GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Artikel XXXVI.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Artikel XXXVI.

10 minuten leestijd

IV.

De fout van hen, die zich telkens op Artikel XXXVI beroepen, ligt daarin, dat zij de historie en de geschriften onzer Vaderen niet genoegzaam kennen, in de gedachtenwereid onzer Vaderen niet geheel thuis zijn en daarom niet weten, wat onze Vaderen met Artikel XXXVI eigenlijk hebben bedoeld.

Vandaar de naïviteit, dat men zijn eigen stelsel, dat met de opvatting onzer vaderen van de taak óer Overheid evenveel gemeen heeft als een nieuw-modisch villaatje in 't Gooi met een deftig heerenhuis op de Keizersgracht, toch voor echt-antiek-gercformeerd verslijt en als met het keur van Art. XXXVI voorzien, aan het volk aanprijst.

Natuurlijk denken we er daarbij niet aan, dat men dit doet om opzettelijk het publiek te misleiden. De schuld ligt alleen daarin, dat men niet ernstig genoeg studie heeft gemaakt van de historie. Artikel XXXVI op den klank af citeert, en als er dan schijnbaar eenige uitwendige overeenkomst is, meent op het standpunt onzer Vaderen te staan.

Ook al zou, om met Groen te spjeken, van degenen, die het volk willen voorlichten, geeischt mogen worden, dat ze vooraf „meer studie maakten van de historie", toch begrijpen we, dat niet ieder daarvoor tijd en gelegenheid heeft. Historische studie eischt meer dan de snipperuurtjes, die ontwoekerd moeten worden aan drukke andere bezigheid. Juist daarom hebben we zoo breed en uitvoerig het historisch millieu geschilderd, waaruit Art. XXXVI voortkwam. We hebben elke uitdrukking van Art. XXXVI uit de acte-stukken zelf toegelicht. We hebben niet ons gevoelen weergegeven, maar onze vaderen mei hun eigen woorden laten spreken. We hebben laten zien, uit de officieeie verzoekschriften van onze Synodes, hoe deze de roeping der Overheid op grond van Art, XXXVI opvatten. Twijfelt vazxi nog aan de juistheid onzer historische interpretatie, dan zijn we bereid de bewijzen te vertiendubbelen. Maar men zwijge deze argumenten nu althans niet dood. Men toone óf aan met degelijke historische gronden, dat we ons vergist hebben en het gevoelen onzer Vaderen onjuist hebben weergegeven, of zoo men dat niet kan, dan erkenne men eerlijk en op recht, dat men zelf met Art. XXXVI, zooais onze vaderen het bedoeld hebben, het niet eens is. De excusatio ignorantiae kon althans nu niet langer gelden.

Vraagt men ten slotte, of Art. XXXVI met de staatssubsidie aan de Kerk toch niets uitstaande heeft, dan willen we ook daarop gaarne een antwoord geven.

In de eerste plaats merken we dan op dat Artikel XXXVI met het zoogenaamde subsidie-vraagstuk of de Slaatstractementen 'rechtstreeks niets te maken heeft. Gelijk we hebben aangetoond, beteekent de uitdrukking de hand houden aan den heiligen kerkedienst, iets geheel anders dan het onderhouden der Dienaren. Ook wezen we er reeds op, dat niet éen schrijver over Artikel XXXVI er aan gedacht heeft, met dit Artikel de Overheidszorg voor de tractementea ia verband te brengen. En evenzoo is ons niet éen kerkelijk actestuk bekend, waarin onze Kerken op grond van Art. XXXVI aan de Ov'erheid den plicht hebben voorgehouden om voor de kosten van den eeredienst te zorgen. Met verbazing lazen we daa ook onlangs in de Gereformeerde Kerk, dat onze Kerken telkens op grond van Art. XXXVI bij de 0/erheid op Staatstractementen hebben aangedrongen. Oas is niet éen actestuk, niet éen Synodaal besluit, niet éen verzoekschrift der Synode bekend, waarin dit geschiedt. En Dr. Krom sigt, die zegt tal van deze actestukken te kennen, zal ons een dienst bewijzen, er ook maar éen op te noemen. We beloven hem, dat we het als curiositeit in de Heraut zullen laten afdrukken.

Dat onze vaderen telkens en met nadruk de Oi^erheid gewezen hebben op den plicht om voor de tractementen der predikanten te zorgen, staat vast. Over dat feit bestaat geen verschil. Eik die de historie kent, weet dat. De vraag is alleen: op welken grond werd dit geeischt .•" Omdat de 0/erheid altijd en overal volgens Gods Woord verplicht is voor het onderhoud der Kerkdienaren te zorgen, m. a. w. omdat deze zorg tot de Overheidstaak als zoodanig behoort, óf omdat de Kerken wettig aanspraak maakten op goederen, die aan de Kerken toekwamen, die de Overheid onder haar beheer had genomen en wier inkomsten aan de Kerken moesten uitgekeerd worden?

Het verschil tusschen die beide springt in het oog.

Een vader is van Gods wege verplicht zijn kinderen te onderhouden; een kind heeft daarom recht, van zijn vader dat onderhoud te vragen. De grond van dat recht ligt in de Goddelijke ordinantle, dat de ouders voor hun kinderen te zorgen hebben. Maar een voogd, die de goederen van een pupil beheert, is wel verplicht de reüte van het kapitaal aan zijn pupil uit te keeren, maar hij is niet verplicht uit eigen middelen zijn pupil te onderhouden. De rechtsgrond van den pupil op onderhoud ligt niet in een goddelijke roeping van den voogd om zijn pupil te onderhouden, maar in het feit, dat de voogd de goederen van den pupil onder zija beheer heeft, e? « die goederen niet zijn eigendom, maar het eigendom van den pupil zijn.

Nu heeft de Orerheid in ons land, gelijk trouwens overal, waar de Reformatie met Overheidshulp tot stand kwam, de rijke goederen, die de Roomsche Kerk bezat, zoowel kerkelijke als geestelijke goederen, aan de Roomsche Kerk ontnomen. Doordat de roomsche eeredienst werd afgeschaft, de kloosters en abdijen werden opgeheven, de roomsche geestelijken werden afgezet, kwamen deze goederen, kerkgebouwen, kloosters, kapitalen, sieradiën, landerijen enz. vrij. En de Overheid, die de Reformatie had doorgezet, had nu te beslissen, wat met deze goederen sou geschieden.

Op welke wijze de Overheid dit gedaan heeft, is, zonder in allerlei juridische bijzonderheden te vervallen, niet gemakkelijk te zeggen. Zelfs de gewone onderscheiding, die men meestal maakt tusschen de zoogenaamde geestelijke en kerkelijke goederen, is niet van bedenking vrij; en de geheel uiteenloopende bepalingen, die men voor deze termen bij verschillende rechtsgeleerden vindt, toont hoe moeilijk het is, hier toti zekerheid te komen. Toch meenen wel voor ons doel met het volgende beeld, dat alleen in grove omtrekken den toestand schetst en allerminst op juridische preciesheid aanspraak maakt, te kunnen volstaan.

De Overheid heeft deze goederen lendeele toegewezen aan de Gereformeerde Kerken als haar wettig eigendom, ten deele geconfisqueerd. De kerkgebouwen werden ten dienste van de Gereformeerde religie gesteld. Ook de kerkegoaderea in eigenlijken zin, de pastoriegoederen, de beneficiën enz. werden in de meeste gevallen als aan de Gereformeerde Kerk toebehoorende beschouwd, In sommige provinciën, zooais in Friesland, Groningen, Drenthe bleven deze goederen onder het beheer der plaatselijke kerk en werden daaruit de predikantstractementen betaald. (Bachiene, Kerkelijke Geographic III, p. 149). De Overheid had met de predikantstractementen in deze provinciën zoo goed als niets uitstaande; ze werden niet door de Overheid uitbetaald; men had daar het zoogenaamde vrij beheer. In andere provinciën, zooais met name in Holland, gelastte de Overheid, dat deze goederen gezamenlijk beheerd zouden worden dooreen zoogenaamd geestelijk kantoor en betaalde dit kantoor de tractementen aan de predikanten uit. Toch houde men hierbij wel in het oog, dat deze uitbetaling niet geschiedde uit de gemeene landspenningen, maar uit de inkomsten dezer kerkelijke en geestelijke goederen.

Toch heeft de Overheid lang niet alle goederen aan de Kerk gelaten; voor een niet onbelangrijk deel werden ze geconfisqueerd. Met name is dit geschied met de kloostergoederen, maar ook wel met andere ­goederen. Wat de Overheid daartoe vooral drong waren de zware oorlogskosten, die uit de belastingpenningen niet betaald konden worden. Volgens het destijds geldende recht mocht de Overheid in geval van nood ook de kerkelijke goederen aanspreken. Zoo zegt van Beuningen:

„De goederen, die verlaten waren of veroverd door de macht van den sterkste, geeste­ , lijke stichtingen van allerlei aard, met de landerijen en wat verder geldelijk voordeel aanbracht, werden overal aan het land vervallen verklaard, geseculariseerd. Ze werden voor een deel al zeer spoedig verkocht en de opbrengst gedeeltelijk aangewend tot delging van oorlogskosten" (W. van Beuniïïjjen. Geestelijk Kantoor te Delft, p. 12).

Van het kapitaal, dat de Overheid daardoof in handen kreeg, kan men zich kwalijk een te groote voorstelling vormen. De Roomsche Kerk toch was ook in ons land zeer rijk; vooral de kloosters hadden een enorm landbszit. Niet ten onrechte zegt Ds. Schotel in zijn „De openbare eeredienst der Ned. Herv. Kerk", p. 475: „Langzamerhand was de geestelijkheid (der Roomsche Kerk) in ons vaderland in het bezit van uitgestrekte goederen gekomen. De vrucht' baarste landerijen, die steden en dorpen omringden, en heinde en ver verspreid lag< =n, behoorden haar toe. In Henegouwen vi? aren van de 18.000.000 bunders 15.000 000, en iij de overige gemeenten naar evenredig heid haar eigendom. De edelgesteenten, het gou d, zilver en de kieinoodiën harer abdijen, kloosters en kerken werden op miljoenen geschat".

Dit alles kwam door de Reformatie onder het beheer der Overheid. Niet alleen deze laiiJerijen, kapitalen en gebouwen, maar ook die kostbaarheden en kieinoodiën. Want wat in de kerken, kloosters enz. geplunderd werd, viel als buit de Overheid in handen. En het totaal bedrag, dat de Overheid daar^ door gekregen heeft, valt zelfs op geen mi j > enen na meer te berekenen.

En daarbij komt in de laatste plaats dat vele van deze geestelijke goederen, die niet verkocht werden, onder beheer werden gesteld of stonden van stedelijke overheidsperionen, ambachtsheeren, rentmeesters enz. die de inkomsten daarvan dikwijls voor zichzelf gebruikten, in plaats van ze aan de Kerken uit te keeren, gelijk daarover telkens door de Kerken werd geklaagd.

Nu hebben onze vaderen steeds volgehouden, dat al deze goederen, kerkelijke en geestelijke, ook nadat de Roomsche Kerk was weggevallen, niet bona vacantia in eigenlijken zin waren geworden, maar dat ze voor hun bestemming moesten blijven dienen. Het recht der Overheid, om deze goederen onder haar beheer te nemen, hebbes onze vaderen niet betwist, ook niet om in oorlogsnood er van gebruik te maken, maar wel het recht om deze goederen te „veralieneeren", d, w, z, voor een ander doel te bestemmen.

Wat de kerkelijke goederen zelf aangaat, zooais kerk-goederen, pastorie-goederen enz., hiel ien ze vol, dat deze goederen nog altijd het wettig eigendom der Kerk waren. De Kerk ^was door de Reformatie wel gereformeerd, maar had niet opgehouden te bestaan, Er was met de Reformatie geen nieuwe Kerk gesticht, maar de bestaande Kerk was gezuiverd {geworden. Vandaar, dat he eigendomsrecht hetzelfde was gebleven. Om het bekende beeld van Voetius te gebruiken : het goed, dat een kranke bezit, wordt niet zonder bezitter, wanneer de kranke gezond wordt. En de goederen, die de kranke Kerk bezat in haar Roomsche periode, bleven haar goederen, toen die krankheid door de Reformatie week.

En wat de overige goederen betreft, die niet rechtstreeks aan de Kerk, maar aan de geestelijkheid, aan kloosters enz. behoorden, zoo merkten ze op, dat deze goederen gegeven vtaxsaad piosusus, é.yf.z. met godvruchtige doeleinden. De Overheid had wel den plicht om die geestelijken af te zetten en die kloosters op te ruimen, maar deze gelden moesten aan het oorspronkelijke doel blijven beantwoorden, ze moesten gebruikt worden om er „kerken en scholen van te onderhouden". Dat de Overheid ze beheerde, was haar recht, maar ze te gebruiken, tegen de bedoeling der schenkers in, voor wereldlijke doeleinden, dat mocht niet.

Deze teekening van den toestand in de i6e eeuw moest vooropgaan, omdat daardoor eerst begrepen kan worden, op welken grond onze Kerken van de Overheid de predikantstractementen gevraagd hebben.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 maart 1908

De Heraut | 4 Pagina's

Artikel XXXVI.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 maart 1908

De Heraut | 4 Pagina's