GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Aan wie die eed? (Inzake „Amerika”)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Aan wie die eed? (Inzake „Amerika”)

8 minuten leestijd

Ons vorig artikel eindigde met de toezegging, dat we zouden spreken over het doopsformulier.

We stelden vast, dat de amerikaansche Verklaring beweert, dat de belofte-des-evangelies een „e e d" is. Een eed aangaande Gods onfeilbaar werken willen aan en in „al de uitverkorenen".

Nu zijn „al-de-uitverkorenen" pas in den hemel met den vinger zonder mankeeren aan te w ij zen. Hier op aarde nooit.

Voorzoover dus dat amerikaansche stuk over dien „eed".Gods spreekt, vloeit uit de ingenomen stelling voort, dat God dien eed zweert aan een complex van niet-aan-te-wijzen menschen.

Men zal zeggen: dat is niet waar. Want de eed wordt door den dienst des Woords in de kerk gesproken. En de kerk is een aaniyijsbaar gezelschap.

Zeker, zeker. Maar daarom vroegen we eerst: wat voor een eed? Assertorisch (feiten vertellend) ? Of p r o m i s s o i r (belofte gevend) ? De dienst des Woords doet immers nog meer dan alleen maar beloven. Die verkondigt ook feiten. Bijvoorbeeld, dat Christus gekomen is. Dat de aarde eens vergaan zal. D a t er een zondvloed is geweest. Dat Abraham is weggetrokken uit Ur. Dat Christus wederkomt. Weliswaar worden óók die feiten nimmer losg e m a a k t van den dienst-der-belófte (God doet geen verhaaltjes), maar er is toch verschil tusschen een bekendmaking aan iedereen die hooren wil, een bekendmaking van feiten, èn een in het leven van een bepaalden (in den doop en met andere aanspraakswijzen aangesproken) m e n s e h in-dringen met de puntige speer van belofte-met-eisch.

Daarom stelden we verleden week de vraag: WAT VOOR een eed?

Dezen keer vragen we: AAN WIE die eed?

Kan God hoorbaar, dat wil zeggen: voor kerk en wereld hoorbaar, spreken tot een niet aanwijsb a a r adres ?

We zeggen: neen. Hij kan wel een UITSPRAAK donderen uit den hooge, over onze hoofden heen. Een boodschap door den aether. Maar, vergun ons het beeld, dat nu vanzelf geboren wordt: maar, Hij doopt niet via den luidspreker, die een op gramofoonplaten opgenomen „algemeen gehouden" tekst laat klinken over de hoofden heen. Hij komt vlak bij ons staan, en komt van den preekstoel af, en zegt: Marlet je zoo-enzoo, Cornells die-en-die, ik doop u. Hij zegt niet maar iets aangaande een menigte, die ik in mijn levensdagen nimmer zien zal, doch Hij zegt iets TOT een bepaalden mensch, N. N.

Dat eten natuurlijk de amerikaansche theologen, die die Korte Verklaring hebben opgesteld, net zoo goed als wij. Ik vermoed, dat ze bij de opstelling van het stuk zich ook terdege daarvan rekenschap gegeven hebben.

Er staat immers een woordje in den verleden week besproken volzin, dat aan het doopsformulier herinnert, het formulier, waarbij inderdaad de Heere van den kansel afkomt, en wat zegt „aan" en „töt" dat Marietje of dien kleinen Cornells. Ik doel op het woordje „WILLEN". Er stond in het amerikaansche stuk:

„dat de belofte-des-evangelies een eed Gods is, dat Hij on-feilbaar al de uitverkorenen WIL leiden tot zaligheid en eeuwige heerlijkheid door het geloof."

Dat woordje „wille n" is uit het doopsformulier. De Amerikaansche auteurs dezer Korte Verklaring hebben dat goed onthouden, want hun fel bestreden Heyns heeft over dat „wille n" erg veel gezegd, dat — wij herhalen het — ons niet altijd juist scheen, en, naar ik vrees, bij de uitlegging van den m^a s-jaal (gelijkenis, raadselspreuk) over „den wijngaard" (Jes. 5) wel eens misverstand heeft moeten opleveren, wegens het uit het oog verliezen van het voor een exegeet nimmer te verwaarloozen verschil tusschen een masjaal en een dogmatische uitspraak. We behoeven niet te zeggen, wat die parabel is. De Canisiusvertaling geeft ze aldus weer:

Mijn vriend had een wijngaard op een vruchtbare [helling: Hij spitte hem om, en raapte er de steenen uit weg; Hij beplantte hem met edelwingerd, Bouwde er een wachttoren in, en kapte perskuipen uit. Nu verwachtte hij, dat hij druiven zou dragen: Maar hij bracht enkel bocht!

Burgers van Jerusalem, en mannen van Juda: Richt nu tusschen mij en mijn wijngaard! Wat was er meer voor mijn wijngaard te doen. Wat ik misschien heb verzuimd? Waarom bracht hij dan enkel bocht. Toen ik verwachtte, dat hij druiven zou dragen?

Welnu, de wijngaard van Jahwe der heirscharen Is Israels huis: De mannen van Juda Zijn bevoorrechte planten. fiij hoopte op recht: en zie. het was onrecht; Betrachten van recht: het was verkrachten van recht.

Over deze gelijkenis is ook in Amerika vaak discussie gevoerd. Bij Heyns keert ze onophoudelijk te­ rug, ook wel in geschriften en andere nagelaten papieren, die in Nederland niet bekend zijn, maar die ik inzag in Amerika, en niet altijd juist kon vinden. Maar welk verstandig mensch zegt daarom: nu moet je als Heyns wat zegt, altijd den anderen kant uit? Pas op voor theologie-van-den-weeromstuit. De discussie is vaak verward geweest. De één zei: zie je wel. God „wild e" toch, maar die wijngaard wou niet. De ander: God wilde eigenlijk niet, want ' als het met ons verkeerd gaat, dan is dat allemaal in zijn raad bepaald, en als Hij wat wil, w è r k e-_ 1 ij k wil, nu, dan komt het toch ook?

Ik geloof, dat beide standpunten mis waren: de één vergat, dat het een g e 1 ij k e n i s was, en de ander vergat het ook. De één behandelde de parabel als een pagina uit een dogmatisch dictaat, de ander ook. Maar de discussie heeft toch dit goede opgeleverd: als men de gelijkenis neemt voor wat ze is, dan volgt er toch uit, dat de profeet tot de kerk zegt: u waren beloften gedaan, en er was aan u gearbeid door de permanente bediening van het verbondswoord Gods, en de profetische herderszorg, maar ge hebt niet geloofd; en nu dóet God aan u hetgeen van den aanvang ook gezegd is: wie Hem verwerpt, die wordt verworpen. Bondsbreuk wordt door bondswraak gevolgd.

Daarom staat er ook in het doopsformulier: wij krijgen een belofte, maar die gaat met een eisch gepaard (twee deelen in elk verbond), en dus: de belofte komt niet tot onbekende uitverkorenen, maar tot met naam en toenaam bekende geroepenen, die in den bondskring opgenomen z ij n.

Als nu het doopsformulier verklaart, dat bij den doop God dit en dat belooft, dan staat daar duidelijk: Hij belooft wat aan dat met n a m e gen o e m d e kind. Dat kan Hij rustig zeggen, en ons ook leeren; want de belofte gaat met den eisch hand in hand. Tot dat kind is gezegd: N.N., onder voorwaarde, d.w.z. onder uitdrukkelijke verzekering, en bepaling, dat uw geloof de eenige weg zal zijn, en móet zijn, waarin dit alles zal geschieden, weshalve gij daartoe vermaand en verplicht wordt, (niet maar: zijt, doch - wordt) WIL de Vader u van alle goed verzorgen, WIL Hij alle kwaad u ten beste keeren, WIL de Geest u toeëigenen wat wij in Christus hebben. Aan het terrein der dogmatische uitspraken is niet de rug toegekeerd; maar wel worden we p e r - soonlijk aangesproken door de Overheid (God), die ons ontbood op „het Stadhuis (vgl. K. S., Heidelb. Catech., deel II). Daar krijg je ook geen wetenschappelijke, objectieve „lezing", geen „college", over de wet, het burgerlijk wetboek, de rechtsfilosofie of zoo iets, maar je wordt er, geleerd of ongeleerd, eenvoudig terwijl je daar bent t 9 t iets verplicht.

Daarom zeiden we ook zooeven: er staat niet, dat wij allang verplicht ZIJN vóór den doop, vóór de geboorte, b.v. door Gods Scheppers recht over „alle menschen", of door hèt feit van Zijn bonds oprichting met Adam in het paradijs, ofschoon dat allemaal óók wel waar is, maar: dat wij verplicht WORDEN, en dit DOOR den doop, tot een nieuwe gehoorzaamheid. Dat is dan ook geen assertorische eed, dat het gereformeerde college ethiek goed opgebouwd geweest is, maar wél een bij promissoiren eed door den doop verplicht WORDEN, in een geschiedende rechtshandeling, tot den dienst des Heeren. Dat is gebeurd in hetzelfde o o g e n b 1 i k, als waarop de pin der belofte ons op den neus gezet is.

Ik zeg dus, dat niet alleen de Dordtsche Leerregels, doch ook het doopsformulier, ons leeren, dat de belofte-des-evangelies niet een „eed" is, , , dat" God „alle" „uitverkorenen" wil leiden tot de eindpaal (ofschoon dat allemaal waar i s) niaar een eed AAN den bepaalden mensch, dat •Hij dien bepaalden met name aangesproken GEROE­ PEN mensch leiden wil tot de eindpaal.

En wie dat remonstrantsch zou noemen, dien zeg ik rustig: dat is het niet, en u begrijpt de positie niet. Hoe vaak spreekt de bijbel „indien"? „INDIEN"?

Ik houd het maar weer met dr J. Ridderbos, uit den goeien tijd, toen hij nog kommentaren schreef: e belofte van Zacharia 3 : 6, 7 is een „plechtige verzekering" (geen dogmatische sententie, zeg ik) „en bevat eene belofte, verbonden aan eene conditi e". Ik zou willen vragen: ag dr J. Ridderbos niet worden toegelaten in de Prot. Ref. Church? Pas op, dat gij daar hem niet gelijk wordt, in het uitwerpen. Of verhinderen. Wij hebben hem niet uitgeworpen, doch hij ons. En w ij zullen hem om dat zinnetje niet vervolgen; hij heeft alleen óns vervolgd, toen hij zijn zinnetje liet aanvallen door zichzelf, om den sleutel, de niet-kuyperiaansche, maar confessioneele kennis, weg te nemen. En candidaten en ouderlingen en dominees wüde verhinderen, in het koninkrijk (van den dienst) in te gaan.

Het is hem niet gelukt, maar dat kon hij niet hel-Pen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 3 februari 1951

De Reformatie | 8 Pagina's

Aan wie die eed? (Inzake „Amerika”)

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 3 februari 1951

De Reformatie | 8 Pagina's