GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

KERKELIJK LEVEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJK LEVEN

32 minuten leestijd

Hei karakter van het verbond aangetast.

Ons vorig artikel hield zich bezig met Witsius. V/e trachtten aan te toonen, hoe deze theoloog, teneinde zijn verbondsleer sluitend te krijgen, en tusschen geopenbaarde (verbonds-) en verborgen (verkiezlngs-) „dingen" een logische verbindingslijn te kunnen trekken, er toe Itwam, te onderscheiden tusschen een zekere algemeene en een zekere bizondere verbondsgenade. En we zeiden, dat hij op die manier er, althans voor een oogenblik, in slaagde, zijn algemeene definitie van „verbond" nu ooli vol te houden met betrekking tot het genadeverbond. Al wS, s dan ook de prijs, die voor dit wetenschappelijk succes betaald worden moest, te duur.

Te duur; want niet alleen bleeli ons Witsius' constructie (inzake die algemeene en bizondere" verbondsgenade) te lichtvaardig, maar ook — en daarop willen we nu dézen keer komen — maar ook is het slechts in s chij n zoo geweest, dat Witsius er in slaagde, zijn algemeene definitie van een „verbond" in zijn nadere uitwerldng van de détails der verbondsleer trouw te blijven. Het succes van den geleerde, die zijn betoog sluitend maken wil, was ditmaal geen zogen; want in waarheid sloot zijn betoog niét. Feitelijk immers heeft Witsius, om toch maar de verhouding tusschen verkiezing en verbond harmonisch te kunnen construeeren, ongemerkt liet verbond van liarakter veranderd; d.w.z.: hij is in de nadere uitwerking der verbondsleer niet trouw gebleven aan zijn eerste omschrijving van wezen en karakter des verbonds.

Reeds aanstonds springt dit in het oog, als men let op de kwestie der t w e e z ij d i g h e i d van het verbond.

Of, wil men, de vraag van het dipleurische karakter van liet verbond.

hl onze bespreking van de brochure, die Prof. Dr V. Hepp inzake de algemeene genade geschreven tieeft, kwam onzerzijds uitvoerig dit punt ter sprake. Zonder op onze artikelen van toen terug te komen, waarvoor trouwens bij gebreli aan contra-argumentatie geen enkele reden is — mogen we, terwille van de onderscheidene nieuwe abonné's, die ons blad sindsdien boeken mocht, nog dit lierinneren: volgons Prof. Hepp „wijlit" men „af van de beste Gereformeerde theologen uit den bloeitijd", en „ook van de Westminstersclie Confessie", als men „het werkverbond tweezijdig in zijn bestaan en voortbestaan" noemt; Prof. Hepp dorst de bewering aan, dat „de Gereformeerde dogmatiek slechts oen werkverbond leende, dat van liet begin tot het einde e e n- z ij d i g was, d.w.z. van God alleen uitging en door Hem alleen werd in stand gehouden". Loochening van het tweezijdige karaliter van het werkverbond achtte de hoogleeraar „een essentieel bestanddeel van de Gereformeerde schriftuurlijke leer" (tweezijdig = dipleurisch). Hiertegenover betoogden wij, dat Prof. Hepp zich hierin schromelijk vergiste, en hielden staande, dat het verbond, ook, ja, juist, volgens de gereformeerden in den bloeitijd, wederkeerig, tweezijdig, dipleurisch was, al werd het door een monopleurlsche beschikking Gods in het aanzijn geroepen. Meer hierover niet.

Om nu naar Witsius terug te keeren: ook volgens hem is het verbond tweezijdig. Naar zijn doorloopend spraakgebruik is een verbond een „onderhandeling" (a.w. 6), of „conventio" (a.w. 5). Zoolang het gaat om het „maken" (6, facere, pacisci, 5), het mogelijk maken, instellen, in het aanzijn roepen, van het verbond, is er volgens Witsius, sprake van een eenzijdige, monopleurlsche, handeling Gods. Maar het verbond wordt tweezijdig, dipleurisch, door de inwilliging van den mensch, die de beloften van God aanvaardt, ook zijnerzijds beloften aflegt, en den verbondsvloek aanvaardt^). Zoowel werk- als genadeverbond zijn zulk een „onderhandeling" of „conventio" ^);

1) Tot soo verre is het verbondt Gods alleen-sydig, namentlijk aen de syde Gods. Twee-sydig wordt het, als de mensch sig aen het selve verbondt met toestemminge onderwerpt, omhelsende het goedt van Godt beloofd, en wederom belovende een nette onderhoudinge van de vereyschte voorwaerde, en bekennende in geval van schendinge van dien, schuldig te zijn om de gedreygde vloeck te draegen. Dit noemt de Schriftuere over te gaen in het verbondt des Heeren. Deut. 29:12. te komen in den vloek ende in den eedt. Nehem. 13:29 (blz. 7).

Hactenus Foedus Dei ^lovónlevQov, sive tmius lateris es AlnlevQov, sive utriusque lateris fit, cum homo eidem foederi astipulatur. Boniiin a Deo promissum amplectens, conditionis postulatae exactam- observantiam repromittens, qua violata semet ipsum intentatae maledictionis reum ultro fateatur. Hoc vocat scriptura, mni JTI"I33 "1131? transire in foedus Domini, Deut. XXIX. 2, (moet zijn 12, K. S.) & ni713B'31 ni»!*! N13 venire in adjurationem & jusjurandum. NeJi. X. 29. (blz. 5, 6).

2) Het werkvertiond (ook wel „verbont des Wets, der Wercken en der Nature") „is een Onderhandeling tusschen Godt ende Adam, geschapen na Gods beeld, als Hooft en Vorst van het gantsche menschelijck geslagte, waer in God hem beloofde het Leven en Eeuwige geluksaligheit, indien hy op het aldervolmaekste alle sijne geboden gehoorsaemde, met byvoeginge van bedreyginge des doods, indien hy selfs in het alderminste sondigde; en dese voorwaerde niet naquam." (11) Foedus id, est conventio inter Deum et Adamum, ad imaginem Dei conditum, ut Caput et principem totius' generis humani, qua Deus pollicebatur ipsi vitam et felicitatem aeternam, si perfectissime omnibus praeceptis suis obediret, addita comminat'one mortis, si vel in minimo peccaret; Adamus autem in beide zijn „onderhandelende" personen, die „contraheerende partijen" heeten^). En in beide, we merkten het reeds op, zijn de dreigingen aanwezig*).

Bij dit laatste punt evenwel wordt Wits ietwat onzeker. Hij voelt zich op glad ijs. Eenerzij ds is hij toch wel „aan zijn wetenschappelijk zelfrespect verplicht", vol te houden, dat er óók in het genadeverbond dreigingen zijn, dat er heuschelijk een „wraak" óók van dit verbond bestaat. Want hij heeft toch — verledeji week gaven we zijn eigen woorden in noot 4 weer — vooropgesteld, dat de dreiging over den verbondsbreker behoort tot de wezenlijke, de konstitutieve, elementen in alle mo0eU}ke verbond. Kent nu het genadeverbonel de dreiging niet, dan één van beide: óf de algemeene definitie van het verbond heeft dan niet gedeugd, óf... het z.g. genadeverbond is feitelijk geen verbond, lijkt er alleen maar wat op. Men zou dus zeggen: voor den geleerden Wits komt het er ter dege op aan, dat hij ook het genadeverbond een dreiging toekent. Aan den anderen kant evenwel zit Wits met een moeilijkheid. Hij dobbert tussclien ja en neen. „Men kan waarlijk niet ontkennen, datter in do leere van Christus, en van den Apostelen zeer vele dreygementen dickwüs voorkomen, die haar bysonder opsicht op het Genaade-verbont hebben, en die alsoo niet zouden hebben voorgestelt konnen worden, indien er geen Genaade-verbont waare. By voorbeelt, die in Christum niet en sal hebben gelooft, die den raadt Gods tegen zyn ziele sal hebben verworpen, die den Euangelio niet en sal hebbon gehoorsaamt, die sal verdoemt worden"^). Het staat er dus duidelijk, wil Wits zeggen; en hij zou ongetwijfeld nog krasser „dreiging" hebben kunnen aanhalen; ik denk hier met name aan Paulus' uitspraalc aan het slot van de „beroemde" hoofdstuliken Romeinen 9—11: van den boom van het vleeschelijk Israël zijn lieel wat (ongoloovige) takken afgehakt: ziet toe, dat het u, die thans in het Nieuwe Testament zijt ingebraclit, en op Israels stam zijt ingeënt, niet desgelijks verga...! (Rom. 11 : 20—24). Ja, het staat er duidelijk; maar toch heeft Witsius geen vrede met de zaak. Hij is toch met de uitverkorenen, met den UITVERKOREN zondaar, met het „kleine kuddeke", aan wie Gods „welbehagen" het koninkrijk geeft, bezig? Die uitverlcorenon zijn toch do andere verbondspartij? Maar uitverkorenen vallen toch niet uit? vallen toch niet af? Heeft dan cte dreiging nog wel zin? Hoe zit het nu?

Do hooggeleerde Witsius gaat nu wringen, schiliken, schaven.

Hij gaat nu abstralieeren, relativeeren, conditioneeren. Hij gaat datgene doen, wat in den loop der eeuwen de ééne theoloog van den ander steeds met eenig afgrijzen constateert: hij gaat „filosofeeren", of scholastisch redeneeren.

Hij tast eerst het dipleurische karaliter des verbonds aan. '' '

Zegt straks ronduit, dat men den > term „verbond" niet zoo maar gebruilceii mag om het genadeverbond te quaiificeeren.

En brengt straks de verbondsdreiging terug tot de wet, ze, voor wat liet genadeverbond betreft, uit-lichtende uit het „verbond", waar hij ze toch eerst nadrukkelijk toe gerelcend heeft. De professor schendt — met andere woorden — tot driemaal toe zijn eigen aangezicht. Want tot driemaal toe heeft hij met de ééne hand teruggenomen, wat hij met de andere eerst had gegeven.

Om met dat dipleurische karakter te beginnen: alweer voelt de naar een sluitend betoog snakkende geest van Witsius zich verplicht, óók van het genade verbond te erkennen, dat het een con-ventie, een tweezijdige, dipleurische con-vontie is. Hij zegt het dan ook met zooveel woorden. „De mensche... de beloften des

conditionem hanc acceptabat (9). Men ziet, dat de Latijnsche tekst uitvoeriger is dan de Nederlandsche, die trouwens soms heele stukken weglaat. De inwilliging van Adams zijde behoort volgens W. tot het verbond; het is een serieuze con-ventie.

„Het Genaede-verbondt is een onderhandeling tusschen Godt en den uytverkoornen sondaer, waer in Godt verklaert sijn vrywillig behaegen aengaende de eeuwige saligheydt, en alle dingen die daertoe behooren, te geven aen de bondtgenoten om niet, door, en om den Middelaer Christus; ende de mensch door een oprecht gelove dat welbehaegen toestemt" (132).

Foedus gratiae est conventio inter Deum et electum Peccatorem, Deo declarante liberum beneplacitum suum de salute aeterna, omnibusque eo iiertinentibus, foederatis gratis dandis, per et propter Mediatorem Christum: faomine autem per sinceram f idem beneplacito illi astipulante (105). Ook hier behoort de astipnlatie, de inwilliging 'van 's menschen zijde, tof het verbond. Ook het genadeverbond is een con-ventie, volgens Witsius.

3) Voor het werkverbond („onderhandelende Personen", personae contrahentes) Ned. vert. 11, lat. ed. 9; voor het genadeverbond („verbondmaackende Partyen", partes contrahentes) resp. 255/6 en 202. De mensdhen komen hier voor als zondaars, uitverkorenen, en alzoo tot erfgenaamen des levens, ja des eeuwigen levens aangeschreven, uytmakende dat kleyne Kuddeken, aan het weloke des Vaders' welbehagen is het Koninkryke te geven, Luc. 12: 32; en als diegenen, voor welke Ohristus borg geworden is („want dat moet aengeraerkt worden als noodsaakelyk, voor en aleer het Gode betaamt, van zyn genaade met den sondigen mensche te spreeken") (vert. 257; Lat. tekst 203).

4) Voor het werkverbond, vert. 11, 44—68; Lat. tekst: 9, 36—54; op blz. 9 wordt het woord comminatie gebruikt; op blz. 36—54 is sprake van de poenale sanctie. Voor het genadeverbond: Holl. vert. 255, 263—265; Lat. ed. 202, 209—210.

5) a.w. 262/3. Aan den rand: „Sommige dreygementen zyn louter Wettisdh, andere hebben een opsiclit tot het Genaade verbondt". Lat. ed. 209: Negari sane non potest, quin in doctrina Christi & Apostolorum plurimae comminationes identidem occurrant, quae peculiarem suum respectum ad foedus gratiae habent, quaeque ita proponi non potuissent, si nullum foedus gratiae exstaret. Aan den rand: comminationes quaedam pure legales sunt, aliae respectum habent ad Foedus gratiae.

Verbonds op die ordre op welke zy voorgesteld worden aannemende, verbind sich selven door die aanneminge om de plichten, die in de vooriger beloften begrepen worden te betrachten, voor en aleer hy sich van de uytvoeringe der verdere 'belofte kan verzeekeren. En op dese wyse word het Verbond onderling en wederzyds (mutuum). Godt stelt in den Euangelio zyne beloften op een zeekere ordre voor. De mensch word uyt kracht van de wet, voor zoo veel die het genade-verbond bedient, verbonden om die beloften op de zelve ordre te omhelsen. Terwijle het geloove dit doet, verbind sich de geloovige te gelijck tot de betrachtinge van een nieuw leven, voor en al eer hy sich het Geluckzalige leven lieloove: En in dezer voege is het een dubbelzydig verdrag" (conventio dipleuros) ^).

Het verbond wordt dus inderdaad ook nu weer opgevat als tweezijdig; deze regel, voor het werkverbond door Witsius reeds erkend, wordt nu op het genadeverbond overgedragen.

Maar deze lijn wordt door een andere gekruist. Want reeds tevoren heeft Wits iets anders daar tegenover geplaatst. Het genadeverbond is te onderscheiden al naar gelang het op den Borg, dan wel op o n s ziet. Het is, o zeker, „ten opsigte van de b o r g e meer een Verbondt, ten opsigte van ons meer een Testament"'). „Daar en is geen ongerymtheyt in gelegen, indien wy stellen, dat die dispositie van het Nieuwe Verbondt, welke aan den b o r g e gedaan is, de eygene gestalte van een Verbondt heeft, beteekenende een dubbelzydig (dipleurisch) verdrag van onderlinge (mutuae) trouwe; doch dat de andere dispositie die aan ons geschiedt is meer het fatsoen heeft van een Testam e n t, en meer aUeenzydig (monopleurisch) is" ^).

Men ziet het: tweezijdig, en toch weer niet tweezijdig. Het één verteert het andere. En de theologische spreekwijze blijft, zelfs in de nadere onderscheiding, zeer onzeker. Werd er nog ronduit en definitief gezegd, dat ten aanzien van den Borg van een verbond, en ten aanzien van ons van een testament te spreken valt, men zou althans een scherpe onderscheiding hebben gekregen. Maar neen, elke werkelijke uitspraak mitigeert zichzelf; het spel van geven en nemen wordt in de onderhavige pericoop feitelijk permanent. De eigen(lijke), de aan het verbond als zoodanig eigene „gestalte" (notio) des verbonds, die is er ten opzichte van den Borg. Zoo staat het in den tekst; men denkt eventjes, althans daaraan houvast te hebben. Maar 'tis toch niet zoo; want aan den rand staat het weer een tikje minder stellig: het verbond der genade, zoo heet het daar, is ten aanzien van den Borg „meer" (magis) eea verbond. „Meer" een verbond, dan een testament. Dus, toch óók een testament. En wat óns betreft, ons, in onderscheiding van den Borg, de dispositie, die ten aanzien van ons getroffen is, die „nadert meer", die komt meer nabij... tot een testament. Of eigenlijk is ook dat nog weer te scherp: ze komt meer de gelijkenis van een testament nabij (ad testament! similitudinem proprius accedere). Derhalve is ze toch ook nog wel verbond.

De eerste verlegenheid: is het genadeverbond, waarin de uitverkorenen, het „kleine kuddeke", de „algemeone kerke" (259, ecclesia catholica, 205) gelden als de eene der twee partijen, nu tweezijdig, ja, of neen? Van het werkverbond is het stellig beweerd; maar wordt nu bij het genadeverbond een terugtrekkende beweging gemaakt? Ja, te ontkennen valt het niet.

En zoo komt Wits er toe, gelijk we opmerkten, den naam „verbond", als 'ter op aankomt, minder passend te achten voor wat hij toch ook weer zelf steevast het „genade-verbond" noemt. De wig wordt tusschen het genadeverbond en elk ander verbond gedreven; in navolging van Coccejus wil Wits nu scherp onderscheiden hebben tusschen een „testamentair genadeverbond" en een „verbond, dat op een v e r d r a g, een overeenkomst, een wet berust"^). Begonnen met de verzekering, dat hij er niet aan denkt, „testament" en „verbond" uit elkaar te rukken, wordt toch het begrip „testament" aldus uitgewerkt, dat, wel niet in betrekking tot Christus, den Borg, maar wel degelijk ten opzichte van de Zijnen, het substantief „testament" het andere substantief, n.l. „verbond", verslindt. Verslindt, men versta mij wel, op het standpunt van Wits zelf; verslindt, als men n.l. hem zou willen houden aan wat hij eerst over een verbond-in-het-algemeen gezegd heeft.

Het is hier niet de plaats, nauwkeurig na te gaan, hoe Wits tot deze constructie komt, of hoe hij ze aannemelijk maken wil. We hebben met deze artikelen een ander doel. We willen slechts aantoonen, hoe men, èn vroeger, èn tegenwoordig ook onder ons hier en daar, vanwege den ernstigen drang tot een harmonische theorie, en tot het trekken van een verbindingslijn tusschen verkiezing en verwerping, komt tot constructies, die het verbond dan weer van dézen kant, straks weer van den anderen, b'eleedigen en beschadigen. En voor wat dat betreft, is Wits een waarschuwend voorbeeld. Hij schijnt het zelf gevoeld te hebben. Want nadat hij onder verwijzing naar Coccejus en Cloppenburg, en — ietwat vaagjes naar Junius — de redeneering ten beste gegeven heeft, die we kortelijk hierboven aanhaalden, zegt hij: nu moet ge vooral niet denken, dat ik, Witsius, op die manier de verbondsleer op haar kop zet, dat „door dit gevoelen het gantsche fatsoen van een verbondt wordt weggenomen, hetwelke bestaat in een b e- ding en wederbeding". Het woord „berith" (het hebr. woord voor „verbond"), zoo zegt Wits, kan immers alles en nog wat beteekenen (261, lat. 207). Volkomen waar. Maar daar loopt de zaak niet over. De kwestie is maar, of Wits' constructie klopt met de beteekenis, die hijzelf in zijn wetenschappelijk betoog nu eenmaal aan het woord „verbond" gegeven heeft. We geloovon, dit te moeten ontkennen. Stipulatie (beding) en restipulatie (wederbeding), ze zijn eerst met zooveel woorden voorgesteld als behoorende tot alle, en dus ook tot dit verbond. Maar als 'ter op aan komt, dan luidt het: „Het Genaadeverbond... dewyle het bestaat in loutere beloften, schrijft eigentlyk niets voor als een plicht, eyscht niets, beveelt niets; zelfs dat niet: gelooft, vertrouwt, hoopt op den Heere, en wat van diergelijke plichten meer is. Maar het VEBHAALT, BOODSCHAPT, en BETEEKENT ons, wat God in Christo belooft, wat hy doen wil, en doen sal"-"').

Wèg is het schema van stipulatie-restipulatie; wèg zijn feitelijk ook de twee „deelen" van het verbond: belofte en eisch. Wèg is wat heel de inzet van het boek was. Maar het dikke boek verschijnt niettemin; het boek, „dat wordt hoe langer hoe dikker...", maar het verbond is tot een boodschap - 1- garantie versmald.

De eisch Gods als „deel" van het verbond (in alle verbonden twee deelen begrepen), zoo zelden-we, valt bij Wits, goed beschouwd, weg. Feitelijk blijft er maar één ding over, niet als deel, maar als geheel: belofte, toe-zegging. Want plicht, bevel, dat valt allemaal onder de „wèt", zoo zegt Wits").

En hiermee zijn we meteen toegekomen aan het derde punt, waarop we hierboven attendeerden als een der tegenstrijdigheden bij Witsius: de kwestie der verbondsdreiging. Een verbond, dat, als men het nu secuur zeggen wil, niet meer beveelt, dat kan, als men het weer precies neemt, ook niet dreigen. Dreigementen hooren daar, waar plichten worden opgelegd. Plichten hooren bij de wet. Derhalve hooren dreigingen ook bij de... wet. „Alle dreygementen zyn uyt de Wet, welcke Wet ten opsichte van alle haare deelen sich voegt en schikt na het Genaade-verbondt" (264). Want — wat dit laatste betreft, de wet bewijst het genadeverbond haar dienst (265); in Ue prediking van Christus en de apostelen is een „menginge van wet en van Euangelium". Maar als Wits daaraan toekomt, dan breekt meteen in het laatste stuk van zijn betoog de draad af. „In de Predikatien van de Propheeten, van Christus, en van de Apostelen, is een seekere menginge van verscheydene leeringen, die wel met een vaste knoop aan malkanderen gehegt zijn, en waarvan de eene seer bequaamelyk aan de andere ondergeschikt word; maar die nochtans elk in het bysonder tot haare eerste oorspronge gebragt moeten worden, soo dat de beloften der Genaade tot het Euangelium, alle de voorschrijvingen van plichten, en dreygementen tegen de quaaddoeners, tot de wet gestelt moeten worden te behooren" (265).

Hier valt, strikt genomen, de verbondsgehoorzaamheid als zoodanig weg, tegelijk met de verbondsdreiging, en den verbondsvloek. Ze vallen weg in het genadeverbond. Maar het betoog klopt niet. De draden er van zijn niet „met een vaste knoop aan malkanderen gehegt". Want in het vervolg der verbondsgeschiedenis wordt door Wits gescheiden, wat in den aanvang één heette te zijn: belofte en eisch; stipulatie en restipulatie. De wederkeerigheid, de tweezijdigheid trekt gaandeweg in den loop der verbondsgeschiedenis zich terug; het verbondsstatuut versmalt zich, valt van twee deelen op één terug.

Wij critiseeren hier Wits niet. We zeggen alleen maar: ziedaar, hoe men getracht heeft, de moeilijkheden te overwinnen, en tusschen verborgen en geopenbaarde dingen een band te leggen, die het denken bevredigde.

Ontkrachting van het verbond, denaturatie, wegneming van zijn karakter, dat was de prijs, die er voor betaald werd. Ons ter waarschuwing, ook in de huidige ontwikkeling der theologische denkbeelden binnen de Gereformeerde Kerken.

K. S.

Prof. Dr C. van TiL

Onder verwijzing naar hetgeen we inzake personalia elders in dit nummer opmerken, mogen we langs dezen weg onze vreugde er over uitspreken, dat, gelijk ons dezer dagen gebleken is, ook aan Prof. Dr C. van Til (Westminster Theological Seminary, Chestnut Hill, Philadelphia P. A., U.S.A.) het eere-professoraat is aangeboden door de universiteit van Debrecen, ter gelegen-

heid van het jubileum, waarvan onze lezers reeds kennis kregen. Aan Prof. Van Til, wiens „Brieven uit Amerika" door onze lezers om hun informatorisch karakter en principiëele leiding steeds zeer gewaardeerd blijken, willen we ook langs dezen weg onzen hartelijken

gelukwensch doen toekomen.

K. S.

„Kijn genade is u genoeg"^).

Dit is nu eens niet de tekst (of het motto) voor een meditatie of een preek. Het is een troostwoord, gebruikt door het nationaal-socialisme.

Er is na de invoering van de sterilisatie-wetten in Duitschland van „evangelische" zijde een handleiding verschenen, ten dienste van hen, die gesteriliseerde patiënten hebben te verzorgen. Van dit geschrift verscheen reeds een tweede druk. We kunnen dus gerust zeggen, dat deze handleiding officieel is goedgekeurd. Behalve een volledig overzicht van de bepalingen der sterilisatie-wet zijn er zeven deskundige bijdragen in opgenomen over de juiste behandeling der patiënten.

Nu zullen wij ons niet verdiepen in de technische bizonderheden dezer wet, al zou dit op zichzelf al de moeite waard zijn. Slechts wijs ik er op, dat .er niet alleen een wettelijke bevoegdheid bestaat om beperkende maatregelen te nemen t.o.v. het nageslacht (door sterilisatie), maar dat van staatswege ook operatief kan worden ingegrepen in het lichamelijk en innerlijk leven van den enkeling zelf (door castratie, pag. 14—15). Dit artikel wil slechts wijzen op enkele gevolgen van deze praktijken, alsmede op de motiveering er van, zooals die blijken uit dit geschrift zelf. Wie deze dingen leest, moet wel diepe deernis voelen met een volk, dat op deze wijze zich tracht aan te passen aan een i'assen-theorie, terwijl het toch niet blind is voor de ernstige gevolgen daarvan.

Dat de gevaren van deze wet gezien worden, blijkt b.v. op pag. 40—45. Maar tegelijk is het ontstellend hoe zelfs mënschen, die op het „geloofs-standpunt" meenen te staan, zich met een eenvoudig „ja" aan deze wetten onderwerpen, en dat met een beroep op Rom. 13! Als eenige oplossing wordt dan gewezen op de mogelijkheid, het evangelie in deze wet in te dragen — het evangelie van „het bestaan eener wereld, , die uit andere samenhangen en uit andere wetten handelt, die gedragen wordt door het geloof aan gericht en genade, van straf, opstanding en verlossing" (pag. 42). Zelfs wordt door deze wet een onverwachte mogelijkheid geschapen om de waarheid der Schrift te illustreeren; zoowel de waarheid van het tweede gebod met zijn scherpe dreiging („het derde en vierde lid dergenen die mij haten") als de troost van Christus: „Mijn genade is u genoeg"!...

Maar dan komen de moeilijkheden eerst in hun vollen omvang. „Er zijn gesnedenen terwille van het Koninkrijk Gods", zegt de Schrift. Maar in Duitschland zijn gesnedenen, die niet zichzelf vrijwillig hebben opgeofferd voor dit Koninkrijk, maar die van staatswege daartoe gedwongen zijn. En waartoe? Eén van de schrijfsters heeft het heel goed gevoeld, wanneer zij zegt: „De wegen van biologisch denken, die in allerlei vorm tegenwoordig de opvattingen van ons volk beheerschen, bergen het gevaar in zich, dat men de waarde van een menschenleven aan biologische classificaties onderwerpt" (pag. 43). Biologische opvattingen — dat is het juiste woord. Theorieën over erfelijkheid spelen hierin de hoofdrol. Het klinkt heel mooi, wanneer in de (officiëele) toelichting bij de sterilisatie-wet gezegd wordt bij § 1: De wet beperkt zich opzettelijk tot die ziekten, waarbij de erfelijkheid „wetenschappelijk voldoende is nagegaan. Een verlies van waardevol erfgoed is bij de onderhavige erfelijk-zieken niet te duchten". Daar is de wetenschap dus zeker van. Of er bij nakomelingen van deze erfelijk-zieken ook nog kinderen Gods kunnen zijn wordt buiten beschouwing gelaten. Onder de bedoelde erfelijke ziekten valt ook „ernstige erfelijke lichamelijke misvorming". Natuurlijk: die past niet in het plan van den totalen staat. Het doel van de sterilisatie is dan ook, dat „de erfelijke ziekten uit het Duitsche volkslichaam verdwijnen" (pag. 85). Daartoe worden van staatswege operaties goedgekeurd en bevolen die vroeger strafbaar waren, b.v. zwangerschaps-onderbreking (pag. 81).

En nu de gevolgen. Uit enkele gegevens blijkt, dat het aantal gesteriliseerden niet gering is, al worden geen getallen genoemd. In de maatschappij brengt dit ernstige gevolgen met zich rnee. Allereerst voor de patiënten zelf. Zij gaan zich minderwaardig voelen, afgestempeld, tweede-rangs-Duitschers. Daarbij wordt hun de mogelijkheid van een gelukkig huwelijk ontnomen (pag. 38) •— al heeft men ook hier een „troost" gevonden: huwelijksbemiddeling voor gesteriliseerden! (pag. 57). Aangrijpend is het, te lezen over de moeilijkheden, die de patiënten ondervinden in de maatschappij. Het sterkst komt dit uit bij de meisjes. Wanneer het nog onbekend is, dat ze gesteriliseerd zijn, leven ze voortdurend in onzekerheid en angst voor mogelijke ontdekking. En wanneer het eenmaal bekend wordt, zien zij bepaalde relaties verbroken, of zijn ze niet veilig meer (pag. 57).

Onzekerheid — die wordt in de hand gewerkt door het strenge wetsvoorschrift, dat alle bij de sterilisatieprocedure betrokken personen daarover hebben te zwijgen. Zoo groeit in Duitschland een „onzichtbare" gemeente van menschen, die een afzonderlijke klasse vormen in de maatschappij. Van staatswege is gewelddadig ingegrepen in hun levensloop. Hun vooruitzichten en mogelijkheden zijn radicaal veranderd. Aan hun gedachtenleven is een geforceerde ommekeer gegeven. En nu moet de gemeente, nu moet de predikant maar zien, hoe hij in de „zielszorg" deze menschen behandelen zal. In veel gevallen zal men er naar moeten raden, of men inderdaad met een gesteriliseerde heeft te doen! (pag. 58).

Een ontstellend voorschrift is ook de z.g. aangifteplicht. Deze geldt voor doktoren, wijkverpleegsters, vroedvrouwen e.d. Zelfs predikanten, die aan het hoofd staan van een verplegings-inrichting, vallen onder dit voorschrift (pag. 30).

Van vrije zelfbeschikking is onder deze wet geen sprake meer. In § 12 staat uitdrukkelijk: „Heeft de rechtbank definitief tot sterilisatie besloten, dan moet deze ook tegen den wil van den te steriliseeren persoon worden uitgevoerd", en daarbij kan politiehulp worden ingeroepen. De toelichting zegt: „In het uiterste geval zal, voorzoover andere maatregelen niet afdoende zijn, niet kunnen worden afgezien van de aanwending van onmiddellijken lichaamsdwang" (pag. 64).

We zouden nog veel meer uit dit geschrift willen citeeren, als de plaatsruimte dit toeliet. Maar de gegeven voorbeelden spreken duidelijk genoeg. En het ergste is, dat in deze „evangelische" handleiding rondweg de synthese gepredikt wordt tusschen de nationaalsocialistische opvatting van den totalen staat en de „christelijke opvatting van de waarde der enkele menschenziel" (pag. 27). En dit geschrift is nog wel verschenen bij Verlag „Dienst am Leben"! Het is een troosteloos boekje, ondanks de vele „vertroostingen", die men er in vinden kan; zooals b.v. de tekst: „Den geloovige werken alle dingen mee ten goede". Dat is een Bijbelwoord. Maar de Schrift zegt óók iets over de barmhartigheden der goddeloozen.

L. D.

Het rapport der Chr. Geref. Kerk inzake liet antwoord aan de Synode der Geref. Kerken. (III.)

Zoo komen we tot het tweede gedeelte van het rapport: het leerstellig gedeelte. Dit gedeelte wordt in het rapport begonnen met een aanhaling uit de acta van de groote Dordtsche Synode, die uitsprak: „dat men van het geloof der Gereformeerde Kerken te oordeelen heeft niet uit private of bijzondere uitspraken van sommigen, zoowel oude als nieuwe leeraren, maar uit de openbare belijdenissen der Kerk zelf'**). Helaas houdt zich het rapport niet aan deze schoone en juiste uitspraak, want, als het gaat spreken van een systeem, dat ALOM in onze kerken geleerd wordt, worden als bewijzen geen belijdenisschriften onzer kerken aangehaald, maar uitspraken van oude leeraren (Dr A. Kuyper Sr) en nieuwe leeraren (Dr A. Kuyper Jr en Dr E. D. Kraan).

Dit systeem zou kort samengevat volgens het rapport hierop neerkomen, dat men uitgaat als grondbeginsel van het supralapsarisme; daaruit zou dan weer volgen, dat het genadeverbond vereenzelvigd- werd met het verbond der verlossing of den vrederaad (pactum salutis) en dit verbond alleen de uitverkorenen zou raken; dat in Christus als het centrale Hoofd der uitverkorenen, de rechtvaardiging is gerealiseerd, die hierom niet in den tijd, maar van eeuwigheid is. Uit zulk een logisch denkproces zou dan verder volgen, dat zulk een gerechtvaardigde van eeuwigheid ook als wedergeboren moet aangemerkt worden, zoodat de bediening des Woords niet meer den dooden zondaar geldt, maar den reeds in beginsel levend gemaakte. En daarom zou het dan ook geen wonder zijn, dat op grond van de belofte des verbonds, volgens dit systeem, het zaad des verbonds is te houden voor wedergeboren en in Christus geheiligd, totdat bij het opgroeien het tegendeel blijkt^). Vooral tegen dit laatste, de zoogenaamde verbondsleer onzer Gereformeerde Kerken richt zich dan de critiek.

Natuurlijk is het rapport op de hoogte met de beslissingen, die de Synode onzer kerken van 1905 in Utrecht genomen heeft, beslissingen, die noodzakelijk waren met het oog op den strijd, die er onder ons over dingen, die hiermede in verband staan, gevoerd werd, maar het rapport acht die beslissingen onvoldoende. Inzonderheid vindt men het aanvechtbaar, dat de Synode niet uitgesproken heeft, dat het geheel onjuist") is, te zeggen, dat de kinderen gedoopt worden onder onderstelling der wedergeboorte: de Confessie zegt toch, dat zij gedoopt worden op grond van de beloften Gods. (Art. 34 N.G.B.) En hiertegenover zou het rapport willen staande houden, dat het infralapsarisme de leer is der Geref. Kerken, dat er een onderscheid moet gemaakt worden tusschen het pactum salutis ^) en het genadeverbond ^), dat essentieel met Adam en op ceremoniëele wijze met Abraham en zijn zaad opgericht zou zijn®). En de beteekenis van den doop zou slechts zijn, dat het verbond met zijn weldaden aan ons zaad zou worden aangeboden met een sterke aanbieding, maar pas, als dat verbond zou ingewilligd worden door wedergeboorte en geloof, zou het wezen des Verbonds ontstaan^").

Over deze punten zouden we in de eerste plaats willen opmerken, dat hier een misverstand is van de kwesties, die het supralapsarisme ") aangaan. Prof. Dr H. H. Kuyper heeft in „De Heraut" ^^) er reeds op gewezen, dat Comrie, die toch min of meer supralapsarier was, den raad des vredes vereenzelvigde met het genadeverbond, bovendien een rechtvaardigmaking van eeuwigheid leerde, maar ten opzichte van de doopsbeschouwdng stond hij op een geheel ander standpunt dan volgens dit rapport uit het systeem zou voortvloeien. Ma^r ook verder — het is niet waar, dat het supralapsarisme alom in onze kerken geleerd wordt. Onze belijdenisschriften zijn weliswaar infralapsarisch getint, maar het supralapsarisme is nooit veroordeeld als in strijd met onze Gereformeerde belijdenis. Een nadrukkelijk veroordeelen van het supralapsajisme zou dus de vrijheid van profetie zeer aan banden leggen. Maar afgezien daarvan, velen leeren het supralapsarisme absoluut niet en velen zullen meegaan met Prof. Schilder, die in „De Reformatie", 17e Jaargang, no. 52, pag. 421, infra- en supralapsarisme als verouderd heeft geteekend-'^).

Wat aangaat de rechtvaardigmaking van eeuwigheid — zelfs indien door sommige personen alzoo gesproken is als het rapport aangeeft, daarvoor zijn onze kerken niet aansprakelijk. Maar bovendien — in den grond van de zaak waren =t 1905 alle Gereformeerden het met elkander eens. Sommigen zeiden, dat de rechtvaardigmaking van eeuwigheid is, omdat die bij God reeds Igng vaststaat: God ziet den mensch als rechtvaardig, vóórdat hij ethisch rechtvaardig is. En dat zien Gods is hoofdzaak, want het is een rechterlijke daad. God heeft dus reeds in de eeuwigheid ons gerechtvaardigd en ook bijv. in de opstanding van Christus. Hiertegenover hielden de anderen staande, dat de mensch ethisch gerechtvaardigd wordt door het geloof, vreezende, dat die anderen daaraan tegen hun wil tekort zouden doen. In den grond waren zij het volkomen eens. De eene groep gaf toe, dat het geloof onmisbare factor was in de rechtvaardigmaking en de andere groep zag zeer zeker de rechtvaardigmaking in de uitverkiezing. De Synode van 1905 in Utrecht kon dus op grond van Gods Woord besluiten, dat rechtvaardigmaking door het geloof maar niet beteekende bewustwording van rechtvaardiging, maar dat wij inderdaad persoonlijk de rechtvaardigmaking alleen door een oprecht geloof deelachtig worden, maar evenzeer kon zij verklaren, dat het onjuist is te zeggen, dat onze belijdenisschriften alleen een rechtvaardigmaking uit en door het geloof kennen, aangezien èn Gods Woord in Rom. 4:25 èn onze Belijdenis in art. 20 van een rechtvaardigmaking in Christus' opstanding spreekt, terwijl de kerk tevens belijden mag, dat de Zoon van God van eeuwigheid als onze Borg optrad in het pactum salutis, zoodat wij als vijanden verzoend werden^'').

Voorts, dat in onze kerken algemeen pactus salutis en genadeverbond vereenzelvigd worden, is beslist onwaar. Het is wel geschied, o.a. door Comrie, Boston, Rollock en Brakel, maar tegenwoordig geschiedt het niet meer. Zelf heb ik van Prof. Honig geleerd, dat er een groot onderscheid tusschen die beide bestaat, aan de V.U. leert Prof. Hepp eveneens alzoo ^^) en ons aller leermeester op een afstand maakt ook onderscheid tusschen beide, zie maar naar zijn werk: „Wat is de Hemel? " ^^) — hij kan het zelf tegenspreken.

Dat het genadeverbond met Adam of Abraham opgericht is, gaat zoo sterk tegen de Geref. Dogmatiek in "), (Jat ik dat hier niet behoef te weerleggen — ware dit zoo, de troost van de leer, dat Christus de tweede Adam is, wordt ons totaal ontnomen.

M. VREiUGDENHIL.


6) a.w. 262, Lat. ed. 208.

7) a.w. 261; Lat. ed. 207: Foedus Gratiae respectu Sponsoris magis est Foedus, respectu nostri magis Testamentum.

8) a.w. 261; Lat. ed. 207: Nihil est absurdi si contendamus, illam novi Foederis Sia9ri> erjv, quae Sponsort facta est, pro priam Foederis notionem liaijere, significantem pactum mutuae fidei StnlsvQov, alteram autem dispositionem Nobis factam ad Testamenti similitudinem proprius accedere, & magis liavónXsvoov esse.

9) De aangehaalde Nederlandsche vertaling (259) Iaat dit gedeelte weg; maar de Latijnsche tekst, 205, heeft een breede passus, waarin tenslotte opgemerkt wordt: Quae (het voorafgaande) non eo a me afferuntur, quod notiones Foederis & Testamenti confundi velim: sed ut ostendam Foedus Gratiae Testamentarium esse distinguendum a foedere quod pacto conventioneque, sive lege nititur. Ned dissimulo me id in Coccejo invenisse. De Foed. § 87. Unde miratus sum, repertum esse Virum Doctum, eundemque summum Cocceji admiratorem, qui haec carperet.

10) a.w. 262, Lat. ed. 207/8: Sed quod palmardum est, ita hanc foederis contessarationem optime concipi arbitramur. Foedus gratiae, sive Evai^elium stricte sic dictum, quod illius foederis formula est, quum in meris consistit promissis, nihil proprie praescribit ut officium, nihil exigit, nihil mandat; ne hoc quidem, Crede, Confide, Spera in Dominum, & quae sunt similia. Sed refert, nunciat, significat nobis, quid Deus in Christo promittatr quid facere velit, & facturus sit.

11) Omnis praescriptio officii ad Legem pertinet, 208.

1) Dezer dagen werd ons een exemplaar ter hand gesteld van „Das Gesetz zur Verhütung erbkranken Nachwuchses." (Berlin 1937.) Een volledig overzicht van den inhoud van het geschrift is in ons blad, dat ook in de huiskamer een plaats wil hebben, uitteraard onmogelijk; het zou anders leerzaam zijn voor wie nader studie maken wil van de manier, waarop onder nationaal-socialisten de rechten van den „vrijen" burger worden miskend. Toch achten we ons gelukkig, dat op ons verzoek dhr L. Doekes bereid gevonden is, een kort overzicht te geven van de voornaamste punten uit deze handleiding, voor zoover ze n.!. voor publicatie in ons blad geschikt zijn.

Red.

4) Rapport, pg 19.

5) Idem, pg 20.

6) Idem, pg 23, 24.

7) D. w.z. de „raad des vredes" (tusschen Vader, Zoon en Heiligen Geest vóór den tijd). (Red.)

8) Rapport, pg 26.

9) Idem, pg 25.

10) Idem, pg 27.

11) Het kan niet onze bedoeling zijn, de geheele kwestie hier uiteen te zetten. Men leze, wat Dr Dijk schrijft in de

Chr. Ene. Ill, 38—41. Kortheidshalve deel ik hier slechts mede, dat het voornamelijk ging over de vraag of Gods besluit ook over den val gegaan is. Daarmede kwam samen te hangen de vraag, of God den gevallen mensch heeft verkoren of dat God den niet-gevallene heeft gepraedestineerd in Zijn besluit. Het Supralapsarisme (supra = boven, lapsus = val), leerde, dat God besloten heeft Zich te verheerlijken in de redding van sommige en in het verderf van andere menschen, het infra-lapsarisme (infra = onder), dat God besloot sommige gevallen menschen te behouden, anderen in hun verderf te laten.

Supra heeft als orde der besluiten Gods: Verkiezing, schepping, val, genademiddelen, verheerlijking.

Infra: schepping, val, verkiezing, genademiddelen, verheerlijking.

Onze belijdenis-geschriften zijn in infra-lapsaristischen geest opgesteld, doch dit sluit niet in, dat het supra-lapsarisch gevoelen verworpen wordt.

Vele Gereformeerden waren Supra-lapsariër. Bavinck noemt o. m.: Beza, Piscator, Polanus, Gomarus, Maccovius, Voetius, Comrie, Burmannus en vele anderen.

12) Nr. 3126.

13) Prof. Schilder schrijft: De sedert Kuyper en Bavinck weer onder ons tot gemeengoed geworden dogmatische winst, behaald in het gelijktijdig opzeggen van het crediet zoowel aan het infra- als aan supra-lapsarisme, behoort dan ook m. i. te worden gebruikt, ondanks het gepruttel van een enkele, die meent, dat dit gebruiken van verkregen winst afbraak of het opentornen van goedsluitende jassen is,

14) Wat het punt der eeuwige rechtvaardigmaking betreft, verklaart de Synode, dat deze uitdrukking zelve niet in onze Belijdenisschriften voorkomt, maar dat ze daarom evenmin mag worden afgekeurd als de uitdrukking Verbond der Werken en dergelijke, die uit het theologisch spraakgebruik zijn overgenomen; dat het onjuist is te zeggen, dat onze Belijdenisschriften alleen eene rechtvaardigmaking uit en door het geloof kennen, aangezien èn Gods Woord in Rom. 4:25 èn onze Belijdenis in art. 20 uitdrukkelijk spreken van eene objectieve rechtvaardigmaking door de opstanding van Christus bezegeld, die in tijdsorde aan de subjectieve rechtvaardigmaking voorafgaat; en wat voorts de zaak zelve aangaat, dat al onze Kerken van harte gelooven en belijden, dat Christus in den Raad des vredes van eeuwigheid Zich als Borg voor Zijn volk heeft gesteld en hunne schuld op Zich heeft genomen, evenals Hij daarna door Zijn lijden en sterven op Golgotha het rantsoen metterdaad voor ons betaald en ons met God verzoend heeft, toen wij nog vijanden waren; maar dat even beslist gehandhaafd worde op grond van Gods Woord en in overeenstemming met de Belijdenis, dat wij persoonlijk deze weldaad alleen door een oprecht geloof deelachtig worden; waarom de Synode met ernst waarschuwt tegen elke voorstelling, die hetzij aan de eeuwige borgstelling van Christus voor Zijn uitverkorenen, hetzij aan den eisch van een oprecht geloof, om in de vierschaar der consciëntie voor God gerechtvaardigd te worden, afbreuk zou doen. Acta der Synode, art. 158.

15) In „Credo", nr 14: aan de Vrije Universiteit wordt tot op den huldigen dag ook zoo geleerd.

16) Pg 262 en volgg.

17) Tenzij (wat Adam betreft) er onder de gebruikte termen over en weer iets anders verstaan wordt. (Red.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juli 1938

De Reformatie | 8 Pagina's

KERKELIJK LEVEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juli 1938

De Reformatie | 8 Pagina's