GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

LITERATUUR EN KUNST

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

LITERATUUR EN KUNST

10 minuten leestijd

Naar aanleiding van een gedicht van Da Costa.

The just mean lies in obedience, which both waits for the signal to start, and obeys it when given. ***

HET PAARD.

Het krijgspaard, in wiens aam de roode dampen [snuiven- Van d' opgezwollen moed, die hem de borst [vervult, Doet met zijn ijz'ren hoef den grond rondom [hem stuiven. Daar 'tuit te breken poogt in prikkelend [ongeduld! Met vaste hand en knie bedwingt hem zij'n [berijder, Totdat de schelle klank der krijgstrompetten [stijft! Maar 't teeken wordt gehoord! nu viert de [forsche strijder De teugels van het dier, dat naar de ontmoeting [hijgt! Het voert zijn meester, als op vleugels, ter [yiktorie. Springt tegen kogels in, en over lij'ken heen; En, door gehoorzaamheid deelachtig aan de [glorie. Is 'toorlogshafte ros met zijn berijder één! — Mijn God, mijn ziel verlangt voor U ten strijd [te spoeden! Maar gaat die zucht te ver, ó! tem mijh ongeduld! Het klommen van Uw toom zal mij de hoop [doen voeden. Dat Ge in den dag des strijds mijn Ruiter wezen [zult!i)

Als we dit gedicht goed zullen verstaan en waardeeren, hebben we, globaal uitgedrukt, op drie dingen onze aandacht te richten.

Allereerst op den zin, die in het laatste viertal verzen tot uitdrukking komt; dan op het beeld van liet paard en zijn berijder, waarin die zin plastisch gestalte aanneemt; eindelijlc op den t a a 1 - y o r m die beeld en zin in scherpe contouren voor ons concretiseert.

Wanneer we het zoo stellen, gaan we welbewust in tegen de opvattingen van den aestheticus en iilcsoof Benedetto C r o c e, wiens werken in den laatsten tij'd geen geringen opgang maakten. Hier te lande werd hij vooral bekend door zijn „Breviario di Estetica", dat in een geautoriseerde vertaling van voornamen stijl het publielc werd aangeboden. ^) Zijn definitie van de kunst als intuïtie veroordeelt alle toetsen van een kunstwerk aan de normen der moraal: „daar zij (de kunst) niet geboren wordt door het werk van den wil, onttrekt zij zich evenzoo aan iedere moreele onderscheiding, niet omdat haar een privilege van vrijstelling verleend wordt, maar eenvoudig omdat de moreele onderscheiding geen kans ziet zich op haar toe te passen. Een artistieke afbeelding zal een moreel lofwaardige of afkeurenswaardige handehng nabootsen; maar die afbeelding, als afbeelding, is moreel noch prijzensnocJi afkeurenswaardig".

Het is niet noodig lang bij deze opvatting te vertoeven, laat staan haar te bestrijden. Voor den geloovige veroordeelt zij zichzelf.

Meer spant dit onze aandacht, dat Croce evenzoo iedere onderscheiding tusschen inhoud en Ivorm, gedachte en uitdruklting, zin en beeld onmogelijk acht. Eigenlijk spreekt dit vanzelf na de woorden die we zooeven van hem lazen. Zooals ook de z.g.n. „Tachtigers" te onzent het één zoowel als het ander staande hielden. Immers zou men op eenigerlei wijze gedachte en uitdrukldng der gedaclate kunnen onderscheiden, dan viel de eerste onmiddellijk onder de zedelijke beoordeeling (om slechts deze te noemen) en was het uit met de gevorderde autonomie der kunst.

Wij hebben'vroeger al eens uiteengezet, dat, en waarom, we geen bewonderaars zijn van de termen „vorm" en „inhoud", zoolang men n.l. niet duidelijk aangeeft, wat onder die woorden te verstaan zij. 2)

Toch is een onderscheiding tusschen gedachte of strekking van een gedicht — we keeren tot ons onderwerp terug — en de wijze waarop die gedachte tot uitdrukking wordt gebracht eenvoudig onmisbaar voor een Scliriftuurlijke litteratuur^ beschouwing.

„Als men een gedicht zijn maat, zijn rhytme en zijn woorden ontneemt, blijft niet, zooals sommigen denken, aan gene zijde de dichterlijke gedachte over: er blijft niets over." Deze stelling van Croce is voor ons onaannemelijk naar haar strekking. iMaar er ligt waarheid in wat hij onmiddellijk hierop laat volgen: „Het gedicht wordt geboren als die woorden, dat rhytme en die maat". We bedoelen dan ook allerminst deze caricatuur van het dichterschap te geven, dat de dichter voor zijn ideeën zou gaan zoeken naar een passende omhulüng, een fraai bewerkt statiegewaad. Integendeel: het zal veelal als een eenheid in zijn geest geboren worden. Doch van het recht en de verplichting te onderscheiden wat aldus ongescheiden tot aanzijn kwam doet cüt niet het minste af. Het is mogelijk den zin van een gedicht in andere bewoordingen over te brengen zonder hem geweld aan te doen. Ontneem Da Costa's gedicht zijn rhytme en rijmklank, dan is het als gedicht opgeheven, maar de zin kan behouden blijven, als wijn die (om een beeld van den Heiland aan te wenden) in een anderen lederen zak wordt overgegoten.

Het lütlichten van den zin uit een gedicht mag dus nooit meer zijn dan een middel om dieper in den geest van het gedicht zelf door te dringen. Het is niet het scheiden van het appetijtelijk vruchtvleesch en de schil, waarbij terloops de schoonheid der laatste wordt opgemerkt, maar een onderscheiden dat, in het gunstige geval, voert tot een genieten van de ééne, ongedeelde schoonheid.

We noemden drie factoren die voor afzonderlijke beschouwing in aanmerking kwamen.

De zin spreekt voor zichzelf. Het is rooeilijk niet onder den indruk te komen van Da Costa's verlangen mee te mogen sti-ijden in de oorlogen des Heeren en van zijn gewilügheid te wachten op het in geloof te verbeiden sein. ZoO' spreekt een door den Heiligen Geest bezielde.

Evenmin staan we lang stil bij de compositie van ons lied: men heeft al gezien, dat het eerste viertal verzen den strijdlust weergeeft die siddert in het ongeduldige paard; het tweede den ruiter teekenl, in bedwang en teugelvieren zij'n dier voliliomen meester; het derde hen als een levende tweeëenheid doet triomfeeren; terwijl de laatste Vier het verlangen van den dichter, de kern van het gedicht, onder woorden brengen.

Ook houden we ons ditmaal niet op met een beschouwing van het fraaie rhytme, van de woordkeuze en wat verder in den taalvorm onze bewondering verdient.

We letten op het zeer stoute beeld. Op zichzelf behoeft het geen toelichting. Men critiseere vooral niet, dat het niet opgaat, zooals dat genoemd wordt. Zelfs niet onder vergoelijkende verwijzing naar de spreuk, dat iedere vergelijMng mank gaat. Want het ligt in den aard der beeldspraak analogieën Ie geven en analogie is iets anders dan identiteit. Gods veelkleurige wijsheid, naar het teekenend woord der Schrift*), bewijst zich ook in den onuitputtelijken rijkdom der schepping, the niet in herhalingen vervalt.

Een opmerking in dezen trant, dat het toch niet de mensch is die den Opperstrij'der draagt, 'maar omgekeerd, zou dan ook alle bestaansrecht missen.

Onwillekeurig vraagt men zich echter af, hoe de dichter tot juist dit beeld kwam. Onder den titel schreef hiji een anoniem citaat af, dat het juiste midden ziet in gehoorzaamheid die zoowel waclit op het sein tot vertrek als gehoorzaamt, zoodra dit sein is gegeven.

Het laat zich zeer zeker denken, dat deze woorden (waarvan het verband me onbekend is) het krachtig gekleurde beeld in Da Costa hebben opgeroepen.

Er is evenwel een op het eerste gezicht gelijiksoortig beeld te vinden bij- Vergilius, een Romeinsch dichter uit den tijü van Augustus, wiens verzen Da Costa stellig niet onbekend zijn gebleven. In het zesde boek van diens epos de Aeneïs, ontvangt de held Aeneas een toekomstopenbaring in orakeltaal uil den mond der Sibylle die door den zienergod Phoebus Apollo wordt overheerscht.

Maar nog niet door de godd'lijke macht [overweldigd van Phoebus, Raast de ontzettende zienster in Thol en beproeft [uit haar boezem Weder den god te verslaan: doch deze [beteugelt te sterker 't Woeste gemoed en den razend en Mond, dien h ij temt met z ij n b r e i d e 1. =)

Hier, als m.m. bij Da Costa, de godheid een breidelend berijder, de profetes het onstuimige paard. Maar liier eindigt dan ooik de overeenkomst. Dit paard verlangt niet zijn meester in den strijd te dienen, maar, als het dier uit den twee en dertigsten Psalm, moet het door zijm eigenaar worden gedresseerd, getemd.

Hier komt nog iets bij: Vergilius ziet, blijkens het verband de verhouding van godheid en dienares in erotisch licht, de bezieling als bevruchting.

De parallel blijkt tamelijk wel negatief: de Christelijke dichter-profeet zeer gewilUg op den dag van Gods heirkracht, de heidensche zieneres haars ondanks overweldigd. Profetie en extase.

Calvijn leidt onze gedachten in een andere richting. In zijn „Institutie" (II 4, 1) merkt hij op: „Augustinus vergelijkt ergens den menschelijiken wil met een paard dat wacht op het sein van zijn berijder. God en den duivel met berijders".

„Indien God, zoo zegt hij, hem berijdt, bestuurt

136 Hij hem als een beheerscht en ervaren ruiter met vaste hand: zijn traagheid spoort Hij aan, zijn al te groote snelheid beteugelt Hij: zijn dartelheid en weelderigheid betoomt Hij, zijn koppigheid breekt Hij. Hij leidt hem op den rechten weg. Maar als de duivel zich op dien wil gezet heeft, dan jaagt hij hem, als een domme ruiter zonder zelfbeheersching, voort langs onbegaanbaar terrein, drijtt hem kuilen in, doet hem langs steile hoogten naar beneden tuimelen en prikkelt hem tot woestheid en verzet". ^)

Een beeld — zoo voegt Calvijn hier aan toe — waarmede we ons voor 't oogenblik zullen vergenoegen, aangezien een beter ons niet te binnen scliiet.

En inderdaad verzinnebeeldt het prachtig de afhankelijkheid en tegelijk de medewerking van den mensch met God — of diens wederpartij der. Ook geelt het te verstaan, dat de Ileere der heirscharen niet slechts zijn troepen aanvoert ter overwinning, maar ook ze, in de innigste vereeniging met Hem, hanteert als waren het bezielde instrumenten.

Of Da Costa het beeld aan 't zij AugusLinus 't zij Calvijn ontleend heeft, weten we niet. We achtten evenwel de parallel sprekend genoeg om haar te vermelden.

Er Is een aestheticisme dat liever dan aan deze koperen taalmuziek te gast gaat aan de zoet-mystieke klanken van het:

Zoo gaf ik gaarne wensch en wil In 's Heeren hand en hield mij stil. Zoo dan, als door een rieten fluit. Bij zwijgend eigen slemgeluid, Gods adem door mij henen blies, Hoe groote winst bij kleen verlies!')

•Maar hier heeft de door het geloof tot het uiterste gespannen activiteit plaats moeten maken voor een zoeLvoerig quietisme, dat als opperste gunst begeert te mogen „slapen gaan in eeuwigheid". ^)

Ook Da Costa's overigens zoo' welwillende uitgever, J. P. Hasebroek^), kon een gediclit als „Het Paard" moeilijk savoureeren. Na een gedeelte te hebben geciteerd vervolgt hij: „Maar, waar Da , Costa aldus verder gaat, dan men in een zanger uit onze luchtstreek zou kunnen goedkeuren, bij liem draagt de vorm de gedachte: de taal der bezieling, wier gloed zicli aan den lezer mededeelt, doet hem hier verschoonen, wat anders en elders met de eischen van zijn schoonheidsgevoed strijden zou: de uitheemsclie gedaante der vruclit verklaart en verschoont haren voor ons anders te sterk-riekenden geur", i")

Zulke toegeeflijkheid van een averechtsche aestheliek die om de bezieling de gedachte desnoods laat passeeren, in plaats van om den bezielenden zin de bezieling zelve te waardeeren en te deelen, vindt geen ingang bij den geestverwant Van Augustinus, Calvijn, Da Costa: juist deze bladzijden uit de „Kompleete Diclitwerken" hebben voor hem een bijzondere waarde.


1) Kompl. Dichtw., Haarlem, 1862, H, pag. 140 vlg.

2) De vertalng is van Hudig (Arnhem, 1926); de citaten op blz. 34 en 77.

3) Zie „De Reformatie" van 27 Aug. en 3 Sept. 1937.

4) Efeze 3:10.

5) Naar de metrische vertaling van Dr J. L. Chaillet, Amsterdam, 1901.

6) Calvijn schijnt niet een bepaalde plaats op het oog te hebben. De editie van Barth en Niesel vervvijst naar Augustinus' verklaring van Ps. 148, en naar Pseudo-August. Hypognosticon. Men zou ook kunnen denken aan zijn uitlegging van Openb. 6, waar hij in het witte paard de Profeten en Apostelen gesymboliseerd vindt, „bereden" als ze worden door Christus en den H. Geest; in het roode paard het booze volk, waarop de Satan rijdt. De uitgave van Tholnck vermoedt een zinspeling op Augustinus' commentaar op Psalm 31 en 33 (bij ons resp. 32 en 34).

7) Jacq. V. d. Waals in De Herdersfbdt („Nieuwe Verzen").

8) Zie van dezelfde dichteres: Die mijns Harten Vrede sijf.

9) Interessante bijzonderheden over hem geeft Dr G. M. den Hartogh in Het Christelijk Gereformeerd Seminarie te Amsterdam, Delft, 1939.

10) Zie deel III der K. D„ pag. 550.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 januari 1940

De Reformatie | 8 Pagina's

LITERATUUR EN KUNST

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 januari 1940

De Reformatie | 8 Pagina's