GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Quaestie van Oud-Beierland.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Quaestie van Oud-Beierland.

23 minuten leestijd

Amsterdam, 26 Febr. 1897.

Later dan we hoopten zijn we in het be2.it gekomen van het verhandelde in de zaak van Oud-Beierland, bij de Arrondissements-rechtbank te Dordrecht, op 13 Januari 1897.

Thans haasten we ons, het stuk in extenso mede te deelen.

Het luidt aldus: Voorzitter: Mr. W. Gorter.

Rechters: Mrs. D. van Tienen Jansse en K. M. Phaff.

Off. van Justiüe: Mr. L. U. N. F. M. Ridder van Rozenthal.

De Gereformeerde kerk te Oud-Beierland A, ten deze vertegenwoordigd door haren kerkeraad, thans bestaande uit F. D., consulent; J. v. d. B. en T. van 't G., ouderlingen; A. N. en G. v. D., diakenen, eischeres, procureur Mr. A. den Bandt, tegen I". C. W., vroeger predikant bij de Gereformeerde kerk te Oud-Beierland A; 2». D. B., boekverkooper; 3". W. v. d. W., arbeider; 4». E. de V., bezemmaker; 5". K. v. d. S., arbeider en 6". C. van 't H., arbeider, allen wonende te Oud-Beierland, gedaagden, procureur Mr. A. A. Moll.

' Eischeres heeft gesteld, dat de eerste vier gedaagden, vroeger met A. den Boer en J. Weeda uitmakende den kerkeraad van de Gereformeerde kerk te Oud-Beierland A, als zoodanig waren belast met het beheer der goederen en fondsen van eischeres, terwijl de gedaagde sub 1° als toen ten tijde predikant, het recht had de aan die kerk toebehoorende pastorie te bewonen. De eerste vier gedaagden echter scheidden zich van die kerk af en hielden dus op leden van den kerkeraad te zijn, terwijl Den Boer en Weeda als zoodanig hadden bedankt. Daarop werd de kerkeraad samengesteld als aan het hoofd der dagvaarding 'staat vermeld. Niettegenstaande dit alles bleven de eerste vier gedaagden, met de gedaagden sub 5" en 6" (die zich bij hen hebben aangesloten), voortgaan, als waren zij nog leden van dien kerkeraad, de goederen en fondsen der eischeres onder zich te houden en de gedaagde sub 1". om de pastorie te bewonen. Aan de op 25 September 1895 door eischeres hun gedane sommatie tot afgifte dier goederen, tot het doen van rekening enz. werd niet voldaan, zoodat eischeres hunne veroordeeling hiertoe vordert, met uitbetaling van het eventueel beschikbaar saldo dier rekening.

Gedaagden beantwoordden dien eisch met de erkenning, dat de gedaagden sub i" tot 4.° inderdaad met Den Boer en Weeda uitmaakten den kerkeraad van de Gereformeerde kerk A, ook, dat zij het beheer hadden over de goederen en fondsen van deze. Wat meer zegt, zij vertegenwoordigen die kerk geheel, zoowel op kerkelijk als op stoffelijk gebied. De aldus samengestelde kerkeraad nu besloot in zijne vergadering van 28 Januari 1895 smet meerderheid van stemmen", om het kerkverband met > de Gereformeerde kerken" te verbreken en »terug te keeren" tot de Christelijk Gereformeerde kerk in Nederland. Dit »wettig genomen besluit, dat in den geest was van nagenoeg de geheele gemeente", bond de gemeente dientengevolge, meenen gedaagden en dus keerde de Gereformeerde kerk A te Oud-Beierland met al hare goederen terug tot de Christelijk Gereformeerde kerk te Oud-Beierland, waarvan gedaagden den kerkeraad uitmaken. De nu als eischeres optredende zich noemende »Gereformeerde kerk A" te Oud-Beierland kan geen aanspraak maken op die goederen, die haar niet in eigendom toebehooren; evenmin is er sprake van geleden schade of af te leggen rekening en verantwoording. Eischeres repliceerde daarop als volgt:

»Dat van een besluit, waarop de gedaagden zich beroepen, niets ten processe blijkt en dit besluit, zelfs indien het op naar den vorm wettige wijze genomen was, hetgeen dezerzijds nadrukkelijk ontkend wordt dat geschied zou zijn, elke verbindende kracht voor de eischende kerk zou missen;

dat op de Synode der Christelijk Gereformeerde kerk, gehouden te Leeuwarden in Augustus i89t, besloten is om het Reglement, waarop de gemeenten dier kerk tot dien tijd, naar de wet op de kerkgenootschappen bij de Regeering bekend stonden, aldus te wijzigen, dat daarvan slechts overbleef de in art. 3 van dat reglement vermelde kerkenordening van Dordrecht, met uitzondering van die bepalingen, welke betrekking hebbin op de vroegere verhouding van Kerk en Staat en door de Synodale vergaderingen der Christelijk Gereformeerde kerk ter zijde zijn gesteld;

dat de kerkeraad der Christelijk Gereformeerde gemeente te Oud-Beierland, blijkens hare verklaring van 9 November 189T, geteekend door den eersten gedaagde als voorzitter, ingezonden aan de Regeering, namens die gemeente, verklaard heeft met de door de Synode besloten wijziging van het Reglement in te stemmen, zoodat de gemeente voortaan bij de Regeering alleen bekend zou staan op grond van genoemde Dordtsche kerkenordening, als bevattende de sBepalingen", waarnaar de Christelijk Gereformeerde gemeenten, zoowel leder voor zich als in gemeenschap met elkander, naar art. 36 der Dordtsche kerkenordening geregeerd worden, wordende van die verklaring hierbij overgelegd een afschrift, afgegeven door den Secr.-Generaal bij het Departement van Justutie;

dat, nadat de zaak in de kerkeraden, Classen en Provinciale Synoden was behandeld, daarna door de Generale Synode der Christ. Geref. kerk, op 16 Juni 1892 te Amsterdam vergaderd, besloten is, om voortaan met de Nederduitsch Gereformeerde kerken saam te leven in éénzelfde kerkverband onder den naam van »Gereformeerde kerken in Nederland"; dat die vereeniging daarop den volgenden dag, 17 Juni 1892, in de Generale Synode van de »Gereformeerde kerken in Nederland" heeft plaats gehad; worb m e dende bij die conclusie een afdruk van de handelingen dier Synode overgelegd;

dat van die samensmelting tot één kerkge-] nootschap behoorlijk is kennis gegeven aan de Regeering met inzending van de naamlijst der kerken, tot dit kerkgenootschap behoorende, waarop onder no. 578 de eischende kerk voorkomt ;

dat die kennisgeving door de Regeering is ontvangen blijkens het daarop ontvangen antwoord van den Minister van Justitie dd. 14 Juli 1892, waarvan afschrift hierbij wordt overgelegd ;

dat dientengevolge de eischende kerk, die zich ook nimmer tegen de vereeniging verzet had, op wettige wijze behoorde tot het kerkverband der Gereformeerde kerken in Nederland en als zoodanig bekend was als s Gereformeerde kerk te Oud-Beierland A", gelijk door de gedaagden zelve erkend wordt;

dat dit mede erkend werd. door den eersten en tweeden gedaagde in het door hen ingezonden adres aan de Koningin-Weduwe dd. z8 Januari 1895, blijkens het daarop door den Minister van Justitie gegeven antwoord van 14 Maart 1895, waarvan een afschrift, afgegeven door den Secretaris Generaal bij dat Departement, hierbij wordt overgelegd;

dat de kerkeraad van een der tot die organisatie behoorende kerken volstrekt geen bevoegdheid heeft om de kerk, waarin hij kerkeraad is, uit het kerkverband los te maken en met dat kerkverband te doen breken en die kerk tot een ander kerkverband te doen overgaan;

dat het toch vanzelf spreekt, dat een kerkeraad, die zijn bevoegdheid enkel en alleen ontleent aan de organisatie, waarvan hij deel uitmaakt, niet op voor de kerk verbindende wijze besluiten kan nemen, lijnrecht in strijd met die organisatie, daar hij alsdan gaat buiten de bevoegdheid krachtens de organisatie, aan hem toegekend;

dat van een besluit tot, »terugkeer"-tot de Christelijk Gereformeerde kerk in Nederland, waarvan gedaagden melding maken, in geen geval sprake kan zijn, daar de Christelijk Gere formeerde kerk in Nederland, waartoe de eischende kerk vroeger behoord had, gelijk boven werd aangetoond, had opgehouden te bestaan en was opgelost in het kerkgenootschap, bekend als »de Gereformeerde kerken in Nederland";

dat wel op 15 Januari 1893 te 's-Gravenhage opnieuw een Christelijk Gereformeerde kerk in Nederland werd in het leven geroepen, doch dat dit inderdaad een nieuw kerkgenootschap was, al wilden ook de oprichters het aanvankelijk doen voorkomen, alsof het door hen opgerichte kerkgenootschap niet was een nieuwe, maar de voortzetting der vroegere Christelijk Gereformeerde kerk;

dat zij echter in hun brief aan den Minister van Justitie dd. 10 Juli 1893 (zie nieuw Kerkelijk Handboek van Van Alphen j.g. 1894 bl. 442) verklaarden niets anders te willen zijn en blijven dan; de Christelijk Gereformeerde kerk in Nederland, izooals die /0/17 Juni 1892 bestond", alzoo erkennende, dat die kerk met 17 Juni 1892 had opgehouden te bestaan, waarmede vanzelf terugkeer tot die kerk uitgesloten was;

dat hetgeen door gedaagde in de 3e alinea hunner conclusie van antwoord wordt gezegd, n.l. dat door het genomen besluit de Gereformeerde kerk A te Oud-Beierland met al hare goederen zou zijn ^teruggekeerd tot de Christelijk Gereformeerde kerk te Oud-Beierland', AQor\gtrijmdheid zelve is; dat de gedaagden zeggen, dat van hun besluit aan de autoriteiten is kennis gegeven, doch deze blijkens het hiervoren vermelde antwoord van den Minister van Justitie van 14 Maart 1895 daarvan geen notitie hebben genomen;

dat _ diezelfde Minister daarentegen, blijkens zijn hierbij overgelegd schrijven van 9 Mei 1895 aan Deputaten van de Gereformeerde kerken in Nederland voor de correspondentie met de Hooge Regeering, nota heeft genomen, dat de Gereformeerde kerk A te Oud-Beierland is blijven voortbestaan;

dat het besluit, waarvan gedaagden melding maken op de boven aangevoerde gronden krachteloos zou zijn, ook al ware het met inachtneming van de voor een behoorlijk besluit van den kerkeraad geldende regelen genomen ;

dat dit in casu bij het zoogenaamd besluit van 28 Februari 1895 niet eens is geschied, omdat, zooals de eischeres nader uitvoerig ontwikkelt, de te dien aanzien voorgeschreven formaliteiten niet zijn in acht genomen;

dat de gedaagden nu wel zeggen, dat het zoogenaamd besluit geweest zou zijn in den geest van nagenoeg de geheele gemeente, doch dat de leden der kerk daarover niet geraadpleegd zijn, zoodat van de juistheid van der gedaagden bewering niets gebleken is;

dat het aan leden der eischende kerk natuurlijk volkomen vrijstaat individueel het kerkgenootschap, waartoe zij behooren, te verlaten en tot een ander over te gaan, maar dat zelfs niet door de meerderheid der leden van de kerk zou kunnen worden besloten om het kerkverband voor de eischende kerk te verbreken en tegen den zin der minderheid de plaatselijke kerk met al hare goederen tot een ander kerkgenootschap te doen overgaan;

dat waar gebleken is, dat de gedaagden zich geheel ten onrechte beroepen op meergemeld besluit, aangezien daaraan elke verbindende kracht moet worden ontzegd en daarmede hun eenig verweer wegvalt en zij de overige posita der dagvaarding en conclusie van eisch niet hebben weersproken, aan de toewijzing der vordering niets meer in den weg staat."

Bij dupliek beweerden gedaagden: »dat de kerkeraad van een tot de Gereformeerde kerken behoorende kerk wel degelijk de bevoegdheid heeft die kerk uit het .kerkverband los te maken en tot een ander te doen overgaan, orhdat juist de eigenaardige organisatie van dat kerkgenootschap meebrengt, dat iedere kerk een afzonderlijk geheel vormt, waarin de kerkeraad de hoogste macht uitmaakt;

dat het besluit der Synode van 16 Juni 1892 geen verbindende kracht had, omdat de gemeenten dat besluit niet hebben bevestigd;

dat verscheidene gemeenten, dadelijk na kennisneming van het besluit der Synode, zich dan ook tegen de vereeniging hebben verklaard en aan de regeering kennis gegeven, dat ze, evenals vroeger, bleven Christelijk Gereformeerd en het alzoo onjuist is, dat op 3 Januari 1893 een nieuwe Christelijk Gereformeerde kerk zou zijn opgericht;

dat van het besluit van den kerkeraad der Gereformeerde kerk te Oud-Beierland A, van 28 Januari 1895 een afschrift in het geding wordt gebracht en bij het nemen van dat beluit de formaliteiten behoorlijk in acht genomen zijn;

dat op slechts 17 hoofden van gezinnen na, de geheele gemeente zich met het kerkeraadsbesluit heeft vereenigd, nadat terecht mocht gesteld worden, dat nagenoeg de geheele gemeente met het besluit instemde;

dat in elk geval, volgens de stelling van de eischeres zelve, de Gereformeerde kerken in Nederland vormden een nieuw kerkgenootschap en dit nooit rechtspersoonlijkheid, volgens de wet van 1855, heeft verkregen, zoodat noch dit kerkgenootschap, noch zijne onderdeelen tot het plegen van burgerlijke rechtshandelingen zijn of ooit zijn bevoegd geweest en de eischeres dus niet in rechten kan optreden, veel minder goederen, die haar niet toebehooren, kanrevindiceeren en rekening en verantwoording kan vragen.

" Bij nadere conclusie is door de eischeres gezegd: »dat tegenover hare ontkentenis, dat aan den kerkeraad het exorbitant recht zou toekomen de kerk uit het eenmaal gesloten kerkverband los te maken, het bewijs van dat recht op de gedaagden zou rusten, maar zij zich wijselijk onthouden om nader te preciseeren, waar dan wél dat recht aan den kerkeraad zou zijn toegekend ;

dat de stelling der gedaagden in lijnrechten strijd is zoowel met den geest als met de duidelijke woorden van de Dordtsche kerkenorde;

dat dit, om thans niet van andere artikelen te spreken, ontwijfelbaar volgt uit het laatste art. (LXXXVI) dier kerkenorde, luidende:

Deze artikelen, de wettelijke ordening der ïkerken aangaande, zijn alzoo gesteld en aanjgenomen met gemeen accoord, dat zij (zoo het iprofijt der kerken anders vereischte) veranderd, > vermeerderd of verminderd mogen en behoo-> ren te worden. Het zal nochtans geene bijzon-»dere gemeente, Classe of Synode vrijstaan zulks > te dg^n, maar zullen naarstigheid doen om die ite onderhouden, totdat anders van de Generale-»of Nationale Synode verordend worde";

dat reeds die bepaling voldoende is om het systeem, waarmede de verdediging der gedaagden staat of valt, te veroordeelen;

dat de gedaagden ten onrechte beweren, dat het besluit der Synode van de Christelijk Gereformeerde kerk van 16 Juni 1892 verbindende kracht zou missen, omdat de gemeenten dit besluit niet hadden bevestigd;

dat die Synode, juist omdat zij de Generale Synode der Christelijk Gereformeerde kerk was, de bevoegdheid had, om tot naamsverandering en opneming van andere kerken te besluiten;

dat voor de wettigheid van zoodanig door de Generale Synode genomen besluit nergens bevestiging door de individueele lidmaten der kerken is voorgeschreven en in elk geval vaststaat, dat de eischende kerk dat besluit heeit erkend en nageleefd;

dat in deze procedure buiten beschouwing moet blijven, wat in andere gemeenten heeit plaatsgevonden;

dit de bewering der gedaagden, dat op 3 Januari 1893 niet een nieuwe Christelijk Gereformeerde kerk zou zijn opgericht, wordt weerlegd door den eigen brief der oprichters aan den Minister van Justitie van 10 Juli 1893, bij conclusie van repliek vermeld;

dat het door de gedaagden in het geding gebrachte afschrift van het «besluit' van 28 Januari 1895 niets ten voordeele van de gedaagden bewijst, aangezien vooreerst niet blijkt de conformiteit van dat afschrift met de notulen en vervolgens door dat stuk de bezwaren, door de eischeres bij conclusie van repliek aangevoerd, niet alleen niet worden weerlegd, maar veeleer bevestigd;

dat het der eischeres voorkomt, dat, waar het besluit, zelfs indien het op formeel wettige wijze ware genomen, alle verbindende kracht zou missen, de vraag naar de formeele wettigheid zonder belang is;

dat de eischeres echter, voor het geval de rechtbank daaromtrent van een ander gevoelen mocht zijn, aanbiedt de volgende feiten door getuigen te bewijzen:

i". dat op 28 Januari 1895 de gewone wekelij ksche vergadering werd gehouden van den kerkeraad der Gereformeerde kerk te Oud-Beierland ;

'20. dat de eerste gedaagde, die in die vergadering als praeses fungeerde, geen notulen liet lezen en ook geen punten van behandeling opgaf;

30, dat, nadat de gewone bezigheid, beslaande in het tellen der collectegelden, was afgeloopen, de diaken Weeda aan den praeses gevraagd heeft of er nog iets te behandelen was, daar hij anders wenschte te vertrekken;

4"; dat de praeses daarop heeft geantwoord, dat er niets meer te behandelen was, zoodat de diaken Weeda vertrekken kon, hetgeen deze gedaan heeft";

Ten slotte, wat het nieuwe verweer van gedaagden betreft: hierop antwoordde eischeres > dat daargelaten, dat de kerkgenootschappen en de plaatselijke kerken niet geregeerd worden door de wet van 22 April 1855 {Stbl, no. 32) en het kerkgenootschap door een nieuwen naam aan te nemen en andere kerken in zijn verband op te nemen, daadwerkelijk geen nieuw rechtssubject werd, in elk geval hier niet in rechte optreedt het kerkgenootschap ide Gereformeerde kerken in Nederland", maar de plaatselijke kerk te Oud-Beierland, die lang vóór de wet van 1855 bestond."

Op r9 November j.l. werden deze sustenuen mondeling toegelicht, voor de eischeres door den Rotterdamschen advocaat, Mr. J. Knottenbelt, voor de gedaagden door hunnen procureur. Mr. A. A. MoU te Dordrecht. Eerstgenoemde herinnerde er aan, hoe bij de beweging van 1834 in de Nederduitsch-Hervormde kerk er een afscheiding op groote schaal heeft plaats gehad van hen, die tegen de in die kerk bestaande leervrijheid bezwaar hadden. Tal van gemeenten werden toen opgericht, die eerst ofiScieus, later officieel als de «afgescheiden gemeenten" zijn bekend geworden. Vóór 1869 voerde elk harer een afzonderlijk bestaan; in dat jaar echter ver-, eenigden zich 328 dezer plaatselijke gemeenten tot één kerkgenootschap: > de Christelijk Gereformeerde kerk in Nederland". Het eerbiedigde de wet vani8s3 op de kerkgenootschappen, door zijn reglement aan den Koning toe te zenden. Vast staat dus, dat men te doen heeft met een kerkgenootschap met behoorlijke statuten, welker art. 3 speciaal werd beheerscht door de oude kerkenordening van 1618/1619. Eene in deze kerk opnieuw ontstane beweging baande in iSgr den weg tot eene vereeniging met de Nederduitsch-Gereformeerde kerken, hetgeen op de in Augustus 1891 te Leeuwarden gehouden Synode een vasten vorm kreeg, doch niet dan nadat alle gemeenten daarover waren gehoord en schriftelijk hare instemming hadden betuigd. Waddingsveen weigerde; de Christelijk Gereformeerde kerk te Oud-Beierland daarentegen betuigde hare instemming. Op 16 Juni 1892 kwam te Amsterdam de samenvoeging van ieder der twee plaatselijke kerkgenootschappen tot één kerkgenootschap stand, nadat Dr. A. Kuyper had ervaren, dat het door hem lang verdedigd systeem, als zou de door hem gestichte kerk eigenlijk zijn de oude Gereformeerde, in de Nederduitsch-Hervormde kerk ontaarde, ïcerk der voormalige republiek, door geen rechtbank werd aangenomen. De oudere (afgescheiden) kerken werden nu met A, de jongere (doleerende) kerken met B aangeduid.

Van die ineensmelting is kennis gegeven aan de Koningin. Dé Öud-Bèierlandsché Gereformeerde

kerk A was en is dus wel degelijk lid van het nieuwe kerkgenootschap, in 1892 tot stand gekomen: jde Gereformeerde keiken in Nederland". De gedaagden sub. i—4 nu, door hun besluit van 28 Januari 1895 zich afscheidende van rf//kerkgenootschap, scheidden zich: i". af van hunne gemeente, en 2". verloren zij daardoor hunne kwaliteit van kerkeraadsleden. Zij plaatsten zich buiten het verband des genootschaps, hetgeen hun volkomen vrij stond, doch niei stond 't hun vrij te blijven beschikken over de pastorie en de kerkelijke goederen.

PI. betwist verder èn de formeele wettigheid van dit besluit èn het daaraan toegekende gevolg, dat nl, daardoor de Gereformeerde kerk A met hare goederen is geplaatst buiten het kerkgenootschap »de Gereformeerde kerken in Nederland". Een bestuur, zooals een kerkeraad is, mist immers elke bevoegdheid, die hem niet bij reglement is toegekend. Redeneerende, zooals de gedaagden doen, zou een gemeenteraad wettig kunnen besluiten, de gemeente te plaatsen buiten het Nederlandsch Staatsverband. Waarlijk, zegt pi., op kerkelijk gebied kan men veel beweren en toch nog voor een verstandig man doorgaan!

«Nagenoeg" alle leden vereenigden zich met het besluit, zeggen gedaagden. Maar het is onbetwistbaar, dat, zoolang er nog maar ééa lid is, die zich er niet mede vereenigt, de plaatselijke kerk blijft bestaan. Ook wilde men door dat besluit terugkeeren tot sde Christelijk Gereformeerde kerk in Nederland'' doch ... dit was onmogelijk, omdat dat kerkgenootschap in 1892 te Amsterdam is opgeheven. Men is dan ook niet steruggekeerd" tot die kerk, maar men heeft getracht zich aan te sluiten bij een nieuw kerkgenootschap, opgericht den 3en Januari 1893 '^ 's Gravenhage.

iFormeel" was het besluit evenmin, 't Was op de wekelijksche bijeenkomst, waarin het is genomen, welke als gewoonlijk slechts diende om de opbrengst der collecten te tellen. Notulen werden niet gelezen; er was geen agenda; en toen de diaken Weeda vroeg, of er nog iets te verhandelen was, daar hij anders wenschte te vertrekken, antwoordde de praeses, dominé W., dat er niets te verhandelen was en W. gerust kon weggaan. Dit gebeurde, en toen was het, dat de praeses aan de overigen voorstelde: »we moesten maar weer Christelijk Gereformeerd worden". Den Boer was daar tegen, doch van hem nam men geen notitie. Zoo huiselijk werd dit gewichtig besluit genomen, met 4 stemmen van de 6.

Na uiteengezet te hebban, dat de wet van 1855 niets te maken heeft met de kerkgenootschappen en deze worden beheerscht door de wet van 1853, hetgeen door den vader dier wetten, den minister Donker Curtius, tot tweemaal toe is geconstateerd, persisteerde pi. bij de door eischeres genomen conclusiën.

Mr. A. A. Moll stelde, na eene uitvoerige historisch-kerkelijke inleiding, op den voorgrond, hoe de afgescheidenen, evenals de doleerenden, beweerden de rechte voortzetting te zijn van de oud-vaderlandsche Gereformeerde kerk. En nu hebben de afgescheidenen, na veel tegenkanting en overreding de courmakerij van Dr. Kuyper zich ten slotte laten welgevallen, doch in de overtuiging, dat de plaatselijke kerken autonoom waren en bleven. Het samengaan van 1892 is altijd een mariage de raison geweest. De combinatie lokte hevige protesten uit, want de gemeenteleden zijn er niet over gehoord. Vele kerken hebben zich dan ook weer uit het nieuwe verband teruggetrokken.

Zoo is 't ook gegaan te Oud-B^ierland. Ten betooge dat ook de doleerenden steeds er van overtuigd waren, dat krachtens de Dordtsche kerkenordening de kerken zelve volkomen autonomie hadden, beroept zich pi. op verschuilende uitspraken o. a. van Prof. Rutgers en van Ds. Sikkel in de Zuid-Hollandsche Kerkbode.'Bo^: (indien zwijgt de^e kerkeaorciening van het beheer van kerkelijke goederen. De Oud-Beierlandsche kerkeraad was dus volkomen bevoegd het besluit, dat de instemming had van het overgroote deel der gemeenteleden, te nemen.

Dat "de »Gereformeerde kerken in Nederland" rechtspersoonlijkheid mist, bewijzen de verklaringen in 1891 door den toenmaligen minister Mr. Smidt en door het Kamerlid Mr. Van der Kaay (thans minister) in de Tweede Kamer afgelegd, dat op een kerkgenootschap als zoodanig de wet van 1853 van toepassing is, doch de wet van 1855 op de kerkgenootschappen als vereeniging van personen. De vordering zal dus moeten worden afgewezen, meent pi.: i" omdat eischeres geen persoonlijkheid heeft, en 2° omdat de kerkeraad bevoegd was met predikant en goederen tot eene andere kerk over te gaan.

Op 9 December d. a. v. concludeerde het Openbaar Ministerie bij monde van Mr. Bosch ridder van Rosenthal, bij uitvoering toegelichte conclusie, tot toewijzing van den eisch.

De beslissing luidt als volgt:

In rechte: O. ten aanzien van de door gedaagden opgeworpen exceptie, dat de eischeres niet in rechten zou kunnen optreden, omdat het kerkgenootschap »de Gereformeerde kerken in Nederland" niet ingevolge de wet van 1855 tot regeling enz. van het recht van vereeniging en vergadering, als rechtspersoon is erkend; dat, aangezien niet de Gereformeerde kerken in Nederland, maar de Gereformeerde kerk te Oud-Beierland A als eischeres optreedt, het de vraag is, of deze niet moet worden beschouwd als een voortzetting van de plaatselijke kerk aldaar, die langen tijd vóór de wet van 1855 bestond, zoodat de eischende kerk, wil men haar als eene vereeniging in den zin der wet aanmerken, niet door die wet zou worden geregeld;

dat echter — afgezien daarvan — meergenoemde wet, blijkens den Considerans van art, 10 (thans art. 9) der Grondwet — ook naar het gevoelen van den minister, die beide wetten verdedigde — niet van toepassing is op de kerkgenootschappen, die juist bij de wet van 1853, (Stbl. no. 102), tot stand gekomen om uitvoering te geven aan onderscheiden voorschriften van het Hoofdstuk der Grondwet svan den Godsdienst", geregeld waren;

O. dat, zooals door de eischeres in hare conclusie van repliek is ontvouwd en niet door de gedaagden is betwist, het kerkgenootschap »de Gereformeerde kerken in Nederland" is ontstaan uit de vereeniging van de sNederduitsch Gereformeerde kerken" met »de Christelijk Gereformeerde kerk", welke vereeniging is tot stand gekomen bij besluit van de Generale Synode dier vereenigde kerken van 17 Juni 1892, terwijl daags te voren de Generale Synode der Christelijk Gereformeerde kerk, die reeds vroeger de kerkenordening van Dordrecht, met uitzondering van eenige bepalingen, betrekking hebbende op de verhouding van Kerk en Staat, als haar reglement had aangenomen, tot die vereeniging had besloten, nadat deze zaak in de Kerkeraden, Classen en Provinciale Synoden behoorlijk behandeld was — zijnde vanwege de Generale Synode van die samensmelting tot één kerkgenootschap aan de regeering kennis gegeven en vanwege de Gereformeerde kerk te Öud-Beierland A aan de Koningin-Weduwe Regentes bericht gezonden, voortaan té behooren , : ot het kerkverband van »de Gereformeerde kerken in Nederland";

O. dat verder tusschen partijen in confesso is, dat de vier eerste gedaagden met nog twee andere personen uitmaakten den kerkeraad van de uit de vroegere Christelijk Gereformeerde kerk ontstane Gereformeerde kerk te Oud-Beierland A en als zoodanig het beheer hadden van de goederen en fondsen dier kerk;

dat de vier eerste gedaagden zich later hebben afgescheiden van sde Gereformeerde kerken in Nederland" en met de 5de en 6de gedaagden, die in de plaats van de beide anderen werden gekozen, als kerkeraad van een nieuw, althans een ander kerkgenootschap, onder zich hebben gehouden de genoemde goederen en fondsen, die thans door de eischeres worden opgevorderd;

O. dat partijen nu twisten over de vraag, of de kerkeraad der Gereformeerde kerk te Oud-Beierland A, die was aangesloten aan en dus deel uitmaakte van het kerkgenootschap »de Gereformeerde kerken in Nederland, " het recht had, die kerk uit dat verband los te maken en bij een ander kerkgenootschap aan te sluiten, met het gevolg, dat de kerkelijke goederen en fondsen mede naar dat andere kerkgenootschap overgingen;

O. dat deze vraagzin ontkennenden zin moet worden beantwoord;

O. dat immers op grond van bovenstaande feiten moet aangenomen worden, dat de vroegere Christelijk Gereformeerde kerk te Oud-Beierland, waarvan die vier eerste gedaagden kerkeraadsleden waren, na de vereeniging in 1892 met inachtneming van alle formaliteiten, in kerkrechterlijken zin en niet alleen door de enkele verklaring van den kerkeraad tot het kerkverband van sde Gereformeerde kerken in Nederland" is toegetreden onder den naam van «de Gerc' formeerde kerk te Oud-Beierland A", zoodat deze kerk op wettige wijze eigenares werd der kerkelijke goederen en fondsen;

O. dat nu door het enkele besluit van den kerkeraad, de kerk niet uit dat verband kan losgemaakt .worden, welke macht aan dat college bij geen reglement, speciaal niet bij de Dordtsche kerkenorde — waaruit juist het tegendeel is af te leiden — is toegekend;

O. dat alzoo, ondanks het besluit van den kerkeraad, de Gereformeerde kerk te Oud-Beierland A is blijven bestaan, (met dewelke trouwens de gedaagden, zonder op de qualificatie aanmerking te maken, in debat zijn getreden) en eigenares is gebleven van de kerkelijke goederen en fondsen, die dus terecht door die kerk, vertegenwoordigd door haren opnieuw geconstitueerden kerkeraad, worden opgevorderd, en de gedaagden verplicht zijn dezelve af te geven met vergoeding van kosten, schaden en interessen door de onrechtmatige terughouding na het exploit van-25 September van 1895 — waarbij de gedaagden in gebreke werden gesteld — bij de eischeres geleden en nog te lijden en met de verplichting rekening en verantwoording te doen van het gevoerd beheer;

O. dat er geen termen zijn de voorloopige uitvoering van liet vonnis te bevelen; Gezien art. 56 W. v. B. Rv.; Verklaart de eischeresse ontvankelijk; Wijst aan de eischeres hare vordering toe; Veroordeelt mitsdien de gedaagden ieder hoofdelijk voor het geheel en bij lijfsdwang voor wat betreft de veroordceling sub 2". en 3".

1°. om met overgave der sleutels aan de eischeres af en over te geven en te harer vrije beschikking te stellen de haar in eigendom toebehoorende goederen, zijnde kerk en pastorie met tuinen en erven .... en alle voorwerpen tot den openbaren eeredienst bestemd, alsmede het geheele archief, in één woord alles, wat de gedaagden van de eischeres onder zich hebben;

2". aan de eischeres te vergoeden alle kosten, schaden en interessen door haar geleden en nog te lijden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

3". aan de eischeres, binnen 3 maanden na de beleekening van dit vonnis, rekening en verantwoording te doen van het sedert de laatst goedgekeurde rekening voor de eischeres gevoerd beheer, zulks ten overstaan van het lid der Rechtbank Mr. D. van Tienen Jansse, die daarloe als Rechter-Commissaris wordt gecommitteerd en met bepaling, dat, indien de gedaagden in gebreke mochten blijven op den door den Rechter-Commissaris te bepalen dag te verschijnen of rekening te doen, zij daartoe zullen worden genoodzaakt door de inbeslagneming hunner roerende goederen tot een gezamenlijk bedrag van/ 10.000 bij ieder hunner;

4". aan de eischeres, na vaststelling dier rekening, tegen behoorlijk bewijs van kwijting uitte keeren het eventueel saldo dier rekening en af te geven alle titels en geldswaardige papierenbij die rekening vermeld;

Verwijst de gedaagden in de proceskosten, tot hiertoe voor zoover aan de zijde der eischeres gevallen begroot op ƒ ar6.80;

Ontzegt aan de eischeres hetgeen meer is gevorderd.

Voor ditmaal laten we het hierbij. Onze opmerkingen besparen we tot een volgend maal.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 februari 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Quaestie van Oud-Beierland.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 februari 1897

De Heraut | 4 Pagina's