GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Onze Eeredienst.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Onze Eeredienst.

10 minuten leestijd

VIII.

Het vraagstuk der Formuliergebeden eischt afzonderlijke bespreking, wijl het zoo diep in het leven der godsvrucht indringt.

Twee uitersten staan er hier tegenover elkander. Van den éénen kant gaat er een strooming die alle vrij gebed wil wegnemen, om én particulier én openlijk niet anders dan vooraf opgestelde gebeden te doen bidden. En van den anderen kant komt een even eenzijdige richting, die schier onvoorwaardelijk alle formuliergebed afkeurt, en van geen ander gebed wil hooren, dan dat op het oogenblik den bidder zelf, vrij uit den geest opkomt; iets wat dan zóó ver wordt gedreven, dat zelfs het Onze Vader in de kringen, waar deze richting den toon aangeeft, zoogoed als nooit meer pleegt gebeden te worden.

Nu is het buiten kijf, dat de laatste zienswijze de meest ideale is, en als zoodanig zich zonder veel moeite laat aanbevelen.

Denkt men zich het gebed der enge! en, dan stelt niemand zich voor, dat deze hemelsche wezens zekere gebeden ontvangen, die ze nazeggen. Ook van de gezaligden, die ons zijn voorgegaan is dit niet denkbaar. Het bidden van Jezus, toen hij op aarde was, is ongetwijfeld een vrij gebed geweest. De gebeden van Abraham, David, Salomo, Ezra, Nehemia e. a, die ons in de Heilige Schrift staan opgeteekend, maken niet den indruk van tevoren opgesteld te zijn geweest. En ook persoonlijk is het vrij zeker, dat een ieder kind van God in de bangste en in de zaligste oogenblikken zijns levens tot zijn God in Christus geroepen heeft naar de drang des Geestes hem de woorden bp de lippen bracht.

Men behoeft ons dan het vrije gebed ook met geen hooge lofspraak aan te bevelen. Van de voorkeur die het vrije gebed bezit, van de hooge voortreffelijkheid, die het vrije gebed aankleeft, van de meerdere kracht die er tot stichting en vertroosting op den bidder zelf van uitgaat, zijn we, ook zonder nadere pleitrede, volkomen overtuigd.

Vrij te zijn is de natuur van het gebed. Wie van het gebed naar zijn aard wil handelen, zal altoos van het vrije gebed moeten uitgaan. En al wat zich naast en tegenover het vrije gebed wil handhaven, zal steeds een verklaring en aanbeveling vereischen, die minder aan de natuur van het gebed, en veel meer aan de omstandigheden waarin gebeden wordt, ontleend zullen zijn.

Voor ons is de vraag dus niet, of het vrije gebed niet verkieslijk is, maar wel of het vrije gebed altoos mogelijk is.

We zijn geen engelen, en we zijn geen gezaligden. We zijn en blijven menschen, die, ook al is ons hart in zijn kern wedergeboren, toch altoos tot aan onzen dood de fontein der zonde in dat hart met ons omdragen, en dientengevolge niet dan bij uitzondering in die hooge, heilige stemming zijn opgeheven, waarin het eigen besef ons zegt, dat niet dan heilige woorden uit heilige opwellingen ons naar de lippen dringen.

Dit is het eerste bezwaar tegen het vrije gebed.

Maar hierbij komt nog een tweede van niet minder ernstlgen aard.

Zult ge nooit anders dan voor uzelven alleen, of zult ge ook overluid met en voor anderen bidden? M. a. w. erkent ge ook het recht en den pHcht van het gemeenschappelijk gebed?

En antwoordt ge hierop nu bevestigend, dan stuit ge op eenmaal op een berg van moeilykhedeuj die het vrije gebed zeer in het gedrang brengéü.

We treden nu nog niet in bijzondefheden, maar bepalen ons tot het generale, doch reeds dan staat het toch vast, dat men bij het gemeenschappelijk gebed niet allen saam door elkander kan spreken, maar dat het gemeenschappelijk %(h& A.m!i voorbidder eischt, d. i. iemand die in het gebed voorgaat, onderwijl de anderen zwijgend meebidden.

Want wel heeft de Ëngelsch-episcopale kerk de gewoonte ingevoerd, om heel de gemeente overluid te laten bidden, maar, daargelaten nu, dat dit soort van bidden steeds meer verliep, en alniêëf te een weinig stichtelijk mompelen opgaat, in elk geval bidt men op die xaamtr enkel formuliergebeden^ zoodat van deze soort gebeden bij het eigen gévöfldeü gemeenschappelijk gebed zelfs geen sprake komt.

Het gemeenschappelijk gebed levert metterdaad de ernstigste moeilijkheden op, die een ieder die in zulk een gebed voorging, of er in meebad, keer op keer zelf ondervonden heeft.

De goede gang van een gebed is uit de opwelling des harten naar de lippen. Doch wat geschiedt ü nU bij het vrije gemeenschappelijk gebed, als ge et zelf zwijgend onder verkeert?

Dan luistert ge, onderwijl ge u voor God stelt. In die biddende stemming komen er gedachten en gewaarwordingen uit uw eigen hart op, maar die vinden geen uiting. En onderwijl ge op die manier uw eigen hart min of meer geweld aandoet, vangt ge een reeks klanken en volzinnen op, die soms verre van duidelijk, niet zelden lang en ingewikkeld zijn, en die nu in uw hart een begeerte moeten prikkelen, of opwekken, en indragen, en dan die begeerte uit uw ziel naar God moeten doen opgaan.

Dit nu eischt een inspanning des geestes, waartoe, zelfs als er goed gebeden wordt, de meesten onbekwaam zijn.

Ze kunnen dit niet bijhouden.

Nauwlijks toch heeft hun geest de bedoeing van een voorafgaande gebtdszinsnede egrepen, en is jn die gedathte ingegaan. of reeds is een nieuwe zinsnede halverwege uitgesproken, die ze opnieuw in zich moeten opnemen, om ook daarin meê te leven, en ook die uit hun ziel mee te bidden.

Dit nu kunnen de meesten eenvoudig niet, en ze doen het dan ook niet. En wordt dan zulk een gebed, gelijk niet zelden voorkomt, tot het vierde van een uur gerekt, dan is de uitwerking, dat na de eerste vijf minuten de meesten het opgeven, en weinig anders doen, dan in een biddende gestalte klanken aanhooren, waar hun ziel niet meer ingaat, en die ten slotte zoo afmattend worden, dat men haakt naar het einde, en het Amen als het ten slotte over de lippen van den voorbidder komt, begroet wordt als een verlossmg.

En nu werd nog ondersteld, dat er goed gebeden werd door een wezenlijken voorbidder.

Zonder intusschen iemand te na te komen, mag veilig gezegd, dat de kunst van goed voor te bidden slechts het deel van weinigen is.

Verreweg de meesten, die er toe geroepen worden, zijn er onbekwaam voor.

Die onbekwaamheid kan drieërlei oorzaak hebben.

De eerste is, dat men de gave mist, om den gemeenschappelijken nood van hen, voor wie men voorbidder zal zijn, in zijn hart op te nemen, en te laten uitgaan met uitscheiding van al het persoonlijke dat den voorbidder persoonlijk eigen is. De één kan dit niet, omdat hij te weinig in anderer nood inleeft, de andere niet omdat hij te sterk persoonlijk leeft. Maar de uitkomst blijft dezelfde. In beide gevallen ontbreekt in het hart het echt priesterlijke leven, dat zichzelven vergeet en aflegt, en plaatsbekleedend anderer leven leeft.

De tweede oorzaak, die het vrije gemeenschappelijk gebed bemoeilijkt is, dat men zoo moeilijk op het commando van het oogenblik in de biddende stemming geraakt. Sommigen bezitten die gave. Ze zijn gebedsnatuureu; die ongedwongen in de stemming der aanbidding en des smeekens overgaan. Maar ook dit is op verre na niet aller deel. De gedachten van velen dolen. Hun overleggingen zwerven af. Andere dingen bezetten hun geest. En nu moeten ze op een gegeven oogenblik plechtiglijk bidden, voorbidden voor anderen. Wat ten gevolge heeft, dat ze niet zelden woorden gaan stamelen, zonder dat hun eigen hart in de ware biddende gestalte voor hun God is ingegaan.

En het derde bezwaar is, dat, ook al zijn er gebedsopwellingen in het hart, zeer velen de gave der taal missen, om op staanden voet, al zulke opwellingen van het hart in zulk een vorm te kleeden, en in zulk een taal te uiten, dat er gebed ook in het biddende woord zij, en de taal huns biddens werkelijk het plechtige en het roerende van het gebed behoude.

Deze bezwaren nu drukken niet zoo sterk, bij een kort gebed, als men een vergadering opent, of aan tafel voorbidt. Dan toch verstaat en ieder, wat de zaak is waarvoor men bivit, en zijn de gewone bewoordingen, om deze zaak in uit te spreken, zoo bekend en gewoon, dat slechts weinigen hierbij moeite ondervinden.

Ook is de kring dan kleiner, en de spanning daardoor zooveel minder.

Maar als er sprake is van een gebed der gemeente, in haar groote samenkomsten, dan wordt die spanning veel sterker, is het feitelijk voor God staan veel moeilijker, es de taal veel ongewoner.

Feitelijk komt dit gemeene gebed in de gemeente Gods er dan ook veelal op neer, dat de voorbidder de gemeente meer getuige laat zijn van zijn bidden, dan dat er waarlijk een voorbidder zou zijn, die zelf wegvalt, ea de gemeente bidden laat door zijn mond.

Dit maakt dan, dat het gebed te veel eea betuiging, een redenecring, een biddende resumtie der predikatie wordt, en dat er van een afsmeeken, van een afbidden v^ iets ternauwernood sprake is.

Indien men, na afloop van zulk een gebed', een pauze hield, en een ieder de vraag liet beantw'oorden: Wat hebt ge nu van uw God afgebeden i zoo kan men zeker zijn, dat in verreweg de meeste gevallen, schier niemand zou weten te antwoorden.

Iets wat men nu den voorbidder niet te hard moet aanrekenen; want voorbidden 'm een gemeente is zoo uiterst moeielijk. Maar wat toch toont, dat er aan zulk gemeenschappelijk bidden in menig gebed iets hapert.

En dan komt hier nog iets anders bij, da« we noode aanstippen, maar toch niet geheel verzwijgen mogen, t. w. dat er in zulk een vrij gemeenschappelijk gebed voor den voorbiddsr allicht zekere verzoeking tot zonde schuilt.

Men kent de uitdrukking: smooi bidden, " een uitdrukking die niet zeer heilig is, maar die dan toch uitdrukt, dat iemand de gave bezit, om in roerende taal alzóó in het gebed voor te gaan, dat het hem gelukt, anderen in zijn gebed meê te nemen, zoodat ze ook zelven in biddende stemming geraken, en voelen dat ze gebeden hebben.

Dat vindt de gemeente dan terecht heeriijk. Soms is het een verademing op die manier eens samen te kunnen bidden.

Maar .... en dit vergete men niet, dat »mooie bidden" wekt maar al te dikwijls de ijdelheid in den yoorbidder op. Hij merkt allengs, dat hij déze kunst verstaat. Hij komt er achter, dat die gave hem gegeven is. En gelijk elk talent, zoo poogt nu ook de gebedsgave hem te verlokken, dat hij er eigen eer in ga zoeken. En al is het dan, dat hij waarlijk biddende, roerende, hartaangrijpende en zielmeesleepende taal sprak, dan heeft hij toch zijn loon weg, en is zijn gebed bezoedeld voor God gekomen.

Zij die gewoon zijn, het voor een zoo uitgemaakte zaak te houdcn> dat een formu­

liergebed Gode onwaardig is, en dat bij het biddeo vooral de werking des Geestes eeniglijk moet spreken, zullen daarom wel doen, ook de schaduwzijde van dit vrije gebed in de gemeente in te denken.

Zeker het afprevelen van een opgezegd gebed is weinig stichtelijk; maar onze kerken zouden zich zelve niet kennen, als ze waanden, dat al wat bij ons sbidden" heet, waarlijk uitstorting der ziel voor den Heilige was.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 november 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Onze Eeredienst.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 november 1897

De Heraut | 4 Pagina's