GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

KERKELIJKLEVEN

Bekijk het origineel

Bladeren
+ Meer informatie

KERKELIJKLEVEN

25 minuten leestijd

Nieuw kerkrecht.

In „De Heraut" van 1 Mei j.l. komt Prof. Dr H. H. Kuyper op tegen mijn spreken van „nieuw kerkrecttt". Hij neemt daar mijn artikel „Het nieuwe lierkrecht in de praktijk" In „De Reformatie" van 15 April j.l., over, en schrijft dan cm.: „Dit nu zou een nieuw kerkrecht zijn, dat volgens hem liierarchie zou wezen..." Later gaat hij voort: „Een n i e uw Icerkrecht, dat eerst thans in praktijk zou worden gebracht is, wat de Classis Drachten deed, dus zelcer niet". Nu heb ik dit laatste ook niet gezegd. Ik schreef niet: het nieuwe kerkrecht voor het eerst in de praktijk; evenmin als ik het deed voorkomen, alsof dit nieuwe Icerkrecht eerst dit of het vorige jaar werd voorgesteld. Doch wanneer de bedoelde kerkrechtelijlie theorie eerst sedert omstreelis 1926 als de juiste, goed-Gereformeerde, wordt gedoceerd en de praktijk gaat beheerschen, mag men toch wel spreken van „nieuw Icerkrecht". En het getuigt wel van weinig kennis en van onnoozelheid op dit gebied, wanneer men deze qualificatie van „nieuw" wil afwijzen met een beroep op 1926: dat dit kerkrecht ook al in 1926 werd toegepast of in praktijk gebracht! Nu mogen anderen dit doen, Prof. Dr H. H. Kuyper wacht zich daar wel voor. Hij beroept zich op Fransche en Westminstersche Synodes enz. Daarover echter kan ik elders handelen. Maar toch vermijdt ook hij deze fout nu niet geheel, wanneer hij zich op Prof. Dr H. Bouwman beroept, als hij schrijft: „En of Prof. Bouwman... niet beter wist, wat Gereformeerd kerkrecht is dan Prof. Greydanus... moge ieder beoordeelen". Dit beoordeelen door ieder kan slechts geschieden uit het werk van Prol. Dr H. Bouwman: „Gereformeerd Icerkrecht". En dit verscheen toch eerst n a 1926, het eerste deel in 1928. En dat is hier niet zonder beteekenis, zooals we zullen zien. Ook kan men voor dit nieuwe kerkrecht „De Bazuin" nagaan, maar dan toch ook eerst na 1926. Maar wat Prol. Dr H. H. Kuyper zelf aangaat. In 1923, dus nog maar 15 jaar geleden, en maar een 3-tal jaren vóór 1926, kwam tot hem, evenals tot Prof. Dr H. Bouwman, uit Amerika de vraag, of eene classis, of deputaten namens eene classis, het recht hebben een kerkeraad of kerkeraadsleden uit hun ambt te ontzetten. Hij heeft op die vraag geantwoord in „De Heraut" van 6 Mei 1923. Hij schrijft daar onder het hoofd Afzetting van een kerkeraad dit volgende:

„Dat ook uit onze zusterkerken in Amerika ons vragen worden toegezonden met verzoek daarop in „De Heraut" een publiek antwoord te geven, verblijdt ons. Niet alleen, omdat dit toont, hoe ook onder onze Hollanders in Amerika „De Heraut" gelezen wordt en invloed heeft, maar omdat er uit blijkt, dat de band met het moederland en met de Gereformeerde Kerk in Nederland niet wordt verbroken.

Hebben we daarom gaarne voldaan aan het verzoek tot ons gericht, om ons uit te spreken over de vraag,

of men bij het Avondmaal m plaats van wijn ook geperst druivensap mocht gebruiken, we willen thans ook een antwoord geven op een andere vraag uit Amerika tot ons gericht, of een Classis, of deputateA namens eene Classis, het recht hebben een Kerkeraad cl Kei'keraadsleden uit hun ambt te ontzetten?

Zoo gemakkelijk als de vorige vraag is deze vraag zeker niet te beantwoorden, aangezien tot een juiste beoordeeling van het geval de bijzonderheden ons zouden bekend moeten zijn. We kunnen daarom slechts in het algemeen op zulk een vraag antwoorden. En dan zij in de eerste plaats opgemerkt, dat een Classis of Synode zeker niet het recht heeft zonder meer om een Kerkeraad of een zeker aantal Kerkeraadsleden uit hun ambt te zetten. Een dergelijke bisschoppelijke of hiërarchische macht komt aan de meerdere vergaderingen niet toe. Volgens onze Kerkenorde Art. 79 komt het recht om de ouderlingen en diakenen, wanneer zij iets strafwaardigs gedaan hebben, aan den Kerkeraad toe, maar staat de beslissing of een predikant geheel van den dienst zal af te zetten zijn, aan de Classis. Alleen in geval een Kerkeraad weigerde een ambtsdrager, die is aangeklaagd, uit zijn ambt te ontzetten, en de aanklager beriep zich op de Classis, zou deze hetzij dan zelf hetzij door hare deputaten kunnen uitspreken, dat zulk een Kerkeraadslid onwaardig was langer het ambt te bekleeden, en in dat ge Val zou de Kerkeraad natuurlijk gehouden wezen dit vonnis uit te voeren. Maar de eigenlijke afzetting uit het ambt zou dan toch altoos door den Kerkeraad behooren te geschieden. Maar dat een Classis eigenmachtig zou ingrijpen en een zeker aantal Kerkeraadsleden zonder aanklacht uit de gemeente en zonder den Kerkeraad daarin gekend te hebben, uit hun ambt zou ontzetten, zou volgens ons Gerefoi-meerde Kerkrecht niet geoorloofd wezen. Zoo iets behoort wel tot de bevoegdheden, die een hiërarchisch ingericht genootschap aan zijn bestuurscolleges toekent, maar niet tot de bevoegdheid van een meerdere vergadering in een Gereformeerde Kerk.

Intusschen kan het voorkomen, dat niet enkele Kerkeraadsleden, maar de geheele Kerkeraad als zoodanig door een zoodanig bederf is aangetast, dat veiTnaning noch andere middelen helpen.

Voetius nu ontkent niet, dat in zulk een geval de bestuursmacht aan den Kerkeraad ontnomen en op een ander kan overgebracht worden, maar hij zegt uitdrukkelijk, dat dit dan geschieden moet door de Kerk, d.w.z. de gemeente, die den Kerkeraad deze macht verleend heeft en ook de bevoegdheid heeft deze bestuursmacht aan de predikanten of ouderlingen weer voor goed of tijdelijk te ontzeggen. De gemeente, of althans dat deel der gemeente, dat trouw is aan Gods Woord, heeft dan op te treden. Dat de Classis daarbij hulp mag bieden spreekt vanzelf, maar deze hulp bestaat dan daarin, niet dat de Classis zulk een Kerkeraad afzet, maar dat zij de leiding op zich neemt en zorgt, dat er andere ambtsdragers in hun plaats worden benoemd. („Pol. Eccl. t. I.", pag. 255 en v.v.) Voorts is het natuurlijk ook denkbaar, dat niet alleen de Kerkeraad afwijkt, maar ook heel de gemeente met den Kerkeraad. In dat geval kan de Classis niet anders dan het verband met zulk een Kerk tijdelijk of voor goed verbreken.

We meenen met dit antwoord van Voetius te kunnen volstaan. Er zou natuurlijk nog veel meer over te zeggen zijn, maar dan zouden we ons in allerlei bijzonderheden moeten verdiepen. En we meenen, dat de hoofdvraag hiermede voldoende beantwoord is."

We zien het, nog in 1923 wilde Prof. Dr H. H. Kuyper niet weten van het recht eoner classis tot het afzetten van eenen kerkeraad of van kerkeraadsleden. Zij mocht „uitspreken, dat zulk een kerkeraadslid onwaardig was langer het ambt te bekleeden... Maar de eigenlijke afzetting uit het ambt zou toch altoos door den kerkeraad liehooren te geschieden". De classis moet eventueel hulp bieden, „maar deze hulp bestaat dan daarin, niet dat de Classis zulk een kerkeraad afzet, maar dat zij de leiding op zich neemt en zorgt, dat er andere ambtsdragers in hun plaats worden benoemd". In het ergste geval „kan de Classis niet anders dan het verband met zulk een kerk tijdelijk of voor goed verbreken".

Zoo nog in 1923.

Daarna echter kwam er verandering van beschouwing bij Prof. Dr H. H. Kuyper, die zich in 1926 op de Synode te Assen heeft doorgezet, en waarin schier allen ter Synode met hem meegegaan zijn.

Zelf schrijft hij over deze verandering in „De Heraut" van 15 Mei 1932: „Nu heeft Dr van Lonkhuyzen zoowel in zijn brochure als in zijn tijdschriftartikelen zich er telkens op beroepen, dat zoowel door Prof. Bouwman als door mij, toen uit Amerika de vraag ons gedaan werd, of een Classis een Kerkeraad mocht afzetten, daarop in ontkennenden zin is geantwoord en door mij in „De Heraut" destijds dit antwoord gemotiveerd werd met een beroep op Voetius, die gezegd had, dat alleen de gemeenteleden dit mochten doen. Ik deed dit afgaande op het gezag van Prof. Rutgers, die... dit citaat van Voetius aldus, met invoeging van het woord alleen, had aangehaald. Bij nauwkeuriger bestudeering van Voetius Politia (sic) Ecclesiastica en vooral van de handelingen der Synode van Delft, bleek me later, dat Prof. Rutgers de bedoeling van Voetius niet juist had weergegeven".

We zien. Prol. Dr H. H. Kuyper geeft hier zelf toe, dat zijne beschouwing veranderd is, en wel na 1923. Hoe dat gekomen is, kunnen we nu daarlaten. Slechts zij er op gewezen, dat Prof. Dr H. H. Kuyper niet zegt, dat hij door diepere bestudeering der beginselen van het Gereformeerde kerkrecht tot deze verandering van beschouwing, die toch van zoo groote beteekenis is, gekomen is, maar bij nauwkeuriger bestudeering „vooral van de handelingen der Synode van Delft", vooral dus van de prakt ij k onzer Vaderen. Hij heeft niet eei-st die praktijk aan de beginselen getoetst, om ze dan mogelijk te veroordeelen, doch hij heeft zijne veranderde theorie hoofdzakelijk ontleend aan, of gebouwd op, de praktijk onzer Vaderen.

Hoe dit verder zij, hier was dus verandering bij hem,

en wel sedert 1923. Hij erkent, dat hij noch Voetius, noch die praktijk onzer Vaderen, tevoren nauwkeurig genoeg bestudeerd had. En hij was in 1923 toch reeds bijna 25 jaar Hoogleeraar, en had mede, al was het dan ook niet de eerste jaren daarvan, het kerkrecht te doceeren.

Als we dat bedenken, kan onwillekeurig de vraag opkomen, of het hem dan wel voegt, zoo hautain te schrijven: „Had Prof. Greydanus meer studie gemaakt van het Gereformeerde kerkrecht, dan zou hij zich zeker voorzichtiger hebben uitgedrukt".

En ook is met het oog op deze geschiedenis de vraag geoorloofd, of Prof. Dr H. H. Kuyper ook mogelijk thans nog niet Voetius nauwkeurig genoeg bestudeerd heeft, zoodat ook zijn „zoo dikwijls en zoo afdoende weerlegd, dat het eigenlijk vervelend wordt er nogmaals op terug te komen" misschien wat sterk zou kunnen zijn?

In elk geval: nog in 1923 ontkende ook Prof. Dr H. H. Kuyper het recht van classes, om kerkeraden en kerkeraadsleden af te zetten. Eerst daarna kwam bij hem verandering van beschouwing. Ten aanzien van hem mogen we dus in elk geval wel spreken van „nieuw kerkrecht".

En waar dit toen voor hem nieuw was, die reeds jaren Hoogleeraar was, ook in het kerkrecht, en zoo leidende beteekenis had voor ons kerkelijk leven, voor veler denken en handelen in kerkrechtelijk opzicht, mogen we wel aannemen, dat dit sedert 1925 a 1926 door hem gedoceerde en voorgestane kerkrecht voor vrijwel allen in onze Gerefoi-meerde Kerken destijds nieuw was.

Dat valt ook af te leiden uit wat Prof. Dr H. Bouwman schreef, over wien Prof. Dr H. H. Kuyper mij wel noodzaakt nu ook iets te zeggen. Diens werk „Gereformeerd Kerkrecht" kwam wel uit n a 1926. Maar vóór dien tijd had hij zich ook over de genoemde vraag uit Amerika uitgelaten. We lezen in het Agendum voor de Synode der Chris tel ij ke Gereformeerde Kerk in Amerika van het jaar 1926, in één der rapporten over de genoemde vraag: „Ook de autoriteiten in Nederland van lateren datum stemmen alle met ons in. Allen leeren, dat een Classis een kerkeraad niet kan afzetten. Niet slechts is dit het gevoelen van Dr Rutgers en Dr H. H. Kuyper van de Vrije Universiteit, maar evenzeer van Dr H. Bouwman van de Theologische School te Kampen. Laatstgenoemde schrijft in een gepubliceerden brief aan Dr J. van Lonkhuyzen het vol-^ gende: "Uw vraag, of ik ooit op mijn colleges zou gezegd hebben, dat een Classis een kerkeraad zou kunnen afzetten, bevreemdt mij eenigszins. Ik herinner mij niet dit ooit te hebben geleerd, en ik zou zeggen datdit onmogelijk is (wij spatiëeren)". [n.l. de opstellers van het Rapport.] „Wel kan de Classis den kerkeraad helpen in het afzetten van een ouderling. Ook wel kan een Classis, wanneer de kerkeraad geheel afgedwaald is of in strijd handelt met het recht der Kerk en hare Belijdenis, de gemeente helpen in het kiezen van een anderen kerkeraad, maar de Classis mag niet handelen zonder de gemeente. Ik heb in 1905, toen de kwestie N.-Pekela op de Synode behandeld werd, en ik met Dr Hania en Ds Breukelaar werd gedeputeerd om daar orde op zaken te stellen, dit beginsel krachtig verdedigd. De generale kerken mogen niet doen wat des kerkeraads is. Ook de Classis mag niet doen alsof er geen kerkeraad is. Naar Gereformeerd kerkrecht valt, als het geheele kerkverband (moet zijn de geheele kerkeraad)" [schrijft het rapport] „bedorven is, en er geen normale weg tot genezing is, de macht der Kerk weder terug op de gemeente, en het kerkverband kan en moet dan de gemeente hulp bieden, dat een andere kerkeraad worde gekozen in plaats van den ontrouwen"", blz. 157/158.

Deze brief zal dus ook in 1923 of daaromtrent geschreven zijn. Inzoover Prof. Dr H. Bouwman dus later terzake anders geleerd en geschreven heeft, is er ook bij hem eene verandering van beschouwing gekomen na, d- 1923, en vóór 1926 en vóór den tijd, dat hij zijn „Gereformeerd Kerkrecht" schreef.

Prof. Dr H. H. Kuypers beroep op Prof. Dr H. Bouwman, om het „nieuwe" van dit kerkrecht te ontkennen, heeft dus geene kracht.

Daar nu voor beide deze Hoogleeraren In het kerkrecht vóór 1923, het recht van eene classis om eenen kerkeraad of kerkeraadsleden af te zetten, blijkbaar iets nieuws was, iets ongerïjmds, iets tegen het Gereformeerde kerkrecht indruischends, mogen we wel concludeeren, dat dit destijds het algemeene gevoelen in onze Gereformeerde Kerken was. En blijkens de genoemde vraag uit Amerika toen ook in een aanmerkelijk deel van de Christelijke Gereformeerde Kerk in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika. Dit blijkt ook nog daaruit, dat het rapport der synodale commissie van prae-advies over deze quaestie van het afzettingsrecht van classes, welk rapport ook de twee tevoren bij de synode ingediende rapporten bespreekt, en dat zelf dit recht verdedigt, en aan de synode voorstelde te verklaren, dat eene classis die bevoegdheid heeft, ActaderSynode 1926 van de Christel ij k e Gereformeerde Kerk, blz. 315—332, en bepaald blz. 330, met dat voorstel door de synode alleen maar in de Acta opgenomen, maar toch niet formeel aangenomen werd. De synode besloot aan de praeadviseerende commissie dank te zeggen, en in verband met dat rapport de door dé classis Grand Rapids West geschiede afzetting te handhaven, blz. 142.

(Zie vervolg op blz. 300.)

300 Uit een en ander kunnen we opmaken, dat er in en sedert 1926 eene algemeene omkeering in de bescliouwingen betreffende dit reclit van afzetting door classes in onze Gereformeerde Kerken gekomen is.

Of men nu aan de enkelen, die dezen algemeenen ommezwaai van beschouwing niet meemaakten, dat kwalijk mag nemen, zij hier alleen maar gevraagd. Duidelijk kan nu wel zijn, dat de qualificatie van

„nieuw" bij dit kerkrecht niet zonder grond is.

S. GREIJDANUS.

Een publicatie van de zijde der Vrije Universiteit.

In enkele antirevolutionaire dagbladen van Dinsdag 10 Mei j.l. stond een gelijkluidend bericht, dat we hier laten volgen:

Naar wij vernemen, zal het eerstkomend nummer van het V.U.-blad de volgende mededeeling bevatten:

Directeuren der Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag hebben van Curatoren der Vrije Universiteit het volgend schrijven ontvangen:

In vervolg op de mededeeling in hun schrijven van 11 Mei 1937, dat aanleiding gegeven heeft tot de publicatie Uwerzijds in het V.U.-blad Nr 55 van Mei 1937, hebben Curatoren der Vrije Universiteit de eer U het volgende te berichten:

„Het verschil van opvatting tusschen enkele hoogleeraren onzer universiteit, dat oorzaak was van de polemiek in voormeld schrijven bedoeld, heeft, zoowel wat betreft den inhoud der vraagstukken, als de wijze van behandeling, de volle aandacht van Curatoren gehad en geleid tot vele bemoeienissen van hun College.

Zij hebben aan de daarbij betrokken hoogleeraren gelegenheid gegeven schriftelijk hun opinie in diverse memories nader uiteen te zetten, en ook verschillende besprekingen gevoerd, zoowel met die hoogleeraren als met andere professoren, daartoe bijzonder door Curatoren uitgenoodigd.

Curatoren aarzelen niet, hunne teleurstelling uit te spreken over de publicatie en verbreiding van opvattingen op principieel terrein, die nog niet voldoende in eigen kring zijn bezien, en over de wijze, waarop de polemiek naar aanleiding daarvan is gevoerd.

Nu het evenwel aan Curatoren gebleken is, dat de zaken door de hoogleeraren in eigen kring (z.g. professorenkrans) besproken worden, een wijze van behandeling, welke Curatoren de juiste achten, vertrouwen zij, dat in dit opzicht een herhaling zal worden vermeden.

Curatoren blijven aan de zaak in haar geheel hun volle aandacht wijden."

Bovenstaand bericht, dat min of meer een antwoord kan zijn op de motie-Roermond—Venlo, waarover in ons blad geschreven werd, geeft ons aanleiding tot enkele opmerkingen.

Op zichzelf is er iets verheugends in. Het element, dat wij gunstig achten, geeft ons dan ook aanleiding, het artikel, dat wij verleden week hebben aangekondigd, thans achterwege te laten. Alles wat meehelpen kan om den vrede te verkrijgen, zullen wij — al komt het ook nèg zoo laat, en al moest er ook veel te lang voor gestreden worden — gaarne helpen steunen, gelijk reeds herhaaldelijk verzekerd werd.

Liefst zouden wij dan ook in een officiëele verklaring, als hier boven vermeld, afdoende reden hebben willen vinden voor een algeheel zwijgen. Dit laatste echter lijkt ons nog niet verantwoord, en daarom zullen we toch nog een enkele opmerking ons veroorloven.

Hetgeen in de publicatie aantrekt, is — naast de vermijding van het woord „leergeschillen" — vooral dit: dat de curatoren vertrouwen, dat in de toekomst een herhaling van het gebeurde zal vermeden worden. Minder juist evenwel lijkt het ons, dat zij dit vertrouwen uitspreken op grond van het enkele feit, dat thans de „zaken", waarover de Professoren Hepp en Kuyper een polemiek geopend hebben, voorzoover ze de Professoren der V.U. raken, in den kring der V.U. zelf worden besproken. Immers, de „wijze" waarop de zaak is aangepakt, verdient afkeuring op zichzelf, ongeacht de vraag, of nu al of niet in den professorenkring over de zaken gehandeld wordt. Hetgeen in die wijze van polemiek te betreuren viel, was op gronden, die we thans niet herhalen, in zichzelf te veroordeelen.

Een tweede element, dat ons in het gepubliceerde stuk eenigszins bedenkelijk schijnt, ligt in de uitspraak omtrent een gevoel van „teleurstelling" over „de publicatie en verbreiding van opvattingen op principieel terrein, die nog niet voldoende in eigen kring zijn bezien". M.i. is ook deze clausule minder gewenscht. Want in de eerste plaats maakt ze den indruk, dat, nu men naar den éénen kant een critische opmerking plaatst, ook naar den anderen kant iets in die richting gedaan moet worden, naar het oordeel van Curatoren. Wij hebben daartegen dit bezwaar, dat niet positie gekozen wordt in het strikte recht, doch in utiliteitsoverwegingen. Want — en dit geeft dan nadere motiveering aan ons zoo even genoemd bezwaar — in de tweede plaats achten vidj het een onbereikbaar ideaal, dat ooit ofte immer een toestand geschapen zou worden, waarbij „opvattingen op principieel terrein" eerst dan worden gepubliceerd en verbreid, wanneer ze voldoende in eigen kring zijn bezien. Wie als hoogleeraar werkt, heeft zich voortdurend te vragen, of zijn publicaties staan op den grondslag, dien hij voor al zijn werken vrijwillig eenmaal heeft aanvaard. Deze zelfbinding zal dan steeds, stel dat het noodig is, een rem zijn, aangezet in geval de neiging tot overhaaste publicatie mocht bestaan. Maar veel verder dan deze rem kan men, geloof ik, niet gaan. En een verplichting tot zwijgen, zoolang niet overleg gepleegd is, kan m.i. niet worden opgelegd. Ik geloof ook niet, dat de universiteit ze ooit zal kunnen erkennen. Evenmin als de Theologische Hoogeschool. Een professorenbenoeming is nu eenmaal een zaak van vertrouwen. Het lichaam, dat zulk een benoeming doet, heeft daarom scherp toe te zien, welke opinies zijn voorgedragen door den te benoemen man, dan wel, (in geval er een benoeming geschiedt van iemand, die nog weinig publiceerde), of diens wetenschappelijke gaven en prestaties het in de benoeming uit te spreken vertrouwen wettigen. Verder moet men — met behoud van het gewone toezicht — elkaar zijn gang laten gaan. Wie een rem noodig heeft in den straks bedoelden zin, zal door besprekingen toch niet aan toom te leggen zijn. Indien er fouten van overhaasting in publicatie gemaakt zijn — wij beweren dit niet — dan kunnen die slechts hierin liggen, dat professoren publiceerden tegen den wil van de toeziende instanties. Maar we wezen er reeds op, dat hiervan niets gebleken is. Wel is herhaaldelijk de loftrompet gestoken.

In 't algemeen blijft de moeilijkheid, die men hier in dit bepaalde geval opgelost schijnt te achten, dan ook o.i. zóó groot, dat men beter doet, niet aan de mogelijkheid van een oplossing überhaupt te gelóóven. Werkt niet ieder op eigen gelegenheid? Is het ooit mogelijk, op gang te komen en aan den gang te blijven met college geven, artikelen schrijven, tijdschriften vullen, als men bij eiken tweesprong der gedachten gehouden is tot voorafgaand overleg? Of zijn er niet altijd in eenvoudigheid des harten beschouwingen voorgedragen, waarover later moeilijkheden ontstaan zijn? Heelt niet Prof. Waterink op het terrein der anthropologie met verwijzing naar de christologie een „voorslag" gedaan, waarover later een nadere verklaring gepubliceerd is, nadat van onderscheiden zijde, ook door Prof. Dr T. Hoekstra, bezwaren daartegen waren ingebracht? En heeft nog niet enkele weken geleden in „De School met den Bijbel" de betrokken hoogleeraar geprotesteerd tegen de voorstelling, alsof zijn beschouwingen van indertijd, nader aangeduid als zijn „sooma-psyche-pneuma-theorie", „van de baan" zou zijn? Heeft hij ze niet verdedigd geheel buiten de V.U. om? Heeft ook niet de historie, die nog pas inzake het kerkrecht (kwestie- Drachten) de aandacht van ons volk vroeg, het bewijs geleverd, dat „nieuwe" opvattingen inzake het kerkrecht konden opkomen, zonder dat ze tevoren in academisch overleg konden getoetst worden? Men leze wat Prof. Greijdanus in dit nummer opmerkt onder „Kerkelijk Leven". Heeft niet Prol. Hepp zelf vóór en na zijn optreden als hoogleeraar dingen geschreven (b.v. inzake de analogia fidei), waarover niet alleen van de zijde van Dr J. G. Ubbink destijds, maar ook door wijlen Prof. Lindeboom critiek geoefend is? Nog als predikant van Watergraafsmeer heeft Dr V. Hepp de stelling verdedigd, dat de dogmatiek nauwer contact had te zoeken met de mystiek, en dat ze haar gebouw meer diende op te trekken in den trant der „voorstelling". Heeft hij toen niet geprotesteerd tegen de methode, welke voor elk dogma een bepaalde Schriftuitspraak vordert? Dergelijke opinies zijn onder ons — ook blijkens zijn jongste brochures — geenszins communis opinio; en met name tegen de eerste gevoelt ondergeteekende steeds levendiger bezwaar. Heb ik zelf niet al eens opgemerkt, dat ik niet graag alles voor mijn rekening zou nemen, wat ik vroeger schreef? Ik herinner me, eens tegenover Dr K. Dijk, toen we beiden nog predikanten waren, een citaat, dat hij met instemming van me had overgenomen, te hebben verloochend in dit blad. Genoeg hiervan. Ik acht het niet oirbaar, iemand te verplichten, zijn private meeningen vóór hij ze publiceert, eerst ter toetsing te geven aan een academischen kring; de academische leergang sluit zulke regelingen m.i. feitelijk uit. Wèl acht ik het gewenscht, dat wie voor het volk zóó ingrijpende beschuldigingen uitspreekt als de Professoren Kuyper en Hepp gedaan hebben, zijnerzijds vooraf spreekt met hen, die hij denkt te beschuldigen, indien ze althans elkander zóó na staan, als in het geval der V.U. een feit was. Elke concrete aanduiding in de richting van dit laatste element echter wordt in het stuk der V.U.-curatoren gemist; in plaats daarvan treedt een bezwaar over de spontane publicatie van opvattingen, die geheel thetisch zijn verdedigd en verbreid. Het lijkt ons niet billijk.

Dit voornamelijk acht ik een bezwaar tegen de publicatie van curatoren der V.U.; en met het oog op de toekomst leek het mij niet ongewenscht, hiervan rekenschap te geven.

Overigens zullen we afwachten, wat deze verklaring mocht uitwerken. Het is ons niet bekend, of zij ook o.m. dit gevolg hebben zal, dat de bekende brochurenreeks van het commissie-lid Prof. Dr V. Hepp zal worden gestaakt. Het zou n.l. — tenzij het tegendeel blijkt — weer kunnen gebeuren, dat hij toch met die brochures verder ging, b.v. op de manier, die ook in de laatste brochure gevolgd is. Men herinnert zich, dat daarbij wel meeningen van professoren der V.U. bestreden werden, doch dat de gegeven letterlijke citaten voor ijverige speurders bleken ontleend te zijn aan de geschriften van een ander, die geen professor der V.U. was. Voorts wees ze naar Kampen.

We zullen daarom aan deze academische verklaring geen kerkelijke consequenties verbinden, die men trouwens ook niet er uit halen kan. We hebben onzerzijds in een artikel naar aanleiding van de motie-Roermond— Venlo precies aangegeven, op welke gronden niet, èn op welke gronden wèl de uitgave der brochures binnen het raam van ons kerkelijk leven te veroordeelen was naar onze meening. Precies diezelfde lijn, die in dat artikel aangegeven werd, volgen we nog steeds voor ons zelf. Reeds meer dan anderhalf jaar geleden hebben we zoowel in de pers als ook langs anderen weg ons bezwaar tegen de publicatie van Prof. Hepps brochures kenbaar gemaakt; ter plaatse waar zulks behoort, hebben we dus reeds vóór de synode-zittingen van April j.l., en ook daarna onze houding bepaald, en zullen dit blijven doen. En in afwachting van de langs dézen weg komende dingen volstaan we thans met, naast onze bedenkingen tegen het stuk van Curatoren der V.U., ook onze erkentelijkheid uit te spreken voor het goede element, dat er in ligt; terwijl we voorts, voor wat ons zelf betreft, onze pogingen tot rechtzetting van wat in dezen scheefgetrokken is, zelfstandig zullen hebben voort te zetten. Terwille van de toekomst, waarin discussies over „de publicatie en verbreiding van opvattingen op principieel terrein" nog veelszins noodzakelijk kan worden, achten wij het noodzakelijk, elke ook nog zoo goed bedoelde poging tot pacificatie op een andere dan op de rechtsbasis af te wijzen.

K. S.

Eenzijdigheid?

In den laatsten tijd neemt men het verschijnsel waar, dat principiëele beschouwingen, waarvan de consequentie wordt gevraagd, onder ons soms een bestrijding ontmoeten, welke dan neerkomt op een vermaan tegen „eenzijdigheden". De neiging daartoe verraadt zich — behalve in andere punten — óók nu weer in de bespreking, die in de kerkelijke pers geopend is inzake de schorsing te Drachten.

Ook Ds J. L. Schouten heeft in „Amsterdamsche Kerkbode", onder den titel „Geen eenzijdigheden", zich in dezen geest uitgelaten. Aanknoopende aan het proefschrift van Dr M. Bouwman, merkt Ds Schouten op, dat de door Dr M. Bouwman behandelde kerkrechtelijke kwestie (van het gezag der meerdere vergaderingen) door het schorsingsbesluit van de classis Drachten in het middelpunt der belangstelling geplaatst is, en spreekt hij de hoop uit, dat eenzijdigheden worden vermeden. Zoowel op het recht van den kerkeraad als op dat der meerdere vergaderingen, ook inzake de uitoefening van de tucht, wil Ds Schouten het „volle licht" doen vallen.

Dit laatste nu is ongetwijfeld óók de bedoeling van hen, die tegen Dr Bouwmans kerkrechtelijke opvattingen hun bezwaren hebben ingebracht. En opdat de daaruit reeds verkregen goede winst niet verloren ga, veroorloven wij ons de opmerking, dat een waarschuwing tegen „eenzijdigheden" in dit verband gevaar loopt, de nuttige uitstraling van het ook door Ds Schouten gewenschte „volle licht" te verhinderen.

Ds Schouten zegt, dat, wanneer hiërarchische symptomen ontdekt worden, de nadruk moet vallen op het recht van de plaatselijke kerk; en dat daarentegen, indien zich independentistische verschijnselen voordoen, op het recht van de meerdere vergaderingen de aandacht dient gevestigd te worden. Nu meen ik, dat een andere weg uitnemender is. Niet pas, als er in de theorieën van sommigen afwijkingen optreden, moet men de weegschaal een anderen kant uit doen slaan; doch veeleer moet door grondige bestudeering van wat recht is, voorkomen worden, dat de vigeerende theorie verkeerd, en de practijk daardoor onwettig wordt Overigens weet ik niet, of Ds Schouten in de bezwaren van Prol. Greijdanus independentistische trekken ontdekt heeft. Ds Schouten zegt dit trouwens ook niet Maar anderen zouden het eens kunnen denken. Ik voor mij geloof er niets van, dat ons blad in de artikelen, die het met groeten dank van Prof. Greijdanus mocht ontvangen, den independentistischen kant heeft uitgestuurd. Ik verwijs slechts naar hetgeen Ds Joh. Jansen (Supplement Chr. Encyclopaedic VI, 233) als voornaamste karaktertrekken der Independenten aangeeft. Hij noemt als de punten 6 en 7, dat volgens de Independenten de besluiten der classicale en synodale vergaderingen voor elke gemeente slechts adviseerend en geen beslissend karakter dragen, en voorts, dat de synoden de bevoegdheid missen om een bindende geloofsbelijdenis en bindende formulieren op te stellen.

Nu kan iedereen weten, dat Prof. Greijdanus zijn leven lang tegen deze independentistische opvattingen met woord en daad gestreden heelt. En wanneer deze hoogleeraar er tegen opkomt, dat een kerkeraad zich besluiten opgelegd ziet, welke niet verantwoord zijn tegenover de door de kerken aangegane verplichtingen in de op onderling goedvinden berustende kerkenordening, dan gaat hij daarbij juist uit van de vigeerende kerkenordening, en neemt hij derhalve positie in wat langs den weg van het kerkverband gemeenschappelijk besluit geworden is.

Daarom achten wij het beeld, dat Ds Schouten hier gebruikt, misplaatst. Een ruiter te paard, zoo zegt Wji „moet zorgen, dat hij noch naar de eene noch naar de andere zijde overhelt". Maar wat bereikt men in dit geding met dit beeld? Ik meen van niets. Want het gaat er juist over, of de ruiter op het goede paard is blijven zitten, dan wel op een ander paard is overgewipt. Wanneer in een gezin de zaken niet goed loepen, dan mag iemand, die op verbetering uit is, zich bij het zoeken van den vrede slechts bedienen van de middelen, die hem van rechtswege zijn toegestaan. Als hij tien rechtsmiddelen heeft, en hij gebruikt er maar één of twee, dan is dat inderdaad eenzijdigheid. Maar als hij van de tien geoorloofde middelen er geen één gebruikt en ongeoorloofde middelen kiest, dan is dat geen eenzijdigheid, maar machtsmisbruik. Wie een kind of een schipper op zee eenzijdig voedt, maakt het kind ziek en bezorgt den zeeman scheurbuik; maar wie vergif toedient, valt niet in het kwaad van eenzijdigheid, raasl van zonde tegen het 6e gebod. Overigens bedenke men, dat elke vergelijking hinkt.

En daarom zal het spreken over deze dingen principieel moeten blijven.

K. S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 mei 1938

De Reformatie | 8 Pagina's

KERKELIJKLEVEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 mei 1938

De Reformatie | 8 Pagina's

Bladeren