GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

VAKWETENSCHAP EN PRAKTIJK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VAKWETENSCHAP EN PRAKTIJK

9 minuten leestijd

De beteekenis van de Prot. Gbr. Centrales en Vakorganisaties van patroons voor het kerkelijk, politiek en maatschappelijk leven In ons vaderland.

III.

Ds misleiding omtrent de beteekenis.

Het kan niet anders, of de oppervlakkige beschouwer zal omtrent de beteekenis der Christelijke patroonsorganisatie menigmaal worden misleid. De afwijzende, soms zelfs onverschillige houding, die door meerdere Christelijke patroons ten opzichte van haar wordt aangenomen, daarbij de halfslachtige opvattingen omtrent haar nut en noodzakelijkheid, die weer anderen huldigen, en ten derde de tweeslachtigheid die openbaar komt in de houding ten opzichte van de Centrale patroonsorganisaties, die men noodig acht, en de vakorganisaties van patroons, die men niet of slechts uitzonderlijk noodig acht, moet den buitenstaander, die niet meer dan oppervlakkig kennis kan nemen van de beteekenis, de vraag doen stellen, of die beteekenis inderdaad zoo groot is als de voorstanders der Christelijke patroonsorganisatie willen doen gelooven. Het is daarom noodig, hier een oogenblik nader bij stil te staan.

Meer nog dan in arbeiderskringen hebben in patroonskringen wijsgeerige, of wilt ge, theologische principes een rol gespeeld bij de bepaling van de beteekenis der principiëele organisatie. Theologen, die zich de vraag stellen: ; , , Wie spreekt er nu tegenwoordig nog over Barth of Brunner? " mogen er rekening mede houden, dat de opvattingen dezer Zwitsersche theologen, waaraan een zekere consequentie niet mag worden ontzegd, in Christelijke patroonskringen reeds jarenlang practische toepassing hebben gevonden, en nog vinden. De eigenmachtigheid van het natuurlijke levensterrein, tegenover het terrein van het Christelijk genadeleven, wordt meer aangegrepen als verdediging van vakorganisatie op z.g. „neutralen" grondslag dan menig Gereformeerd theoloog wellicht vermoedt.

In een rapport i) over de kwestie der Prot. Chr. patroonsvakorganisaties in 1929 uitgebracht, komt o.a. deze uitspraak voor: „H et b e d f ij f s 1 e v e n ligt op het terrein der algemeene genade en heeft als zoodanig naast het in de kerk vereenigde religieuze leven en naast andere levens kringen, eigen zelfstandige beteekenis. Een scheiding tusschen Christenen en niet-Christenen is aan het bedrijfsleven niet Jnh a er ent".

Het is de groote verdienste van sommige onzer voormannen, dat men voor dit foutieve standpunt de oogen van een groot deel van ons Christenvolk en ook van onze Christen-patroons heeft geopend. De consequentie toch van dit standpunt moet zijn, dat in de practijk van het leven levensordeningen geldend worden gemaakt, welke als zoodanig staan buiten het Koninkrijk van Christus Jezus. In dezen gedachtengang toch vertoont dan alleen maar de Kerk als instituut een Christelijk karakter, en behoort alles wat daar buiten ligt tot het terrein van het natuurlijke wereldleven, waarin alleen zakelijke en niet principiëele factoren een rol spelen. ^)

Consequent doorgeredeneerd is dan Christelijke vakorganisatie een onding, maar datzelfde geldt ook van Christelijke politiek, van Christelijke wetenschap, van Christelijk onderwijs, radio enz. enz. Inconsequent is dan echter ook het tweeslachtige standpunt, dat door sommige Chr. patroons wordt ingenomen ten opzichte van vakorganisatie van arbeiders, en de Centrale en de Chr. vakorganisatie van patroons. Voor de Christelijke arbeiders acht men Christelijke vakorganisatie wel geboden, doch voor zichzelf acht men dit overbodig. Of wel: men acht de Centrale Christelijke patroonsorganisatie nuttig en noodig en is er lid van, doch prefereert voor zijn onderneming de „neutrale" vakorganisatie en is daar ook lid van. ïn de eerste, de Prot. Chr. Centrale, is men dan, zooals men argumenteert, georganiseerd voor zijn „beginsel", en in de andere, de „neutrale" vakvereeniging, voor zijn „belang".

Wij noemen dit inconsequent, immers wat voor arbeiders geldt, is ook geldig voor patroons; terwijl tusschen beide vormen van patroonsorganisaties eenig gradueel verschil moge bestaan, in wezen zijn zij gelijk en wordt de eene (Centrale) in de practijk door de anderen (de vakorganisaties) mede gebouwd.

Onmogelijk is dan ook vol te houden, dat de Christelijke levens- en wereldbeschouwing wel een eigen Christelijke kijk zou verschaffen op de vraagstukken die aan de arbeidersorganisaties of aan de Centrale patroonsorganisaties worden voorgelegd, en dit niet zou doen op de vraagstukken, die ia den bedrijfskring zelve, in de vakorganisatie van patroons, ter sprake komen.

Ter voorkoming van misleiding ten opzichte van de beteekenis der Christelijke patroonsorganisaties is dan ook noodig, dat deze tweeslachtigheid in juist licht wordt gesteld. Hoewel wij weten, dat ook hier uitzonderingen kunnen zijn.

In sommige vakken is het aantal bedrij f sgenooten zóó klein, dat het onmogelijk moet worden geacht, om een zelfstandige Christelijke vakorganisatie van patroons te stichten. Over deze broeders oordeelen wij niet, hoewel men zich wel terdege rekenschap dient te geven van de vraag, of het inderdaad ONmogelijk is, of zelfs het hebben van een zeer kleine Christelijke groep van vijf of zes vakgcnooten niet mogelijk blijkt.

Want aparte Christelijke vakorganisatie van pa-

troons, hoe klein ook, behoeft geenszins te leiden tot breking van het bedrijfsleven. Ook deze veelgeuite bewering is weer niet juist en werkt misleidend. De Christen-patroon mag zich met zijn organisatie niet afzonderen, maar heeft zeer zeker in den kring van het bedrijfsleven den plicht tot samenwerking met anderen, ' en gelijk op Staatkundig terrein samenwerking der Chr. politieke partijen met andersdenkenden plaats vindt in de regeering van stad en land, zoo zal er steeds op maatschappelijk terrein samenwerking der Christelijke maalschappelijke organisaties met andersdenkenden noodig, zelfs geboden zijn, ter bereiking en behoud van geordende toestanden algemeen en in den eigen bedrij f skring.

Een federatieve samenwerking met andere organisaties, met behoud van ieders zelfstandigheid, is dan ook steeds de aangewezen weg. Zelfs dienen de Christenen hier de leiding te geven.

Op grond van bovenstaande zal dan echter niemand daaruit kunnen concludeeren, dat het bedrijfsleven of het algemeen maatschappelijk leven daardoor tot „neutraal" terrein is verklaard. 3)

Met klem wijzen wij hier op een en ander. De practijk immers blijft ook hier nog zoo ver van het ideaal, dat ieder Christen-patroon zich in gehoorzaamheid dient voor oogen te stellen. De halfslachtigheid en tweeslachtigheid doen zooveel schade aan de beleving van onze beginselen.

In talrijke bedrijfstakken, waar Christelijke patroonsorganisatie reeds is of zeer goed mogelijk is, blijven vele Christelijke patroons rustig in hun „neutrale" vakorganisatie. Wordt daarop aanmerking gemaakt, dan is soms het antwoord: „Ik ben toch ook Christelijk georganiseerd", hetzij in het Christelijk Werkgeversverbond, of in den Chr. Middenstandsbond. (Bij den Chr. Boeren- en Tuindersbond loopt Centrale en vakorganisaties meer parallel.) Men doet niet de minste moeite om tot eigen principiëele vakorganisatie te komen. Niet zelden komt het voor, dat de vertegenwoordigers der Christelijke Werkgevers- of Middenstandscentrales in door de Overheid of het bedrijf in het leven geroepen organen, medebroeders aantreffen, die daar niet zitten als Christelijk werkgever of middenstander, doch als vertegenwoordiger van een veelal de liberale beginselen propageerende werkgevers- of middens tandscentrale, waarbij hun „neutrale" vakorganisatie is aangesloten, en die daar menigmaal een geluid laten hooren, tegenovergesteld aan dat van de Christelijke Centrale organisalies, waarvan zij soms ook nog lid zijn. Onze Christelijke arbeidersorganisaties uiten al jaren lang deze klacht, en niet zonder reden. Want hier wringt de schoen inderdaad.

Onze Christelijke patroons zijn voor een groot en belangrijk deel nog bedrijfsgewijze georganiseerd in de „neutrale" (liberale) vakorganisaties en versterken daardoor deze, en verzwakken eigen groep. Het liberalisme, dat zoo men zegt, politiek heeft afgedaan, is mede daardoor sociaal en economisch in ons vaderland nog een geweldige macht. Hier is periculum in mora. Het groote gevaar van onzuiverheid ten opzichte van de beginselen, van een dualisme, dat de toepassing onzer Christelijke beginselen op maatschappelijk terrein verstikt. Dat de Kerk bedreigt, dat de Christelijke Staatkunde bedreigt, en dat misleidend werkt ten opzichte van de beteekenis der principiëele organisaties van patroons.


1) Rapport inzake de Christelijke ipatroonsorganisatie door een commissie, uitgebracht aan het bestuur der Chr- Werkgeversvereniging 1929. Dit rapport is door deze organisatie nimmer aanvaard. Schrijver dezes behoorde tot een der samenstellers van het rapport en heeft dit ook in d^ jaarvergadering der C. W. V. in 1929 te Groningen breeder toegelicht en verdedigd. Het behoeft geen betoog, hoe hem dit thans leed doet. In publieke vergadering der C. W. V. in 1936 heeft hij dan ook verklaard, zich niet meer me' dit rapport te kunnen vereenigen, en het stemt tot blijdschap, dat meerderen der samenstellers zich eveneens i" dien geest hebben uitgesproken.

2) Wie meer uitvoerig omtrent deze stof voorlichting wenscht, leze:

a. Prof. Mr H. Dooyeweerd: „De strijd over het vraagstuk der Christelijke Vakorganisatie van werkgevers in tiet licht van een oude strijdvraag in de Christelijke levens- en wereldbeschouwing" (Uitgave van het Christelijk Werkgevers Verbond, Dr Kuyperstraat, Den Haag).

b. Zie Prof. Dr K. Schilder: „Geen Duimbreed" (Kok. Kampen, 1936) pag. 17: „De herauten van het Christelijk denken hebben altijd volgehouden, dat een concrete gs' loofsbelijdenis noodig is voor den opbouw van heel het leven". Zie ooTc pag. 74.

3) Ten onrechte beroepen sommigen zich bij de verdediging dezer neutraliteit op Dr A. Kuyper, „Gemeene Gratie", Deel III, pag. 437 (uitgave Kok, Kampen). Wat Kuyper daar betoogt, ligt geheel in dezelfde lijn als ons betoog. Kuyper betoogt, dat niets van het menschelijk leven ligt buiten Gods bestel, dat wij ons niet mogen afzonderen of onttrekken, doch dat onze arbeid op aarde is vervulling van onze Godsdienstige roeping. „Het zijn juist de kinderen Gods, die er hun eere in hebben te stellen, om ook op dit terrein bij anderen niet achter te staan, omdat het ook op dit terrein God is. Die wijsheid geeft. God, Die de middelen bereidt, en God, Die door Zijn Gemeene Gratie de ontwikkeling van het maatschappelijk leven leidt".

Wel een samenwerking dus met andersdenkenden, maar niet van een „neutraal" optreden spreekt Kuyper, veel minder van een „neutraal" terrein.

Men dient trouwens steeds Kuypers werk: „De Gemeene Gratie" te bezien in groot verband, d.w.z. geschiedkundig, leerstellig en practisch, om juist te leeren verstaan zijn magistrale woord: „Geen duimbreed is er op heel het erf van ons menschelijk leven, waarvan de Christus, Die aller Souverein is, niet roept: „Mijn".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 januari 1938

De Reformatie | 8 Pagina's

VAKWETENSCHAP EN PRAKTIJK

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 januari 1938

De Reformatie | 8 Pagina's