GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Pro Hege.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Pro Hege.

17 minuten leestijd

XIII.

Gij hebt hem met eere en heerlijkheid gekroond. Psalm VIII : 6.

Thans volgt de vraag, of de reusachtige hoogte van ontwikkeling waartoe de mensch allengs opklom, een vermetel en overmoedig grijpen naar het verbodene is geweest, ea dus zou zijn af te keuren; dan wel of het bezit van deze overmacht in zijn hem van God gegeven roeping lag, en alzoo de verwerving ervan toejuiching verdient.

Jezus' Koningschap, 't viel niet te verhelen, is in het leven der volkeren teruggedrongen. De herders der volken, om zoo de leidslieden te noemen, die onder hen den toon aangeven, ontleenen aan het roepen voor Jezus geen bezieling meer, Ea zelfs binnen de wanden der Kerk is het lofzingen voor Christus dXsé& n Koning der eerevatooxi en tint gedaald. Ter verklaring van dit teleurstellend verschijnsel wezen we op het onloochenbaar feit, dat, uit wat oorzaak dan ook, de stroom van het Godvruchtige leven, de stroom der Religie allerwegen in zijn bedding gedaald is. En om te voorkomen, dat de geloovigen zich in dit opzicht niet te fier boven de twijfelaars en ongeloovigen verheffen zouden, spraken we het onomwonden uit, dat ook onder ons verachtering in genade te bespeuren valt, en dat met name de geestdrift voor Jezus Koninklijke eere ook onder ons maar al te zeer getemperd is. De onderscheidihg tusschen de geloovigen in het Heilige, de naamgeloovigen in den Voorhof, en de ongeloovigen die zelfs nog achter den Voorhof terugtraden, gaf daarbij het verschil aan tusschen wat we in onzen engeren kring en in onze breedere nationale omgeving om ons waarnemen. En oüa tegen zelfverheffing te waarschuwen en van een te hard oordeel over deafgegledenenen twijfelmoedigen ai te manen, poogden we van de algemeene daling in den stroom van het religieus bewustzijn een aan de werkelijkheid ontleende verklaring te geven. Zullen we ook op onze nationale omgeving weer ten goede werken kunnen, en zal de breede schare weer iets, iets althans van de eere van Jezus Koningschap gaan verstaan, dan baat 't niet of ge al de boosheid van 't menschelijk hart in hen aanklaagt. Invloedoefening vraagt sympathie, en sympathie voor wie afdoolden komt dan eerst in u op, indien ge klaar en helder inziet, dat de stroommg van het algemeen menschelijk bewustzijn op elk gebied beheerscht wordt door tijden en omstandigheden, en dat die tijden en omstandigheden in de dagen onzer vaderen voor de belangstelling in de Religie even buitengemeen gunstig waren, als ze thans uitermate ongunstig zijn geworden; en indien ge, erkennende hoe ge ook zelf in die ongunst der tijden deelt, u met uw afgegleden volk lotgemeen gevoelt, en dus ook wel den toorn, maar toch meer nog de zoekende liefde tegenover de lieden die in den Voorhof zijn, en tegenover hen, die ge reeds buiten den Voorhof ziet omdolen, in uw hart aan het woord laat komen.

Ter verklaring van dit ons allen gemeeae lot, hebben we toen nadruk gelegd op drie kwalijk te loochenen feiten. Vooreerst op de overmacht, die de mensch in zoo korte spanne tijds wist te veroveren over de natuur. Een macht, in de ééne eeuw die achter ons ligt, sterker toegenomen, dan in de achttien eeuwen van Christelijk leven, die daar achter lagen. Iets wat het af hankelijkheidsgevoel, dat breede stramien voor de algemeene Godsvrucht, zoo in het oog loopend ver flauwen deed. In de tweede plaats wezen we op de verbreeding van den gezichts einder, die voorheen meest binnen nationale gfenzen besloten, thans heel de wereld omvat, omspant en onder één gezichtsbiik saamtrekt. En in de derde plaats op de verbijsterende toeneming van onze menschelijke kennis, niet zoozeer in de diepte 611 in de hoogte, maar dan toch in de breedte en lengte der dingen. Voorts toonden we aan, hoe uit deze drie factoren een onrustige beweging was opgekomen, die de stilte, waarnaar het vrome hart uitgaat, verbrak, en den stillen, verborgen omgang met de wereld daarboven verstoorde. En waar op die wijs het hooge zelfgevoel van den mensch wies, en de gegevens voor het religieuse leven steeds ongunstiger werden, lieten we uitkomen, hoe ongemerkt een koningschap van den mensch zelf aan het woord kwam, dat voor het Koningschap van Christus geen plaats liet. Dat koningschap van den mensch ^elf stichtte zich den troon zijner eere in de groote wereldsteden, en beheerscht van daar wti door wat men den modernen tijdgeest noemt, heele natiën en volkeren. Die moderne tijdgeest drong de werking van den Heiligen Geest terug, gelijk 'smenschen koningschap het Koningschap van Christus, Maar in dien hoogen waan misleid, werd de mensch-koning zelf slaaf van koning-Mammon, En wel greep de moderne mensch toen de Kunst aan, om zijn meer ideale behoeften te bevredigen, maar die liefde voor de Kunst sloeg al spoedig in Kunstaanbidding om, en de mensch-koning knielde neder voor den god van het Schoone, om in die afgodische vercering voor den afgod der Schoonheid nogmaals zich zelf te verliezen.

Dit nu plaatst ons voor de heel andere vraag, of de mensch op zichzelf, door naar die hoogere macht over de natuur te staan, gezondigd, dan wel zijn van God gegeven roeping vervuld heeft. En het antwoord op die vraag kan niet anders luiden, dan dat God zelf den mensch heeft opgeroepen, om de natuur aan zich te onderwerpen; dat de Christenheid, in de dagen harer onbeperkte heerschappij, die roeping maar al te zeer verwaarloosd heeft; en dat in zooverre aan haar de schuld ligt, dat thans in de gewonnen overmacht over de natuur eene aan God en zijn gezalfden Koning vijandige macht is opgetreden.

Sla het scheppingsverhaal op, en immers aanstonds wordt het u aangezegd, dat de mensch geroepen is tot heerschappij. God zeide: „Laat ons menschen maken, naar ons beeld en naar onze gelijkenis, en dat ze heerschappij hebben" En dat niet alleen over de dierenwereld, die vooraan komt, neen, er staat uitdrukkelijk \)iy. heerschappij over de geheele aarde. Dat de dieren voorop kwamen te staan, sprak vanzelf. De dierenwereld was, eer de mensch verscheen, de hoogste en machtigste uiting van creatuurlijk leven. Reeds de plantenwereld stond hoog boven de elementen en het stof der aarde, Miar hoeveel hooger stond niet nog de leeuw boven de lelie des velds, in veelheid van kracht en in vrijheid van beweging. Duidelijk moest ahoo in de eerste plaats uitkomen, dat de mensch ook over de disrenwereld de koning der Schepping zou zijn. De leeuw de koning van het woud, maar de mensch met heerschappij bekleed ook over de machtigste en prachtigste verschijning in de dierenwereld. Iets waar te meer in lag, omdat, naar physieke kracht en grootschheid van verschijning gemeten, de leeuw het zoo verre van den mensch won, en de dierenwereld als heel een heirleger zich schaarde om het ééne, bij vergelijking genomen, zoo zwakke menschenpaar. De hooge gedachte Gods om na plant en dier den mensch te scheppen, te scheppen naar zijn beeld en gelijkenis, doordrong alzoo den komenden loop van heel de historie dezer wereld, toen het hoog gebod uitging, dat die schijnbaar zoo kleine en zoo nietige mensch met heerschappij over geheel de aarde zou bekleed zijn. Hierin lag de aliesbeheerschende tegenstelling tusschen geest en stof. Ook in de hoogere dierenwereld, ja tot zelfs in insecten als de mier en de bij, is ongetwijfeld een geestelijk element ingeschapen, maar zwak, zich niet ontwikkelend, blijvend wat 't eenmaal is, gebonden in het instinct, en slechts in zeer zwakke mate door vrije wilskeus werkend. Bij het dier als zoodanig heeft het stoffelijke nog altoos het overwicht. Maar anders, geheel anders was dat in den mensch. In den mensch is het geestelijk element het beheerschende. Ook physiek kan hij kracht oefenen, maar dit is bijzaak, en hoe hooger de mensch klimt, hoe meer hij zelfs van het gebruik van de physieke macht afziet, om al zijn kracht saam te trekken in zijn geest. Het Goddelijk bestel om den mensch heerschappij over heel de aarde te geven, rustte aizoo op de onomstootelijke, en in heel het scheppingsplan besloten grondgedachte, dat de geest heerschen zou over de stof. In hem zelf zou de geest heerschen over het vleesch, en door die heerschappij van den geest over het vleesch, zou hij die geestelijke meerderheid oefenen, die hem als geestelijk wezen de heerschappij schonk over heel het aardrijk, over al Gods schepping hier beneden, over gansch deze wereld.

Nog dieper gaat deze grondgedachte, doordien het woord, dat God sprak, deze heerschappij van den geest in den mensch in rechtstreeksch verband plaatst met zijn geschapen zijn naar Gods beeld en naar Gods gelijkenis. Geest op zichzelf is, gelijk we opmerkten, ook in het dier aanwezig. Steeds spreekt de Schrift het uit, dat niet alleen de mensch, maar ook het dier een xiel heeft. Reeds in het Scheppingsverhaal komt dit sterk uit. Het begint zelfs reeds bij de visschen. „God, zoo lezen we in Gen. 1:2i, schiep alle levende, wriemelende ziel, welke de wateren overvloediglijk voortbrachten". En evenzoo lezen we in VS. 24, als het aan de schepping der landdieren toekomt: De aarde brenge levende zielen voort, naar haren aard, vee, en krui pend en wild gedierte. En het was alzoo". t Sterker zelfs nog staat het in vs. 30: Al het gedierte der aarde, en al het gevogelte e des hemels en al het kr 'oe.d gedierte op h de aarde, waarin een ie'mnde siel is." Het k onderscheid tusschen den mensch en het d dier is alzoo niet, dat wij een ziel hebben en de dieren niet. Integendeel, een ziel is ons met de dieren gemeen, en onze hooge voortreffelijkheid is nier daarin gelegen dat wij óók een ziel hebben, maar dat God zelf in ons blies den adem des levens, en ons schiep als drager van zijn Goddelijk evenbeeld. Geest is een algemeene term, ziel is een uitdrukking van algemeene strekking, maar wat op ons als menschen een eigenstempel en het hoogste merkteeken drukt, is noch dat we geest, noch dat we een^ziel hebben, maar dat in ons geestelijk zieicleven zich afspiegelt het eigen beeld van God. Er is een opklimming in de schepping, '.an het stof tot de plant, van de plant tot het dier, en van het dier tot den mensch. Dit alles gaat van God uit en komt door zijn machtwoord tot stand, maar eerst in den mensch sluit zich de keten, doordien in den mensch Godzelf zijn eigen beeld afdrukt.

Deze hooge roeping van den mensch is niet alleen uitgesproken in het innerlijk raadsbesluit Gods, toen God sprak: aat ons alzoo den mensch maken, — maar is ook als heilige ordinantie aan den mensch zelf afgekondigd, en hem als hoog gebod op zijn omwandeling op aarde meegegeven. De pas geschapen mensch moest zich wel klein en schier machteloos gevoslen tegenover de macht der natuur en der dierenwereld die hem omringde. Zelfs al waren in het paradijs nog de verwoestende machten der natuur niet ontketend, zoo mc^s!^ toch de majesteit der schepping hem imponeeren, en hij zich tegenover het tallooze heir der dierenwereld verlaten en klein gevoelen. Zelfs aangenomen dat het verscheurende element nog niet uit den aanblik der machtiger dieren hem toesprak, zoo zag de mensch toch wezens voor en om zich, van veel machtiger afmeting en in veel grooter aantal. De vraag, welke zijn rang en plaats in die wereld en tegenover die wereld zou zijn, drong zich daarom terstond aan hem op. En op die vraag nu geeft God de Heere den pas geschapen mensch onmiddellijk dit antwoord: Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u en vervult de aarde, en onderwerpt haar, en hebt heerschappij." (Gen. I : 28). Zoo werd de mensch door God-zelf tot koning over zijn schepping, over heel deze wereld, oi'erheel deze aarde gekroond. Het hoe verstond de mensch nog niet. Het was een volstrekt onopgelost raadsel, dat in deze ordinantie Gods tot hem kwam, Hij, de physiek zwakkere mensch, tenger, slaak en klein in ^ijn zienlijke formatie, die slechts van stap tot stap zich kon voortbewegen, en niet dan zijn twee handen tot zijn beschikking had, zou heel die aarde, heel die wereld niet alleen bezitten en doorwandelen, neen, hij moest ze aan zich onderwerpen. Dat wees op verzet, op tegenstand. Het wees op een inspanning van kracht, die dat verzet zou moeten breken. Afhankelijk van die natuur als hij zich voelde, moest omgekeerd heel die natuur afhankelijk van hem worden. Ze mocht niet alleen hem niet overheerschen, maar hij moest heel de natuur beheerschen. Zóó beheerschen, dat ze ten slotte geheel aan hem onderworpen was, en zoo onderworpen, dat zijn heerschappij, zijn koninklijke overmacht, ea zijn geestelijke overheersching, een vol strekt feit zou worden.

In den 8sten Psalm heeft David die heerschappij van den mensch over de natuur bezongen, als geldende ook voor onsen gevallen, onzen zondigen staat. Zijn zang jubelt niet over den mensch in het paradijs in zijn ongebroken toestand, maar over den mensch, gelijk hij in zijn dagen was, en gelijk hij zelf zich als mensch kende. Vandaar zijn diepe verwondering. In zich voelt, voor zich ziet hij den mensch in zijn gevallen staat, den mensch in zijn gebrokenheid en ellende. In al haar diepte voelt hij daarom de tegenstelling tusschen den nietigen, zondigen mensch en de majesteit des Heeren HEEREN. En nu bezingt hij het, hoe God zelfs uit den mond der kinderkens en der zuigelingen zich lof heeft bereid, en hoe Hij door zijn macht over het hart der zijnen den vijand en den wraakgierige terugwerpt. Dit vermelden van „den vijand en den wraakgierige" bewijst alzoo, dat hij handelt van den mensch in ^^» dagen, niet van den mensch in het paradijs. Vandaar dan ook zijn uitroep: „Wat is de mensch, dat Gij zijner gedenkt, en het menschenkind dat Gij hem bezoekt, " Het is juist ter oorzake van het zondige in den gevallen mensch, dat de tegenstelling tusschen wat hij innerlijk is en datgene waartoe God hem roept, zich zoo scherp voor hem afeekent. En van dien mensch nu jubelt David: G „Gij hebt hem een weinig minder dan de g ngelen gemaakt, en hebt hem met eere en a eerlijkheid gekroond." Nogmaals dus de g roning van den mensch. Het bekleeden van p en mensch met koninklijke heerschappij; m iets wat nog sterker uitkomt in vs, 7: „Gij a doet hem heerschen over de werken uwer A handen, Gij hebt alles onder zijne voeten gezet". a Dat „onder zijn voet zetten" toch is de s vaste Oostersche uitdrukking voor de macht o en heerschappij van den Koning, gelijk dan ook van den Christus geschreven staat, dat hij „al zijn vijanden aan zijn voeten zal onderwerpen". Zelfs wil meer dan één uitlegger, en onder deze Calvijn, de uitdrukking: „een weinig minder dan de engelen gemaakt, " zoo verstaan alsof te lezen ware: „Gij hebt hem weinig minder dan een God gemaakt". In het Hebreeuwsch toch staat hier het woord Elohim, wat in den regel van God gebezigd v/ordt. En het valt niet te ontkennen, dat deze opvatting poëtisch schooner is, en dat omgekeerd de vergelijking met de engelen te dezer plaatse iets mingewoons heeft. Daar echter beide vertalingen zich verdedigen laten, gaan we hierop niet nader in. Vaststaat, en dit is hier hoofdzaak, dat ook in den Sen psalm een heerschappij, als door God aan den mensch verleend, bezongen wordt, die aan den mensch de Koningskroon op het hoofd drukt.

Intusschen spreekt het vanzelf, dat hiermede niet kan bedoeld zqn, dat elk afzonderlijk mensch tot het uitoefenen van deze heerschappij in vollen omvang zou geroepen zijn. Het kind kan den leeuw niet aan. De zwakke vrouw kan niet worstelen met den Behemoth. Niet één mensch op zich zelf kan heerschen over alle werken der schepping. Wat hier den mensch ivordt verleend, wordt verleend aan de menschheid, wordt toevertrouwd aan ons menschelijk geslacht. De mensch moet vruchtbaar zijn en zich vermenigvuldigen. Uit het eerste menschenpaar moet de menigte van menschelijke heirlegers zich ontwikkelen. Niet alzoo op den enkelen mensch, maar op de veelheid van de kinderen der menschheid wordt hier gedoeld. Niet in één geslacht, maar in de achter elkaar opkomende geslachten, zal de heerschappij over de natuur gevestigd worden. En eerst in dien zin de mensch genomen, zal het waar blijken, dat de mensch machtiger zal blijken dan alle machten en krachten der natuur om hem heen. Niet ieder mensch op zich zelf zal koning zijn, maar de mensch, als uitdrukking van heel de soort genomen, zal met heerschappij bekleed worden. Keer op keer zal er een mensch als slachtoffer vallen van de woede der elementen, door leeuw of tijger gemoord of door de golven verzwolgen worden; maar de mensch, als uitdrukking van het geheel genomen, zal in den strijd tegen het wild gedierte de hooge hand hebben, en over alle krachten en elementen triomfeeren. Vandaar, dat in het Nieuwe Testament deze jubelzang van David op den Christus wordt overgebracht, omdat in hem eerst de wezelijke Mensch-koning verschenen is. Maar juist dit toont, dat het Koningschap van Christus niet in hem als Zone Gods, maar in hem als Zoon des menschen is te eeren, en opkomt uit de koninklijke heerschappij, waarmee God zelf in het paradijs den mensch bekleed had. En die heerschappij nu kleeft niet aan zijn physieke kracht want één stier werpt den sterksten man de lucht in of loopt hem overhoop. En ook kleeft ze niet in zijn ziel, want de moed van den leeuw komt evenzoo uit zijn leeuwenziel, en niet uit zijn muil of klauw op. Neen, ze kleeft in ons geschapen zijn naar den Beelde Gods. Het is een Goddelijk op den mensch gelegde heerschappij, waarin God, door den mensch, Zichzelven verheerlijkt.

Er is alzoo, naar luid der scheppingsordinantie, geen zweem van strijd tusschen de hooge heerschappij onzes Gods en de afgeleide en opgedragen heerschappij der menschen. Veeleer vloeit de ééne uit de andere voort. Heerschappij is zoozeer in het beeld onzes Gods een onmisbare trek, en zoo zeer het hooge teeken zijner souvereiniteit, dat een naar zijn beeld geschapen creatuur zonder zulk een afgeleide heerschappij volstrekt ondenkbaar ware. Die heerschappij over de natuur komt niet bij den mensch bij, neen, ze ligt in zijn eigen wezen als mensch gegrondvest. Zonder die heerschappij zou hij geen drager van Gods beeld kunnen zijn, Hecrschte hij niet over de natuur, dan zou de natuur over hem heerschen. Niet hij, bet creatuur met den geest, maar de brute stof, het woeste, wilde creatuur zonder geest zou hem meester zijn. Het hoogste creatuur zou onderworpen zijn aan het lagere, en het beeld Gods zou in den mensch vervalscht en in zijn tegendeel verkeerd worden. Juist dit nu is veel te veel uit het oog verloren. Het beeld ods is veel te eenzijdig op geestelijk en odsdienstig gebied gezocht. In het heilige lleen heeft men de uitdrukking van de elijkenisse Gods in den herboren mensch ogen te ontdekken. En toch, dit kan, dit ag niet. Onze belijdenis van onzen God is, llereerst zelfs, dat we gelooven „in God lmachtig, den Schepper des hemels en der arde". Zijn Almacht, zijn Souvereiniteit taat op den voorgrond. Alwie dit uit het og verliest, verloopt in mysticisme of verliest zich, eer hij 't weet, in de peillooze diepte van het pantheïsme. De Almachtige is zijn naam, de Allerhoogste zijneeretitel, en die Almacht is zijn Heerschappij, zijn overhoogheid over alle creatuur, zijn koninklijk-souvereine majesteit, waarmee Hij alle schepsel aan zrjn voeten onderwerpt. En hoe wilt ge dan, dat er een creatuur zal optreden, dat „drager van zijn beeld en zijn gelijkenisse" zal zijn, indien ge uit dat creatuurlijk beeld den hoofdtrek, den grondtrek van het Goddelijk wezen uitneemt, en u op het zedelijk en religieus gebied terug trekt. En juist hierom nu moet er nadruk op gelegd, dat in de Scheppingsordinantie en in het Scheppingsverhaal bij de kenteekeningvan het beeld Gods, waarnaar we geschapen zijn, zelfs met geen woord 't zij het zedelijke, 'tzij het religieuse leven vermeld wordt, maar dat alle nadruk voor de kenschetsing van het beeld Gods in ons, eeniglijk valt op onze koninklijke heerschappij over heel deze aarde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 april 1907

De Heraut | 4 Pagina's

Pro Hege.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 april 1907

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken