn, die deze kerken in 1619 als »zuiver" hebben geijkt, en die vervat is in de Nederlandsche geloofsbelijdenis, den Heidelbergschen Catechismus en de Dordtsche leerregels. Nog in het begin dezer eeuw werden zij daarvoor erkend, gelijk blijkt uit de onderteekeningsacte der Evangelische gezangen. En naar recht gelden ze in de Ned. Herv. Kerk nu nog evenzeer als op den dag, waarop de Dordtsche Synode uiteenging. In 1864 is van de Haagsche Synode dan ook door sommigen verlangd herstel van de proponentsformule van 1619, en verbod van elke afwijking van de Drie Formulieren van Eenigheid, een verlangen waaraan de Synode zelf den lof van consequent te zijn toekende 4) Maar ik wil toegevender zijn jegens vele irenischen, en aannemen, dat zij den inhoud dier Leerregels niet kennen, wijl ze niet in dj kerkbijbels en kerkboeken voorkomen, al strekt hun dit niet tot eer, wijl ze toch én ih de onderteekeningsacte der nieuwe Psalmberijming en in die der Evangelische gezangen genoemd worden. In elk geval liggen toch nog de Geloofsbelijdenis en Catechismus voor hunne verantwoording, wijl zij deze wél kennen. En vele irenischen verbreiden leeringen, daarmede in strijd. Hier kotnt nog bij, dat zeker de meeste irenischen »ja'' gezegd hebben op de tweede vraag van het Doopsformulier, luidende: »Of gij deleer, die in het Oude en Nieuwe Testament en in de artikelen des Christelijken geloofs begrepen is, en in de Christelijke kerk alhier geleerd wordt, niet bekent de waarachtige en volkomene leer der zaligheid te wezen ? " Met deze »leer" is natuurlijk niet bedoeld de leer van den prediker, die den doop bedient. Dan toch zou men in onze eeuw de meest tegenstrijdige leeringen als waar moeten erkennen. Ook is dit zweren bij dezen of dien prediker in lijnrechten strijd, met de Schrift, die bij monde van onzen Heer zelf verklaart: »Eén is uw Meester, namelijk Christus" 5). Er staat dan ook : en in de Christelijke kerk alhier geleerd wordt. Die kerk nu bestaat niet enkel uit de nu levende belijders. en nog minder alleen uit den persoon des predikers, maar heeft eene geschiedenis van eeuwen achter zich. Ik denk, dat onze vaderen zelfs van verre de mogelijkheid niet ondersteld hebben van zulk een schaamteloos terzijdestellen van de Belijdenisschriften onzer kerken, terwijl men ze formeel behield, en het daarom niet noodig geacht hebben om in de bevestigingsformulieren opzettelijk uit te spreken, dat zij onder «de zuivere leer'' verstonden deleer, die vervat is in de drie Formulieren van eenigheid. Zij zullen m. i. geoordeeld hebben, dat dit vanzelf sprak en dus niet behoefde gezegd.

Thans kom ik tot de oefening der tucht. Daaromtrent zegt het bevestigingsformulier voor de ouderlingen, dat zij geroepen zijn »om toe te zien of een iegelijk zich behoorlijk gedrage in belijdenis en in wandel; te verhoeden, dat de Sacramenten ontheiligd worden, zooveel mogelijk is; ook mede tegen de onboetvaardigen (volgens de Christelijke tucht) te handelen; toezicht te nemen op de leer en den wandel van de Dienaren des Woords, dat geen vreemde leer worde voorgesteld, en naarstig wacht te houden tegen de wolven, die in de schaapskooi van Christus mochten komen." En nu is het aan den éénen kant waar, dat de predikanten, bij verzet tegen kerkbesturen, veel meer op het spel zetten dan de ouderlingen. Maar de laatsten stuiten allicht op meer tegenstand in de Gemeente als de eersten, althans als zij het prediken van valsche leer tegengaan en de toelating van ongeloovige jongelieden tot het Sacrament verhinderen willen. En nu, moet ook hier door u, belijders van Christus onder de Synodale hiërarchie, niet worden beleden, dat de ouderlingen vaak hun beloften niet zijn nagekomen, zoódat het woord uit het boek der Richteren: «In die dagen was er geen koning in Israel; een iegelijk deed, wat recht was in zijne oogen" 6) reeds jarenlang als uitdrukking kon gelden van den toestand onzer Hervormde kerk? Immers zijn de meest valsche leeringen jaren achtereen frank en vrij gepredikt, en is ook allerlei goddeloos leven gedoogd, zonder dat de opzieners ooit de censuur toepasten. Ja, erger nog. De ouderlingen zijn gehouden om toe te zien, dat het Sacrament 7iiet ontheiligd worde. Maar de Synode verbiedt hun dat te doen." Zij toch heeft onlangs bepaald: «Wordt de mate van verkregen kennis^ door de meerderheid van de afgevaardigden des kerkeraads voldoende bevonden, dan heeft de aanneming voortgang, wanneer de aannemelingen zich bereid verklaren toestemmend te antwoorden op de vragen, die hun naar art. 39 zullen worden gedaan. De Heraut voegt erbij: »Met de geschiedenis voor ons weten wij intusschen, dat de beantwoording van art. 39 niet het allergeringste bezwaar oplevert voor de volstrekte loochenaars van den Christus en zijn mysteriën."_ 7) Zoo moet dan de ouderling bij de bevestiging beloven te waken tegen de prediking van valsche leer, tegen onchristelijk leven en tegen ontheiliging van hetj sacrament. Maar komt het nu op de nakoming dier beloften aan, dan verbiedt de Synode hem dit laatste. Ik laat thans onbeslist of de ouderlingen alleen door de kerkbesturen of ook door de predikers, met wie ze te doen hebben, in de vervulling van hun roeping worden tegengewerkt. Dit zal wellicht in verschillende plaatsen verschillend zijn. In deze stad is na de invoering van het kiescollege, zoover ik weet nooit, eene poging aangewend door de

predikanten of ouderlingen, om in weerwil van de kerkelijke machthebbers de prediking van het modernisme door den gewezen predikant Moltzer te verhinderen, of hem en zijne kweekelingen van de tafel des Heeren te weren. Ook tegen de Synodale proponentsformule in 1883 heeft, naar ik meen, de kerkeraad alhier niets gedaan. Maar in elk geval zou ik aan de belijders van den Christus der Schriften de ernstige vraag willen voorleggen, of er niet eindelijk eens een einde moet komen aan zulk een stelselmatig voeden van „beloven en niet doen" onder de ambtsdragers, en dat wel door ze niet langer te binden aan Synodale reglementen, maar aan de Schrift en de eisehen der bevestigingsfortnulieren, door ze in de nakoming daarvan bij te staan en ze tegen de kerkbesturen te handhaven. Immers als de ouderlingen hooren, dat eenerzijds van hen geëischt wordt opvolging der ambtsplichten en van den anderen kant gehoorzaamheid aan Synodale bevelen, die lijnrecht strijden tegen deze plichten, dan moeten ze als eerlijke mannen een dezer twee vragen met NEEN beantwoorden. Of ze laten zich, wijl dit zoo vreemd zou klinken, verleiden om maar »ja" te zeggen, wijl dit nu eenmaal gewoonte is. Dat was de reden, waarom schrijver dezes 12 jaren geleden het toestemmend antwoord op de bekende vragen niet voor de bevestiging uitsprak, wijl hij de mogelijkheid voorzag, indien de gemeente hem op lateren leeftijd tot het ambt mocht roepen, dat dan de ambtsbelofte hem in strijd zou brengen met de verordeningen der Synode. En zoolang de predikanten voortgaan met deze tegenstrijdige beloften van de ouderlingen te verlangen, is het hunne schuld als de laatsten zich bezondigen tegen God den Heere, door eene belofte te doen van mogelijke ongehoorzaamheid aan zijn Woord. Daarom was het mij ook zoo ergerlijk, dat rechtzinnige predikanten alhier jaren lang van jonge menschen de belofte afnamen van opvolging »der synodale" verordeningen. 8) Eigenlijk heeft de Synode het ouderlingenambt half vernietigd door de genoemde bepaling, en het moet ons verwonderen, dat dit niet reeds tot allerlei strijd en tegenstand heeft geleid in den boezem der Ned. Herv. Kerk. Dat deze uitbleven is een droef bewijs, ik zeg niet van de slaafsche onderworpenheid aan de kerkbesturen, maar wel van de weinige genegenheid om »Gode meer te gehoorzamen dan den menschen" 9) en voor den naam van Christus smaadheid en schande te lijden. Daarom, nu weldra weder de tfld daar is, dat de »aanneming" zal plaats hebben, mogen die predikers, die den Christus der Schriften belijden, ernstig gebeden zijn, om eens voorgoed te breken met de ongerechtigheid om de gewetens van jonge menschen, zonder dat deze er zich bewust van zijn, te verstrikken, door ze én tot gehoorzaamheid én tot ongehoorzaamheid aan hun Heer en Koning te verplichten. Want al bedoelen deze frekikers dit niet., de kerkbesturen toonen, dat zj''het wél zoo bedoelen. Denkt slechts aan de spitsvondige en daardoor nog gevaarlijker wijze, waarop ook de synodale commissie den Amsterdamschen kerkeraad heeft zoeken te verlokken om de gevraagde attesten af te geven. Wilt ook niet luisteren naar het verleidende praatje, dat het genoeg is als deze jonge menschen den Christus niet verloochenen. Bedenkt, opzieners, dat de heilige Apostel Johannes zegt: »Alle geest, die niet belijdt, dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is, die is uit God niet, maar dit is de geest van den antichrist" 10). Dat de heilige apostel Paulus zegt: »Met den mond belijdt men ter zaligheid" 11). Dat onze Heer zelf verklaart, niet: »Een iegelijk, die Mij niet verloochenen zal, " maar: »Een iegelijk, die Mij belijden zal voor de menschen, die zal Ik ook belijden voor mijnen Vader, die in de heme­ v len is" 12). En mochten de ouderlingen on­ e der u het toonen, dat ze God en den Heere v Jezus Christus meer vreezen dan de synode of v Christus verwerpende predikers.

Want blijft ge als opzieners maar voortgaan in den weg der ongehoorzaamheid aan God, dan zult ge al meer de gemeente verwoesten. Zeker moet de gemeente zich bekeeren van hare ongerechtigheden, ook al blijven de opzieners in de hunne volharden. En droef wordt de toestand in Gods kerke, als opzieners en leden den regel in practijk gaan brengen: »Eerst moet gij uw zonden laten varen, en dan zal ik het de mijne doen." Maar niemand onder de opzieners in de Ned. Herv. Kerk zal toch zoo dwaas zijn van te meenen, dat hun ambtelijk gedrag geen invloed zou oefenen op het leven der gemeente, of dat zij er niet op zou letten of de ambtsdragers hunne beloften al of niet nakomen. Omdat de mensch tot het kwade geneigd is, zal het kwade voorbeeld der opzieners meer kwaad stichten, dan hun goede woorden goed doen. En als geloovige ambtsdragers in de Ned. Herv. Kerk maar voortgaan in het schenden dier beloften, is dan het gevaar zoo denkbeeldig, dat in het hart der gemeenteleden van lieverlede deze gedachten post vatten en rijpen: „ Och of wij onze beloften., bij onze bevestiging gedaan, al of niet nakomen., komt er zoo erg niet op aan. Van tweeën één toch: Of, breking van beloften in het heilige is ook in het oog van de voorgangers der gemeente een schrikkelijke zonde., maar dan moeten zij zichzelven wel als erge zondaars bekennen en beven voor den toorn Gods. Immers hun stelselmatig schenden van een deel der ambtsbeloften is voor ieder - "'"' En toch schifnt het wel alsof ze voor - j" — — — j - .'."'^^ dicfi toorn over hun ten deele ontrouw gedrag niet zoo heel erg bevreesd zijn. Of, wij moeten er juist uit besluiten, dat breking van zulke beloften in hun oog nog niet zoo heel erg is. Welnu, dan behoeven we ons over onze schending van wat wif beloofd hebben, toen wif Jeztis Christus in het midden der gemeente beleden hebben, zoo erg niet te verontrttsten, en de waarschuwingen en bestraffingen onzer voorgangers ons zoo erg niet aan ie trekken. Te minder, wijl zij dan toch ah OPZIENERS nog schuldiger zijn als wij, die slechts leden der gemeente zijn.

Gave de Heere, dat de belijders van den Christus, die nu nog onder de synodale hiërarchie verkeeren, hiervan zóo diep doordrongen w.erden, dat dit besef alle berekeiiing van menschelijke goed-of afkeuring en van de tijdelijke gevolgen deed zwijgen, om alleen te vragen naar den wil van Koning JezuSi om de voetstappen te drukken van zijn heilige apostelen, die «heengingen van het aangezicht des raads, verblijd zijnde, dat zij waardig geacht waren geweest om zijns Naams wil smaadheid te lijden'' 13). Daarom zij hun door schrijver dezes gebeden, dit schrijven welwillend en ernstig te willen overwegen, ook al is de inhoud niet aangenaam voor hen en mogelijk de toon niet altijd gelijk het behoorde. Hij kan toch niet aannemen, dat óp hen van toepassing is wat in Jes. 30 : 10 en ii staat en vertrouwt, dat zij het verwijt niet begeeren te verdienen M B A m W B S dat de Heere eens van de leidslieden van Israel door-Jeremia moest doen hooren 14), terwijl hij dit opstel besluit met aan de redactie zijn dank te betuigen voor de welwillende opname ervan en zich noemt, met achting,

Uw Dienstw. Dienaar, G. MILO.

1) Heraut van 20 Nov. 1887, bl. 2. 2) Heraut van 4 Dec. 1887, bl. 3. 3) Heidelb. Cat. Antw. 85. 4) Rap port ter zake der adressen, betreffende de leervrijheid in de Ned. Herv. Kerk, uitgebracht in de zitting der Algemeene Synode van 5 Augustus 1864, bl. 7, 21 en 22. 5) Matth. 23 : 8 en 10. 6) Richt. 17 : 6 en 21 : 25. 7) Meraut van 27 Nov. bl. 2. 8) Het is mogelijk, dat ze sedert korter of langer tijd dit nage laten hebben, hoewel ik er niets van weet. 9) Hand. S : 29. 10) I Joh. 4 : 3. 11) Rom. 10 : , io. 12) Matth. 10 : 32. 13) Hand. 5 : 41. Ik onderschrap. 14) Jer. 8 : u.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 oktober 1888

De Heraut | 4 Pagina's

Ingezonden Stukken.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 oktober 1888

De Heraut | 4 Pagina's