GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

De plaats van den mensch in het heelal.

Bekijk het origineel

Bladeren
+ Meer informatie

De plaats van den mensch in het heelal.

12 minuten leestijd

III.

Onze tweede opmerking knoopt zich van zelf aan de eerste vast.

Toegegeven dat onze aarde astronomisch niet de spil vormt, waarom het heelal wentelt; dat de door ons bewoonde wereld in omvang en zwaarte door de meeste sterren verre overtroffen wordt; volgt dan daaruit, dat zij ook geestelijk niet het middelpunt kan wezen van het heelal; dat haar ideiele waarde bepaald wordt door deze stoffelijke verhouding t

Gods Woord leert ons aangaande de beweging der hemellichamen en hun onderlinge zwaarteverhouding niets. Of de zon dan wel de aarde grooter is, kan met geen Bijbeltekst worden uitgemaakt. Of de aarde om de zon draait, dan wel de zon om de aarde, wordt door de Schrift niet beslist. Het onderzoek daarnaar heeft God aan den menschelijken geest overgelaten, en wat de geleerden als vrucht van nauwkeurig onderzoek en reusachtigen denkarbeid desaangaande ons mededeelen, kan dankbaar worden aanvaard. Schier nergens schittert de rijke gave, die God ons schonk in het denkend verstand, meer, dan waar de mensch doordringt tot in de diepten van het heelal, zonnen weegt en nevelvlekken ontleedt, den afstand der sterren bepaalt en den weg der kometen berekent. Hier viert de menschelijke wetenschap haar hoogsten triomf en blijkt de naar Gods beeld geschapen mensch koning te zijn, die heerscht over heel het rijk der natuur.

Geheel anders daarentegen staat het met de geestelijke verhouding en geestelijke waarde der dingen. Hier baat geen telescoop; biedt geen spectraalanalyse uitkomst; komt ge met uw algebraïsche formules en logarithmentafels geen stap verder. Het stoffelijke kan gezien, getast en gewogen, maar het geestelijke niet. En de Openbaring is ons juist daarom geschonken, opdat, waar de mensch, aan zich zelf overgelaten, in het donker zou ronddwalen, Gods Woord hem tot een lamp voor zijn voet en tot een licht op zijn pad zou zijn. Alleen God, die alle ding schiep naar zijn welbehagen, kan ons den oorsprong van die sterrenwereld verklaren, het einddoel doen zien, waartoe Hij dit heelal in het aanzijn riep, en de geestelijke verhouding der dingen bepalen. Ook hier geldt het diep ootmoedig woord van den Psalmdichter: In uw licht alleen zien wij het licht. En waar dat licht ontbreekt, moet het slotwoord aller menschelijke wetenschap een Ignoramus zijn: Wij weten het niet.

De grondfout der moderne wetenschap nu ligt hierin, dat zij op grond van haar stoffelijke gegevens, concludeeren wil tot de geestelijke waardij der dingen, en daarmede niet alleen in strijd komt met de Schrift, maar met heel de ordinantie Gods, die de natuur zelve ons leert kennen. En het is daarop, dat wij in de tweede plaats wilden wijzen.

Indien er toch ééne wet is, die heel de schepping om ons heen predikt, dan is het deze, dat uiterlijke massaliteit en grootte van omvang in omgekeerde verhouding staat tot de innerlijke waardij. Niet het huizenhooge en centenaars-zware rotsblok, dat van den rotswand losbrak en neerviel in het dal, maar de fijn geslepen diamant, die de lichtstraal opvangt en in duizendvoudige schittering weerkaatst, draagt op de markt der gesteenten den hoogsten prijs weg. Een ton ruw ijzererts uit de mijnschacht gegraven, weegt in waarde niet op tegen enkele grammen van het glanzend goudmetaal, dat als korrelen uit het rivierzand gewasschen wordt. De grove olifant, die met een druk van zijn voet een mensch verbrijzelt en met zijn slurf boomen ontwortelt, staat in verstandelijke ontwikkeling achter bij de kleine mier en de nijvere bij, die in hun koloniën reeds geheel het beeld van een welgeordende maatschappij opleveren. Uw groote Newfoundlander of St. Bernard mag door sterkte van lichaamskracht uw bewondering opwekken, maar in vlugheid van verstand en vaardigheid om kunsten aan te leeren, wordt hij verre overtroffen door het kleinste schoothondje. Indien in de vogelenwereld éen het type van domheid vertoont, dan is het juist de reus­ chtige struisvogel, wiens gebrek aan slimeid zelfs spreekwoordelijk geworden is.

En hetzelfde geldt evenzeer van de aenschenwereld. Reeds in uw eigen lichaam indt ge die wet terug. Uw hersenen wegen een honderdste deel van het gewicht van w spieren en beenderen, en toch gaat van ie hersenen de kracht uit, die heel uvir ichaam beheerscht. De athleet met armen, waarop de biceps vingerdik zwelt, en beenen', ie als vastgeworteld op den grond staan, mag het wereldrecord in het worstelperk slaan, maar een genie op het gebied der wetenschap wordt hij nooit. In den oorlog met Frankrijk waren het niet de escadrons van Pruisen's reuzen-grenadiers die de overwinning bevochten, maar de tengere gestalte van een Von Moltke. Ook de jongste veldslagen in Zuid-Afrika en in Mantsjoerije bewijzen de juistheid van het Fransche gezeg'de: ce ne sont pas les hommes, c'est l'homme; niet de massaliteit der troepen geeft in den krijg den doorslag; éen veldheer is meer dan heel een leger waard.

Natuurlijk gaat ook deze regel niet altijd door. Niet altoos is grootte van lichaam bewijs van kleinheid van geest. Een Bismarck was een reus, èn lichamelijk èn geestelijk. Maar dit zijn uitzonderingen. Bijna bij alle reuzen blijkt het verstandelijk vermogen slecht ontwikkeld te zijn. Terwijl, om uit onze vaderlandsche historie slechts twee voorbeelden te kiezen, èn Prins Willem III èn Groen van Prinsterer in een zwak en tenger lichaam een geest herbergden, die wonderen heeft verricht.

De vraag, waar geestelijk het middelpunt ligt, kan dus nooit door de uitwendige materieele verhouding worden beslist. Op stoffelijk gebied mag zwaarte en omvang den doorslag geven, op geestelijk gebied niet. In de fabriek zijn het niet de reuzenhamers, die het ijzer pletten, niet de forsch gebouwde arbeiders, die met stalen spieren de bouten saamklinken, maar is het de directeur, die, op zijn kantoor verscholen, het middelpunt vormt, waarvan alle actie en alle beleid uitgaat. Neem dien directeur weg en de arbeid staat stil, de hamers houden op, de arbeiders gaan elk huns weegs en de fabriek is dood.

Breng deze wet nu over op de sterrenwereld en heel het bezwaar, dat de moderne wetenschap tegen de voorstelling der Schrift inbrengt, smelt weg a!s sneeuw voor de zon. Wat doet het er toe voor de geestelijke verhouding, of de zon in omvang twaalf duizend maal de aarde overtreft en driehonderd vier en twintig duizend maal zwaarder is dan zij.' Indien er iets vaststaat dan is het dit, dat de zon zich bevindt in zulk een gloeiend heeten toestand, dat de felste hitte, op aarde ontwikkeld, hierbij vergeleken niets is. Wanneer door verduistering der zon zelve, omdat de maan tusschen de zon en de aarde zich inschuift, haar omtrek nauwkeuriger kan waargenomen worden, blijken uit de zon vlammen op te slaan, die in hoogte meer dan achttien maal de lengteas der aarde overtreffen. De zon is dus omringd door een oceaan van vlammen, een zee van vuur, waarvan de wildste fantasie zich geen droombeeld vormen kan. Onze aarde, in die vlammen gedompeld, zou in minder dan een seconde in damp en gas zijn opgegaan. Dat op de zon eenig organisch leven zou kunnen gevonden worden; dat eenig levend wezen, hoe dan ook gevormd, het één oogenblik in dezen gloed zou kunnen uithouden; is dan ook, naar ieder toegeeft, een ondenkbaarheid. De zon heeft voor ons zonnestelsel geen ander doel, dan dat zij, als men zoo wil, de reusachtige vuurhaard is, van waar licht en warmte aan de om haar wentelende planeten worden toegezonden. Laten we dus een oogenblik de vraag rusten, waartoe de andere zonnen dienen, die in het heelal zich bevinden, en beperken we ons tot ons zonnestelsel alleen, dan kan de vraag niet moeilijk te beantwoorden zijn, wie hier geestelijk de meerdere is. Niet op de zon, maar alleen op deze aarde wordt dat hoogere rijke leven gevonden, dat in plant en dier zich openbaarten in den mensch zijn hoogste voltooiing bezit. Op de zon heerscht alleen het wilde spel der brandende elementen, hier op aarde schittert de pracht van veld en woud, van berg en stroom, van plant en dier, van den mensch, die denkt en wil. Of de aarde zich al wentelt om de zon, en haar mindere is in grootte, doet niets tot de geestelijke verhouding af. Niet de aarde is om de zon, maar de zon is om de aarde. De zon dient om op deze aarde door licht en v/armte het leven mogelijk te maken. En even hoog als het geestelijke staat boven de brute materie, de denkende ziel boven de wilde natuurkracht, staat deze aarde met haar rijke menschenwereld boven de zon, die niet dan een gloeiende massa van gesmolten metalen is en waar alle leven ontbreekt.

Toch is hiermede het probleem zelf nog niet opgelost, waarvoor de moderne wetenschap ons plaatst. Toegegeven toch, zoo zal de ongeloovige u antwoorden, dat in ons zonnestelsel niet de zon, maar de aarde de meerdere is; dat de zon dient om op deze aarde het leven mogelijk te maken; dan zijt ge hiermede nog geen stap verder. Voor ons zonnestelsel hebt ge dan aangetoond, dat het geestelijk middelpunt op deze aarde ligt, maar wat baat u dit, waar onze zon slechts één is van de myriaden zonnesterren .^ Van onze zon kunt ge aantoonen, dat ze haar doel vindt in deze aarde en het haar bewonend menschelijk geslacht, maar van die andere zonnen niet. De meeste dier sterren zijn voor het bloote oog niet eens waarneembaar; ze staan met deze aarde in geen het minste verband; haar licht dringt nauwelijks tot de aarde door; de gedachte zelf, alsof deze sterren alleen om den mensch zouden geschapen zijn, is een dwaasheid.

Met deze bedenking nu staat onze derde opmerking in verband.

Ongetwijfeld leert ons de Heilige Schrift, dat niet alleen de zon en de maan, maar

ook de sterren door God geschapen zijn om den mensch, en wel om hem licht te geven in den nacht en hem tot gezette tijden en teekenen te zijn. Te zeggen, dat deze sterren voor den]|mensch geen doel hebben, is derhalve onjuist. Tusschen die sterrenwereld en onze aarde bestaat een zeer nauw en innig verband. In vroeger tijden mag dit verband overdreven zijn, toen men meende dat door den loop der sterren het lot van elk menschenleven werd bepaald, en de astrologen uit den stand der sterren bij het geboorteuur iemands horoscoop aflazen. Ook het dwaze bijgeloof, alsof een zonsverduistering of het verschijnen van een komeet voorteeken was van een nationale ramp, een oorlog of pestilentie, moge thans gelukkig overwonnen zijn. Maar in dit alles sprak zich dan toch onbewust de gedachte uit, dat de aarde niet geïsoleerd staat in het heelal; dat er een band is tusschen ons en die sterrenwereld.

Het doel van deze sterrenwereld is dan ook niet alleen om des nachts het licht van de zon te vervangen of door wondere schoonheid van glans een aesthetisch genot ons te bieden. Zeker ligt ook daarin een doel, dat niet miskend mag worden. Zooals de bloem haar rijke kleurenpracht ontvouwt en haar zoete geuren verspreidt, opdat de mensch in die weelde van schoonheid zich vermaken zou en God er voor zou prijzen, zoo heeft ook die sterrenwereld een aesthetisch doel van God ontvangen. Wanneer bij helderen nacht tegen den donker blauwen achtergrond de fonkelende sterren zich afteekenen, elk schitterend in eigen schoonheidsglans, dan is er geen heerlijker schouwspel denkbaar. Het oog kan zich aan die sterrepracht nauwelijks verzadigen. A'le dichters hebben gewedijverd om dat verheven schoon in hun zangen te bezingen. En wanneer die bewondering tot aanbidding leidt van Hem, die de sterren roept bij name en haar getal telt, dan wordt ook daarin het doel van God met de schepping dier sterren bereikt. Waar de Schrift de majesteit en de heerlijkheid Gods teekenen wil, daar is het telkens door die wondere pracht van de sterrenwereld u voor oogen te stellen. God, zegt Job (9:9) is het die de sterren verzegelt, die den Wagen maakt, den Orion en het Zeven-gesternte, en de binnenkameren van het zuiden, die groote dingen doet, die men niet doorzoeken kan, en wonderen, die niemand kan tellen. En God zelf, als hij Job in een onweder antwoordt, wijst Job op de ordinantiën, die Hij voor de sterren gaf (39:31—'i)'i)'-kunt gij de lieflijkheden van het Zevengesternte binden, of de strengen des Orions losmaken .? Kunt gij de Mazzeroth voortbrengen op haren tijd en den Wagen met zijn kinderen leiden 't Weet gij de verordeningen des hemels of kunt gij deszelfs heerschappij op de aarde bestellen.' In heel het boek der Schepping is er geen bladzijde, waarop Gods naam schitterender geschreven staat dan op die van den sterrenhemel daarboven.

Maar naast dat aesthetische doel hebben de sterren toch een meer rechtstreeksch en practisch doel voor deze aarde ontvangen. Bij de schepping dezer sterren heeft God zelf gezegd, dat ze dienen zouden „tot teekenen en tot gezette tijden" Gen. i:14. In de wisseling van dag en nacht, in de opeenvolging van zomer en herfst, winter en lente, mag een zekere tijdsindeeling ons geboden zijn, maar vooral in vroeger tijd, toen men geen kalender had en geen zakuurwerken bezat, was het de stand der sterren, waardoor de tijdsindeeling werd beheerscht. De sterren, die voor ons oog in vaste beelden gegroepeerd zijn, bewegen zich schijnbaar van hun plaatSj in den hemel. Op die schijnbare beweging berust heel onze tijdsindeeling, en de sterrekijkers in Babyion, die op hun hooge tempels eiken nacht de sterren gadesloegen, zijn dan ook den eersten geweest, die onze chronologie hebben vastgesteld. Zonder die sterrenwereld zou geen chronologie mogelijk zijn.

En evenzoo dient die sterrenwereld tot een „teeken", waarnaar de reiziger zijn weg richten kan. De reiziger in de woestijn, waar geen weg gebaand is, de kapitein op zee, waar geen land kan gezien worden, heeft in die sterren het middel van God ontvangen om den rechten koers te houden. Eer het kompas was uitgevonden, was de sterrenhemel het eenige kompas. En dat de mensch het waagde zijn eigen land te verlaten en in onbekende contreien te gaan zwerven of op vreemde zeeën rond te zwalken, was omdat hij wist in dien sterrenhemel een veiligen gids te hebben. Zijn leidster ging hem voor en voerde hem straks veilig huiswaarts. Zonder die „teekenen" van den hemel zou de mensch de aarde niet hebben bevolkt en aan ontdekking aan vreemde landen zich niet hebben gewaagd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 9 oktober 1904

De Heraut | 4 Pagina's

De plaats van den mensch in het heelal.

Bekijk de hele uitgave van zondag 9 oktober 1904

De Heraut | 4 Pagina's

Bladeren