GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

VERSLAG van de Herdenkingssamenkomst ter gelegenheid van het Zilveren Ambtsjubileum van Prof. Dr K. SCHILDER, gehouden te Rotterdam-Delfshaven 22 Juni 1939.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

VERSLAG van de Herdenkingssamenkomst ter gelegenheid van het Zilveren Ambtsjubileum van Prof. Dr K. SCHILDER, gehouden te Rotterdam-Delfshaven 22 Juni 1939.

22 minuten leestijd

Zooals vanzelf spreekt werd in het blad, waarvan Prof. Schilder redacteur is, niets geschreven over zijn jubileum. Hij zou nooit zijn toestemming hebben gegeven daarvoor. Misschien zou hij geantwoord hebben op een verzoek dienaangaande: rustig verder werken is de beste jubileumviering.

Toch zullen onze lezers belangstelling hebben voor wat in de herdenkingssamenkomst werd gezegd. Verschillende sprekers hebben immers ook uit hün naam gesproken. En Prof. Schilder's dankwoord was toch ook mee tot hen gericht.

Zonder Prof. Schilder er in te kennen, officieel noch officieus, nemen we hier daarom een verslag op van genoemde vergadering. We willen Prof. Schilder's toorn over deze inbraak in zijn redactioneel huis voor ditmaal riskeeren.

Op ons dringend verzoek stonden Ds Knoop, Prof. Honig en Ds van Dijk hun toespraken in haar geheel af. We zijn hen daar zeer dankbaar voor.

DE UITGEVERS.

Nadat 's middags in de zaal van het kerkgebouw aan de Tidemanstraat een druk bezochte receptie had plaats gevonden, waar Prof. Schilder o.a. namens alle Kerken, die hij gediend heeft en namens het Curatorium en het Studentencorps der Theologische Hoogeschool werd gelukgewenscht, vond 's avonds in het mooie kerkgebouw zèlf de eigenlijke herdenking plaats.

Ds J. Schoonhoven, R'dam-Delfshaven leidde den jubilaris met zijn familie binnen. De kerk was keurig versierd met bloemen en palmen. Vele predikanten waren aanwezig. Natuurlijk was ook de deputatie van den Senaat van het studentencorps van Kampen weer present.

De voorzitter der samenkomst, Ds H. Knoop, liet zingen Gezang 23 : 2, las voor Ef. 4 : 7—12 en ging voor in gebed. Daarna hield hij de volgende rede:

Gever en gave.

Wij zijn hier vanavond te midden van het Gereformeerde volk, dat hij zoo liefheeft en bij hetwelk hij zoo heel dicht staat, samengekomen met den emeritus dienaar des Woords van Rotterdam—Delfshaven, Klaas Schilder; en dat, om te gedenken, dat de Heere Christus hem 25 jaar geleden aan Zijn gemeente heelt believen te geven tot herder en leeraar. Maar ook, om in dat gedenken niets anders te doen dan de offerande van onzen lof en dank alleen te ontsteken voor den Gever. Niets anders, zeg ik; en dat zet ik ook met nadruk voorop. Want de zonde ligt ook hier voor de deur. De zonde, dat wij het accent gaan verleggen van den Gever op den gegevene, van den Zender op den gezondene, om die te zetten in het middelpunt. De zonde, dat wij zoo zouden eeren een mensch, zouden uitgaan om te zien een mensch, die dan ons applaus in ontvangst nemen kan, een mensch, die vandaag nog leeft en onder ons werkt, maar van wien wij morgen moeten zingen:

„Men kent en vindt zijn standplaats zelfs niet meer." Wij mogen en moeten niet anders jubileeren — en dat kan alleen als we ons daarin onvoorwaardelijk binden aan de Schrift — dan zóó, dat het kan bestaan voor God, Die zelfs elk ijdel woord ons in rekening brengt. En voor God kan het alleen dan bestaan, als alle wierook wordt onstoken* en gebrand voor Hem. Want God alléén is groot. Menschen zijn op zich zelf altijd klein. En God alléén blijft. Menschen, ook in den hoogsten dienst der kerk, kómen en zijn hier den tijd, dat ze hier vertoeven en arbeiden, maar gaan onherroepelijk, om plaats te maken voor anderen. Wie dan ook maar één korrel wierook ontsteekt en brandt voor zulk een mensch, die berooft God, ontneemt Hem Zijn toekomend deel, zet een sterveling op de plaats van Hem, Die alleen onsterfelijkheid heeft. Die valt toe aan het personalisme, hetwelk afgodendienst is. Die zonde ligt vanavond voor de deur.

Daarom willen wij nu, bij dit ambtsjubileum, ons binden aan de Heilige Schrift. Al zijn we ook niet saamgekomen tot de bediening des Woords, we zijn hier toch onder beslag van het Woord.

En dan denk ik bijzonder aan het gedeelte, dat ik u zooeven las, waarin ik voor vanavond een en ander onderstreep.

Het eerste wat ik onderstreep zijn de woorden: en Hij heeft gegeven die tot herders en leeraars, om de kudde des Heeren door onderwijzing te weiden in het

V^foord. Met dit woord zet de Schrift, de Heilige Geest, de herder en leeraar voor de gemeente en voor hem zelf op zijn plaats, op een plaats, waarop hij zelf, al is het na 25-jarigen dienst moet blijven staan, en waarop de gemeente hem ook altijd moet laten staan. Want de ordening van Christus mag niet gebroken worden.

De herder en leeraar is een aan de gemeente gegevene door Christus. Door Christus; Hij, Die, zooals het in het verband heet. Zichzelf heeft vernederd, maar daarna werd verhoogd tot de allerhoogste macht en heerlijkheid. Door Christus, de Heer der kerk, die souverein, maar genadig voor haar zorgt; omdat ze Zijn lichaam is, dat Hij kocht met Zijn bloed; omdat ze Zijn bruid Is, die Hij wel zeer bemint. Zij kan en zal nooit zonder herders en leeraars zijn, want zij is nooit zonder Hem.

Hij heeft haar die tot herders en leeraars gegeven. Dat geven van Christus komt reeds uit in de v e r- Iciezing Gods. Want gij kunt Zijn geven in den tijd, als den verhoogden Heer niet als „los" denken, niet losmaken van Zijn geven van eeuwigheid. In Zijn souverein welbehagen heeft God van eeuwigheid in het boek, dat voor Zijn aangezicht is, geschreven: die; dat Hij dien verkoor tot den dienst van herder en leeraar in Zijn kerk. In den mensch lag daartoe niets. Maar Hij nam daartoe redenen uit Zichzelf. Opdat geen vleesch zou roemen voor Hem.

Zoo gaf Hij aan Zijn verkoren gemeente reeds van eeuwigheid in Zijn verkiezing die tot herders en leeraars.

Hij heeft gegeven die tot herders en leeraars in Zijn roeping.

Daarna werkt Hij Zijn verkiezing uit. Die roeping doet Hij haar aanvang nemen daarin, dat Hij den verkorene doet geboren worden, doet Hij voortgaan doordat Hij in zijn hart werkt de begeerte tot den dienst van herder en leeraar en zijn ganschen levensweg leidt zóó, dat hij ook wórdt herder en leeraar. D.w.z., dat Hij met dat leven van dien mensch alles doet, wat moet dienen Hem te leiden tot zijn bestemming, dat leven zelf ook activeerende om dien weg bewust te zoeken en te gaan.

Zoo geeft Hij aan Zijn verkoren en geroepen gemeente, die plaatselijk institutair tot openbaring gekomen is, die tot herders en leeraars.

En Christus, de Gegevene, gééft nu in de volle werkelijkheid, dat is in aanstelling, telkens weer aan de gemeente die, die daar bevestigd is en zijn intrede heelt gedaan, tot herder en leeraar.

Dat geven nu, in gansch den weg, dien het gaat, is genade-openbaring van den Christus; is vrije gunst èn over Zijn gemeente èn over de herders en leeraars. Maar dat is tegelijk de hoogste heerlijkheid en eer en de grootste vreugde voor de gemeente, telkens weer als zij den herder en leeraar in haar midden ziet in de uitoefening van zijn dienst: een gegevene door Christus zelf. Dat is tegelijk de hoogste heerlijkheid en eer en de grootste vreugde voor den herder en leeraar, telkens weer als hij zijn dienst als herder en leeraar uitricht in de gemeente; als hij beklimt den kansel om het Woord te openen, of van den kansel afdaalt om de sacramenten uit te reiken, als hij zit aan het ziekbed, of komt bij ongehoorzamen en gevallenen: een gegevene door Christus zelf.

Dit alles nu geldt ook van ü. En Christus heeft Klaas Schilder gegeven aan de gemeente tot herder en leeraar. Eer iets van u begon te leven, stond in Zijn boek uw naam: verkoren tot herder en leeraar.

Een van eeuwigheid door Gods souverein welbehagen tot dezen dienst verkorene zijt gij. En zóó der gemeente gegeven. Zóó en niet anders mogen vidj u zien.

Toen kwam de roeping. Om door Hem geroepen te kunnen worden moest igij zijn. Daarom heeft het Hem behaagd uw vader en moeder aan Zich dienstbaar te maken. Daarom heeft die vrouw, die gij uw lieve moeder hebt mogen noemen, haar nood om u moeten hebben, en toen en toen, daar en daar, u in de gemeenschap van Gods verbond gebaard. Hém gebaard. Als tot den dienst van herder en leeraar in de kerk heeft zij u verzorgd, toegedekt in de wieg, gevoed, opgevoed. En zij wist van dat wonder van vrij welbehagen niet. Maar het was. Die roeping ging de Heere aan u effectief maken. Zij opende uw begeerte voor den dienst van herder en leeraar. Zij opende ook wegen en gal middelen. Zij deed u den weg zoeken en gaan. En in dat alles was de Heere menigmaal wonderlijk.

Een door God verkorene en geroepene tot den dienst van herder en leeraar zijt gij. En zóó der gemeente •gegeven. En toen op Zondag 21 Juni 1914, uw bevestiging had plaats gehad en gij bij uw intrede voor de eerste maal de gemeente den zegen gaaft — toen was iiet in aanstelling: een Christus heeft Klaas Schilder gegeven tot herder en leeraar aan Zijn kerk, gelijk Hij die in Ambt-Vollenhove A tot openbaring heeft gebracht. En of Hij u nu riep naar Vlaardingen, Gorcum, Delft, Oegstgeest of Rotterdam—Delfshaven, het blééf: en Christus heeft u gegeven aan Zijn gemeente tot herder en leeraar.

Dat geven was genade over Zijn gemeente, een geschenk van den Bruidegom aan Zijn beminde bruid. Dat geven was ook genade over u; een stellen tot vriend des Bruidegoms. En wij gedenken vanavond samen hoe net den Christus heelt behaagd deze genade over Zijn gemeente en u 25 jaren te bestendigen: en Christus heeft u. Klaas Schilder, 25 jaar gegeven tot herder en leeraar.

Zóó willen wij het zien vanavond, omdat we het, naar Qe Schrift alléén zoo mogen en moeten zien. En dat zoo ziende laten wij u staan op de plaats, waar Christus u heelt gezet. Maar dan, wat dunkt u, broeders en zus- 'ers, waar is dan, nu Christus' vrije gunst over Zijn gemeente in dit land daarin is uitgekomen, dat 25 jaar lang deze Klaas Schilder, aan die gemeente is gegeven, de roem over dien mensch? Die is uitgesloten!

Wat dunkt ü, gij 'herder en leeraar, waar is, nu V'toistus' souverein welbehagen ui aan de gemeente 25 •laar lang gegeiven heeft tot herder en leeraar, de roem over u? Die is uitgesloten!

Daarom: geloofd zijl de Heere, de God Israels, van eeuwigheid en tot eeuwigheid; en al het volk zegge: ^a. Halleluja!

Het tweed« wat ik nu, in het voorgelezen Schriftge­ deelte londerstreep, zijini de woorden: laan elkeen van ons echter is de genade gegeven naar de mate van de gave van Ohristus.

Ellkeen in de gemeenschap der kerk, ook eilkeen van de herders en leeraars, heeft Ohristus wéér „gegeven" de genade; de genade, die elke gaive werkt, die in elke gave openbaar is; die ook met elke gave in wezen één is. Die genade-gave is taai gegeven naar de mate der gave van Christus, d.w.z. naardat de genadegave, die Christus aan een ieder verleent, , groot is. Christus is de Gever. De gave is het gegeven deel. De omivang), de grootte van dat gegeven deel is door Christus beipaald. Hijj ia daarin souverein.

Dat beteekent dus, dat de onderscheiding in de gemeente en onder de herder® en leeraars iniet uit de menschen opkomt, maar uit Ohristus. Die ondersöheiding openbaart dan ook d© veelkleurige wijdheid Gods. En ook daarin is Chrisittis weer alleen groot. Zoo is het, dat nieimland iets heeft en iets is. Ook onder de herders en leeraars. Wat ieder van hen beteekent is uit Christus.

Ook dit geldt van u. Hij heeft u gegeven tot herder en leeraar. Tot een herder, die maar opdracht van den Groeten Herder der sohapen, de kudde Gods heeft te weiden als leeraar, door die bepaalde openbaring en speciale uiting van het herder-zijln. Giji hebt de gemeente moeten weiden in het Woord door onderwijteing, door opening der Schriften, door haar te wijzen op de heerlijkheid der openbaring Gods.

Welnu, daartoe is u gegeven de genade naar de mate vani de gave van Christus. En waarlijk. Hij, , Die u ga.it, heeft u in het geven van gaven tot de uitriohting van uw dienst, niet karig bedeeld. Hij gaf u, ik zou Mjiua zeggen: angstig veel. Gij aijit, wat de maite van de gave van Christus aangaat, wel een bijizonder geschenk van den Christus-in-Zi]b.-genade aan Zijn kerk in dit land in dezen tijd.

Hoe heeft Hï; ! u gegeven de genade-gave om de Scihriften te openen naar de mate van Zijn gave. En hoe hebt ge zoo de schapen van Christus door onderwijzing geweid in het Woord, poorten ontsluitend, perspectieven openend, al wijder. Hoe hebt ge uit den schat des Woords waarlijk mogen voortbrengen nieuwe en oude 'dingen. Hoe klonk door uw dienst des Woords Zijn goddelijke eer alom! Ein hoe heeft het volk, dat niet zich zelf en zijb. eigen zaligheid, maar de waarheid Gods liefheeft, , dat dicht bij het Woord wilde leven en hongerde naar zijin opening, u verstaan en gejuicht als het zag de heerlijkheid der openbaring Gods door uw dienst. En 'hoe heeft het den Gever van dit aUes gedankt.

Daarom, als wijl vanavond op dien 2S-jarigen dienst van herder- en leeraarschapsopenbaring met u terugzien^ dan zien wij' vani ü af en óp naar Hem, zonder wiens genade wiji u unlet uw gaven niet zouden hebben gehad. Dan zien wij op naar den Christus; en meen, dan vlechten wij' geen Ikrans voor u, maar voor Hem, om die te leggen aan Zijb doorboorde voeten; dan danken wij ootmoedig — en gij zijt er ons zóó des te liever om — Hem, dat Zijmi kerk u mocht ontvangen uit Zijn handen; wijl roemen den verheerlijtten Heer:

Gij voert ten heim(el op, vol eer; De kerker werd uw buit, o Heer! Gijl zaagt uw' strijd bekronen 'Met gaven, tot der mensdhen troost; Opdat zelfs 't wederhoorig kroost, . Altijd bijl U zou wonen.

•Het derde en laatste wat iik in het voorgelezen Schriftgedeelte omiderstreep zijn de woorden, die het doel aangeven, 'dat de Christus beoogt met Zijin geven.

Hij! heeft dié gegeven tot herder en leeraar, en Hij gaf dié die gaven: met het oog op de volmaking der heiligen; om de heiligen, , door de idtriohting van dezen dienst zóó te zegenen, dat zij volledig zouden worden toegerust om als heiligen des Heeren uit te kuimen komen in alle ding, in elke openbaring van hun leven, op alle terreinen. De Bruidegom kan niets anders doen dan zorgen voor Zijn bruid; haar heerlijikheid is Zijn. verlajngen, 't doel, dat Hij zoekt te bereiken.

Hij heeft dié gegeven tot herder en leeraar, en Hij gaf dié die gaven: tot het werk der bediening, dat is, opdat die toegeruste heiligen tot de bediening van het aimibt der geloovigen practisoh zouden worden bekwaamd en zij: in kerk en wereld nu ooik inderdaad optreden als profeteni, priesters en koningen. Want de levensdienst van de bruid is de 'heerlijikheid vanj haar Bruidegom.

Hij heeft dié gegeven tot herder en leeraar, en Hijl gaf dié daartoe die gaven: tot opbouw van het lichaam van Ohristus, opdat 'het huisi Gods, hetwelk wij zijn, naar het gemaakt bestek, in den tijd zou rijfeien in zijta geheel en zijto. deelen, in elke levende steen, tot de allerkleinste toe, en zoo de temipel Gods in heel het leven zou worden ingebouwd, totdat het steigerwerk zal worden afgebroiken, omdat God nu kan zijn alles in allen.

Want de Biuidegom worstelt om Zijin eeuwigen ruidsdag, den bruidsdag van heel Zijn schepping.

Dat was ook het hooge doel van den dienst, waartoe Ohristus u, met uw 'door Hem) gegeven gaven, gaf in verkiezing, roeping en aamstelling. Wiji, die oip uw 25jarigen dienst zien, weten, dat gij u, als een slaaf van Christus Jezus, aan dat hooge doel geheel hebt overgegeven in uw dienst en daar als door verteerd werd. Hoe brandden uw genegenheên, om 's Heeren voorhof in te treên. Uw ziel bezweek van sterk verlangen. Uw hart riep u tot God, Die leeft!

En om te gedenken Ohristus' arbeid door uw dienst aan Zijb. 'kerk, de worsteling van den Bruidegom om Zijn bruid ten volle bruid te doen zij'n, zijn wijl vanavond samengekomen. Want heel uw program van actie was van Hém'. Waar is onze roem over li, mensohenkind? Die is uitgesloten. Want Christus alléén is groot.

Daarom neemt ge voor uw, rekening de woorden van den onvergetelijlken S i k k e 1, met •wien ge zooveel geeen hebt in strijd, miskenning en liefde, die ge geeft en ontvangt, in zijn preek over: 'het vruchtdragend tarwegraan, bij de herdenking van zijia 25-jarig ambtsjubileum, aarin hiji verklaarde: Neen mijn roeping en dienst zijn niet ijdel in den Heere. O', ik Weet het. Ik weet het oor Gods genade, alle zelfverheerlijking is onvruchtaar; en ik aanbid den Heere, óók voor die onvruchtaarheid; ik begeer de vrucht uit mdjzelven niet. Ik wil óók door Gods genade liever sterven dan leven, opdat 311 ik leve door 't geloof des Zoons van God alleen, Die ook mij heeft liefgehad, en Zichzelf voor mij heeft overgegeven. Maar mijb vrucht is dan ook uit Hem gevonden, , voor zooveel ik ook door Zijn genade in mijto. dienst sterven mocht.... Uit mij! zelf zijni enkel duisternis en dood, nevel en rook, dwaasheid en zonde. Wat in mijn 'dienst Grade tot eer en anderen tot zegen was en is, dat is enkel vruciht van de genade Gods in mij; vrucht alleen van het lijlden en sterven van den Heere Jezus Christus'; vrucht vani het tarwegraan, dat stierf en vrucht voortbrengt. Het ziaad des Woords, dat ontlkiemde, vrucht droeg onder mijn dienst, bind ik in die vrucht tot een schoove saam, en ik leg haar met de liefde en den lof mijiner ziele neder aan de doorboorde voeten van den Zoon van God."

E'n wijl doen dat met u. Hoe zou omize jubileumviering liggen onder 't oordeel Gods, als wijl 't anders zouden durven. Wij doen dat met de bede, waarin zich ook de uwe mengt. O' Christus, Gever, blijf verheerlijken U zelf daarin, dat Gij. den dienst van dezen^ door U gegeven herder en leeraar, met deze gaven Uwer genade begiftigd, besliendigt nog lange jaren: tot volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouw van het liohaam van Ohristus.

Nadat gezongen was Psalm 68 : 9 hield Prof. Dr A. Honig de volgende toespraak:

Toespraak door Prot Honig.

Geliefde Broeders en Zusters,

Voor mij is de tijd gekomen, dat ik mij uit het openbare leven almeer moet terugtrekken. Onze God laat mij nog het voorrecht, dat mijn geest helder en mijn lust tot studie en schrijven onverzwakt is, maar het bijwonen van en het spreken op samenkomsten en het da.araan verbonden voorrecht vele bekenden en vrienden de hand te kunnen drukken —• hoe aangenaam ook op zichzelf — grijpt mij te zeer aan en vermoeit mij in niet geringe mate. Ik klaag daarover niet, al zijn er mannen van mijn leeftijd, die dit nog zonder bezwaar kunnen doen. Veeleer stemt 't mij tot innigen dank aan den Vader der lichten, dat ik op mijne studeerkamer nog werken en de belangen Vcin het Studiefonds aan onze Theologische Hoogeschool behartigen kan — al is het straks vijltig jaar geleden, dat ik mijn Candidaatsexamen allegde, voor 'teerst voor de gemeente optrad en voor 'teerst een beroep ontving.

Dat ik toch voor deze leestelijke bijeenkomst eene uitzondering maakte en de gewaardeerde uitnoodiging van het Huldigings-Comité, als zijn Eere-lid te willen optreden en een kort woord te willen spreken, aanvaardde, vloeit hieruit voort, dat prof. Schilder mij door zijne toegenegenheid en hoogachting herhaaldelijk verblijdde en ik hem, sinds 5 jaren niet slechts mijn begaafden leerling, maar ook mijn opvolger, reeds langen tijd liefheb en mij aan hem verbonden gevoel.

Het stemt mij tot hartelijke vreugde, dat prol. en mevrouw Schilder hun zilveren huwelijksfeest met hunne kinderen vieren mochten en het moge niet misplaatst zijn, dat ik hen hiermede nogmaals warm gelukwensch. Onze hemelsche Vader schonk hun een gelukkig huwelijksleven en stortte een stroom van weldaden over hen uit, waarvan deze waarlijk niet de minste was, dat Mevrouw zichzelve zoo bewonderenswaardig verloochende en steeds er op uit was, zooveel mogelijk voor haar Man te zijn.

Dan, onze aandacht heeft zich nu te richten op het feit, dat het gisteren vijl en twintig jaar geleden was, dat de jeugdige proponent Schilder het predikambt te Ambt-Vollenhove (A) aanvaardde. — Niet waar, broeders en zusters, het is eene groote genade en eere, als de Koning der Kerk een man roept, om Zijn ambassadeur te zijn? Welk kind van God kan zonder bewogenheid des harten hooren de machtige woorden, die wel allereerst van de Apostelen golden, maar toch ook voorts op de dienaren des Woords slaan: Zoo zijn wij dan gezanten van Christuswege, alsol God door ons bade: Wij bidden van Christus' wege, laat u met God verzoenen? En zou er wel een Godvruchtig predikant geweest zijn, in wiens hart nimmer de gedachte rees: Heere, hoe is 't mogelijk, dat Gij mij arm schuldig zondaar tot zulk een eervol, maar tevens zulk een verantwoordelijk ambt roepen wildet?

Allereerst de zes gemeenten, die prol. Schilder achtereenvolgens had, maar dan ook voorts de tallooze kerken, die hij in deze 25 jaren op een ol meer rustdagen diende, hebben 't wel verstaan, dat diep in zijne ziel leelde de (gedachte: Christus is het Hoofd der Kerk en ik ben niet meer dan Zijn gezant; Christus is door den Vader verordineerd en met den Heiligen Geest gezalfd tot den hoogsten Ambtsdrager, tot Proleet, Priester en Koning, maar Hij wilde op Zijn beurt onder Zich al de zijnen, maar inzonderheid de Dienaren des Woords tot ambtsdragers maken en bekwamen .Vandaar dat hij in zijne preeken ook over O. Test. stollen, niet rustte, voordat de Christus daarin op den voorgrond trad; voordat de ambtsgedachte belicht en voordat het ambts- en roepingsbesef bij de hoorders gewekt en versterkt was.

In deze ambtsperiode heelt Ds Schilder het zich niet gemakkelijk gemaakt. Hij worstelde met het Schriltgedeelte, dat hij ter behandeling gekozen had; hij bleef niet staan bij de oppervlakte, maar hij peinsde en dacht, totdat hij eerst voor zichzelven de parel in zijn tekst gevonden en hij haar daarna aan de gemeente in al haar schoonheid getoond had. En gelijk voor hemzelven de voorbereiding voor de prediking en de predilcing zelve werken was in het zweet zijns aanschijns, zoo vroeg hij ook van wie hem hoorden het naarstig gebruiken van de zielefunctie's, welke de Schepper aan ? .ijne schepselen schonk. Vandaar dat meermalen de klacht werd geuit: het gaat mij te hoog en te diep — maar toen ik voor jaren eens te Gorkum preekte, zeiden mijn gastheer en gastvrouw tot mij: De gemeente streefde er van meet af naar. Ds Schilder te begrijpen, zij spande zich daarvoor al meer in, geleidelijk gelukte het haar en daarvoor ontvangt zij thans het loon, zoodat zij in l breeder getale met groote blijdschap opgaat naar de voorhoven des Heeren. Zoo zocht onze Jubilaris de gemeente te bouwen op haar allerheiligst geloof, haar te lundeei'en in de Schrilten, haar te waarschuwen tegen

312 de dwaling en haar te troosten bij den soms zoo zwaren

en bangen strijd des levens. Vijf en twintig jaar was 't gisteren geleden, dat Ds Schilder bevestigd werd in het predikambt. Dit bracht mee, broeders en zusters, dat ik zijn kanselwerk op den voorgrond plaatste. Dan, ik wil en mag er niet van zwijgen, dat de Schepper der geesten hem met talrijke schitterende gaven sierde en hij een theoloog en auteur van bijzondere beteekenis geworden is. Het is hier niet de plaats, daarop breeder in te gaan en een karakteristiek van zijne diepzinnige geschriften te geven. Alleen wil ik nog even aanhalen de geestige opmerking van een bekwamen Hervormden hoogleeraar: Voordat wij nog het laatste boek van Schilder geheel uitgelezen hebben, verschijnt van zijne hand reeds weer een ander.

Dan, ik beloofde slechts een kort woord over onzen geliefden Jubilaris te zullen spreken.

Maar voor ik eindig, toch nog dit. Wie is gedurende het vierde eener eeuw predikant, theoloog, auteur en journalist geweest, zonder zonden en gebreken? Welke Christen vierde ooit een jubileum, zonder aan den vooravond daarvan in de binnenkamer gesmeekt te hebben: Heere, treed met uwen knecht niet In het gericht?

Amice Schilder, zoo is 't ongetwijfeld dezer dagen ook met u het geval geweest.

Heerlijk, dat er bij den Heere vergeving is — milde en zalige schuldvergeving!

Met hun bloed zouden jubileerende dienstknechten van Christus willen onderschrijven dat innige: Welzalig is de mensch, wien 't mag gebeuren, dat God naar recht hem niet wil schuldig keuren.

En in die blijde zielservaring zult gij den Heere ook beloofd hebben, meer nog dan te voren er u naar uit te strekken: aller zonden vijand te zijn, lust tot alle gerechtigheid te hebben en te bidden: Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren!

Uwe feestviering blijve een mijlpaal in uw leven, die u nog rijker maakt. En u nog dichter brengt bij Hem, over Wiens lijden gij zulk eene schoone en breede studie geschreven hebt.

En terwijl wij U, o God aller genade, gaarne danken voor het vele, dat Gij aan uwe kerk in Ds en Prof. Schilder geschonken hebt, bidden wij tevens van U af, dat Gij hem nog een langen en gezegenden arbeidsdag schenken moogt en aan hem en zijn huis waar maken wilt:

Uwer knechten trouwe zonen Zullen altoos bij U wonen; ' Ja, bevestigd in hun staat. Voor uw aanschijn met hun zaad. Uwen Naam ter eere leven, Zij, van smart en smaad ontheven, Blijven aan uw dienst geheiligd, Daar uw Goedheid hen beveiligt.

Nadat dit Psalmvers (102:16) gezongen was, hield Ds D. van Dijk een toespraak, waarmee we volgende week verder gaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 juni 1939

De Reformatie | 8 Pagina's

VERSLAG van de Herdenkingssamenkomst ter gelegenheid van het Zilveren Ambtsjubileum van Prof. Dr K. SCHILDER, gehouden te Rotterdam-Delfshaven 22 Juni 1939.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 juni 1939

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken