Vu cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Vu te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Vu.

Bekijk het origineel

De plaats van den mensch in het heelal.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De plaats van den mensch in het heelal.

15 minuten leestijd

IV.

Dat niet alleen de zon als bron van licht en warmte voor de aarde onmisbaar is, maar dat ook de sterenwereld buiten ons zonnestelsel met de aarde in verband staat en voor den mensch een doel heeft, toonde ons vorig artikel aan.

Op drie punten wezen we toen.

Vooreerst, dat de sterren in haar schitterende pracht de nachtelijke duisternis verhelderen en door haar verheven schoon den mensch tot bewondering opwekken en aanbidding van God,

Ten tweede, dat in die sterren, zoowel door haar onderlinge groepeering als door haar schijnbaar wisselenden stand, den mensch een middel is gegeven om tot een vaste tijdsindeeling te komen.

En ten derde dat die sterren dienst doen voor reiziger en zeeman om de plaats te bepalen, waar hij zich bevindt, en de richting aan te geven, waarheen hij zich wenden moet. Zonder Noordpoolster, die het Noorden onbedriegelijk aangeeft, zou vóór de uitvinding van het kompas geen zeeman zich in vreemde zeeën hebben gewaagd.

Toch is hiermede niet genoeg gezegd. Dit alles raakt het zijdelingsche nut, dat de mensch uit de beschouwing van deze sterrenwereld trekt. En de vraag gaat veel dieper, of deze sterren ook niet rechtstreeks invloed op onze aarde uitoefenen en of zonder deze sterren de aarde als woonplaats voor den mensch wel geschikt zou kunnen zijn.

Nu is deze vraag zeker niet zoo gemakkelijk te beantwoorden als die naar den invloed van de zon op onze aarde. Maar de jongste ontdekkingen op het gebied van het licht geven hier toch aanduidingen, die voor de toekomst een oplossing ook van dit probleem mogen doen verwachten. En van deze vingerwijzing mag de geloovige wetenschap zeker dankbaar gebruik maken om aan te toonen, dat de sterrenwereld met deze aarde in het nauwste verband staat en evenals de zon dienst doet om op deze aarde het organisch leven mogelijk te maken.

Aan deze ontdekkingen danken wij toch de wetenschap, dat de lichtstraal niet alleen dient om licht te verspreiden en warmte te geven, maar dat van haar ook een chemische werking uitgaat. Het feit zelf is bekend genoeg. In een kamer, waar het zonnelicht fel binnendringt, verschieten de kleuren van uw meubelen en gordijnen. Dat verschieten is een gevolg van de chemische werking van het licht, die niet alleen de kleur veranderen doet, maar zelfs het weefsel van de stof aantast en langzamerhand verteren doet. Gordijnen, die al te lang in het felle zonlicht gehangen hebben, kunt ge als rag van elkander scheuren. Aan die hemische werking van het licht is zelfs eel de kunst van de photographie te danen. Wanneer ge in het volle zonlicht u oor het photographietoestel plaatst, dan angt ge het licht op en weerkaatst de ichtstralen op de gevoelige plaat in de amera obscura. De stof, waarmede deze laat bestreken is, wordt door de chemische werking van die lichtstralen veranderd, en zoo ontstaat het beeld, dat sprekend uw gelijkenis weergeeft. Niet de photopraaf maakt uw potret, maar gij zelf zijt het, die door het licht uw eigen beeld hebt geteekend.

Die chemische werking van het licht nu gaat volstrekt niet alleen uit van die lichtstralen, die ge met uw oog kunt waarnemen, maar evengoed en nog veel sterker zelfs van die lichtstralen, die voor uw oog onwaarneembaar zijn. Het menschelijk oog is toch evenals het menschelijk oor zoo door God ingericht, dat het slechts binnen zekere grenzen waarnemen kan. Het oor kan niet elk geluid opvangen; reeds op een kerkorgel zijn de diepste bastonen voor een gewoon gehoor als geluid nauwelijks waarneembaar. En zoo is het ook met de lichtstralen. De zoogenaamde ultra-violetstralen of X-stralen kunnen door het menschelijk oog niet gezien worden, en toch hebben deze stralen van het licht zulk een intense kracht, dat zij door het menschelijk lichaam heendringen en op de fotografische plaat het inwendige van het lichaam afteekenen. Een ontdekking, die voor de geneeskunde van het hoogste belang is geweest en onze doctoren in staat stelt allerlei onderzoekingen te doen, waaraan vroeger zonder operatie niet gedacht kon worden. Hoe scherp de werking van deze onzichtbare lichtstralen is, blijkt wel het meest afdoende daaruit, dat wie arm of been te lang aan deze x-stralen bloot stelt, gevaar loopt dat niet alleen in de huid ernstige wonden ontstaan, maar dat zelfs de spieren onder de huid worden aangetast en als 't ware verbranden.

Bij de photographie en bij de x-stralen wordt deze chemische werking van het licht wel het sterkst waargenomen, maar deze werking strekt zich over heel de schepping uit en is een der machtigste middelen, waarvan God zich bedient om voor het leven op aarde te zorgen. Vooreerst negatief, doordat het licht de eigenschap bezit van doodend ia te werken op die talrijke bacteriën en baccillen, die de oorzaak zijn van zoo menig ernstige krankheid. Wanneer de tegenwoordige geneeskunde zooveel nadruk legt op veel licht in de ziekenkamer, zonnebaden voorschrijft voor zwakke personen, het geconcentreerde licht als geneesmiddel gebruikt voor huidziekten als lupus en andere, dan vindt dit altoos weer zijn oorzaak in de chemische werking, die van het zonnelicht uitgaat. Zonder licht en zonder lucht is geen gezondheid mogelijk.

Maar hetzelfde geldt evenzeer positief. Het menschelijk organisme is zoo geschapen, dat het telkens vernieuwing behoeft. De cellen, waaruit het lichaam is opgebouwd, „verbranden" gelijk men het gewoonlijk noemt, en moeten daarom telkens door nieuwe worden vervangen. De groote fabriek nu, waar deze nieuwe cellen geproduceerd worden, is de plantenwereld. Niet ons menschelijk lichaam en ook niet het dierlijke, maar alleen de plant bezit het wonderbare vermogen om de anorganische stoffen in zich op te nemen, te assimileeren en in dien vorm om te zetten, waardoor ze èn voor het menschelijk èn voor het dierlijk lichaam als voedsel geschikt worden. Of de menschen dit voedsel of door middel van het dier óf rechtstreeks uit de plantenwereld zelf ontvangen, doet niets ter zake. Het vleesch dat we eten, danken we aan de koe, die het op haar beurt weer ontleende aan het gras van de weide. Zoowel uw brood, dat ge uit het koren hebt bereid, als uw vleesch, dat ge bij uw slager hebt gekocht, is daarom zonder*de plantenwereld ondenkbaar. De anorganische stoffen, die zóó in uw lichaam ingebracht, u niets zouden baten of zelfs doodelijk zouden werken, worden door de plant zonder gevaar opgenomen en tot voedsel verwerkt. Da mensch kan alleen leven van brood, maar de plant zuigt haar voedsel op 'uit de aarde. Daartoe ontving ze haar wortels en haar bladeren. Beide zijn, indien ge zoo wilt, de mond, waarmede de plant haar voedsel tot zich neemt, en dit voedsel omzet in de cel, die voor het dierlijk en menschelijk lichaam noodig is.

Vraagt men nu hoe dit proces in de plant toegaat, zoo luidt daarop het antwoord, dat een der machtigste factoren bij die omzetting de chemische werking is van het licht. Het is die chemische werking van het licht, waardoor de wazige druiventros zwelt aan den wijnstok; waardoor het goudgele koren rijpt in de halm; waardoor het malsche gras de weiden overdekt. Een zomer, zoo rijk aan zonnelicht als we thans achter ons hebben, is daarom voor den bouwboer zulk een rijke zegen. In Oostersche landen, waar het zonnelicht zooveel rijker straalt, toont de plantenwereld een groei en rijkdom van vormen, als in ons kouder klimaat nooit wordt aanschouwd. Licht is voor de plant dus een levensvoorwaarde. Mensch en dier kunnen desnoods een tijdlang zonder licht het uithouden, maar de plant, die geen licht heeft, verkwijnt en sterft. Zonder licht zou geen plantenwereld op aarde denkbaar zijn. Eerst toen God het licht geschapen had, kon zijn scheppend woord tot de aarde uitgaan, dat „de aarde zou uitschieten grasscheutjes, kruid zaadzaaiende en vruchtbaar geboomte, dragende vrucht naar zijn aard." Was de schepping van het licht niet voorafgegaan, dan zou de plantenwereld even spoedig zijn te niet gegaan, als ze op Gods bevel uit de aarde ontsproten was.

Elerst wie dat helder heeft ingezien, hoe zonder plantenwereld mensch noch dier kan bestaan en hoe die plantenwereld wederom zonder licht ondenkbaar is, kan ook begrij­ en de beteekenis die de sterren voor deze arde hebben.

Want wel is het licht van de zon de erste en voornaamste bron, waardoor de lantenwereld in stand gehouden wordt, aar de eenige bron is het niet. Het zonelicht werkt alleen gedurende den dag, en ls de zon is ondergegaan houdt haar wering op de plantenwereld op. Maar thans angt in den nacht een geheel andere lichtwerking aan; het is het licht van de duienden en duizenden sterren, wier glansen oordringen tot de aarde. Ons oog kan slechts het licht van een klein getal dier sterren onderscheiden; de meeste sterren hebben zoo weinig lichtglans, dat ze voor ons onzichtbaar zijn. Maar al ziet ons oog haar lichtstralen niet, die stralen dringen toch door op de aarde, en de gevoelige plaat van het photographietoestel vangt ze open toont ons, dat deze sterren bestaan. Plekken aan den hemel, waar ons oog slechts een paar sterren waarneemt, blijken nu bezaaid te zijn met sterren. En evenals de gevoelige plaat van het photographietoestel de chemische werking van het licht dezer sterren ondergaat, zoo is het ook met de bladeren der planten en boomen. Gevoeliger voor de inwerking van het licht dan het netvlies van ons oog, gaat geen lichtstraal voor hen verloren. Wij mogen de meeste dier sterren niet kunnen zien, de chemische kracht van het licht, dat ze uitstralen, oefent daarom niet minder haar werking uit.

Welk een rol nu dat sterrenlicht in het leven der planten speelt, is een vraag, die de wetenschap nog niet heeft beantwoord. Slechts op één ding kan gewezen worden. Evenals bij den mensch en het dier de wisseling van dag en nacht gepaard gaat met een overgang uit het wakende in het slapende leven, zoo is ook het leven van een plant in den nacht anders dan over dag. Bij mensch en dier bestaat die overgang daarin, dat hij 's nachts rust, dat in die slaap de actie van het lichaam uitwendig stilstaat en inwendig vermindert. Bij de plantenwereld daarentegen is dat zoo niet. De plant groeit 's nachts evengoed door, soms zelfs sterker dan overdag. Maar wel ligt het verschil daarin, dat de werking van het plantenleven in den nacht een geheel ander karakter vertoont. Planten, die ge overdag zonder schade in uw kamer kunt hebben, worden 's nachts gevaarlijk. Overdag ademt de plant zuurstof uit, in den nacht stikstof. In hoeverre die veranderde functie van het plantenleven nu saamhangt met de eigenaardige chemische werking, die het sterrenlicht op de plantenwereld uitoefent, is nog niet uitgemaakt. Maar het feit zelf, dat het leven der planten door den invloed van het licht beheerscht wordt; dat zonder licht de plant haar ontwikkelingsgroei niet kan voortzetten, wijst er op, hoe een nacht, waarin alle licht aan den hemel zou zijn uitgedoofd, zooals zonder sterrenv/ereld het geval zou wezen, ook voor de planten gevolgen zou hebben, waarvan de beteekenis niet mag worden onderschat.

In hoeverre ditzelfde ten deele ook geldt van het menschelijk en dierlijk lichaam, laten we thans rusten. Bij de plant is de chemische werking van het licht het sterkst, en daarom vestigden we op de plantenwereld vooral de aandacht. Maar naarmate de wetenschap verder voortschrijdt en de „wonderen van het licht" ontsluiert, zal het steeds duidelijker blijken, dat zelfs de zwakste lichtstraal, die van de verst afgelegen ster op de aarde doordringt, hier een roeping heeft te vervullen. Een aarde, die alleen overdag het licht der zon ontving, om daarna eiken nacht in tastbare duisternis te worden gehuld, zou niet alleen voor de plantenwereld, maar ook voor mensch en dier zulk een geheel andere omstandigheden aanwijzen, dat het de vraag is, of het leven dan nog bestaan kan. Wat Prof. Donders eens gezegd heeft, dat elke atoom in het heelal met de andere atomen saamhangt en daarop invloed uitoefent, geldtin nog in veel sterkere mate van die machtige sterren, die God aan den hemel schiep. Hoe eindeloos ver ook van deze aarde verwijderd en door afstanden van ons gescheiden, die zelfs door geen getallen zijn uit te drukken, — de lichtstraal, die van deze zonnen uitstraalt, dringt door het heelal heen, raakt deze aarde aan, en oefent invloed op al wat op haar leeft.

De voorstelling, alsof onze aarde alleen in verband zou staan met ons zonnestelsel, maar de sterrenwereld daarbuiten voor haar geen doel zou hebben, is daarmede onhoudbaar gebleken. Indien zelfs van die sterren, die het menschelijk oog niet waarnemen kan, het licht toch de aarde bereikt en gelijk alle licht invloed oefent op het organische leven, dan is er ook een band tusschen ons en die sterrenwereld en vervalt vanzelf het bezwaar, dat deze aarde niet het middelpunt en het doel kan wezen, waarom God die sterrenwereld schiep.

Toch dient hierbij één ding wel in het oog te worden gehouden, opdat men niet in een andere eenzijdigheid vervalt, die even gevaarlijk voor ons geloof zou zijn.

De Schrift leert ons zeker, dat heel de aarde geschapen is om den mensch; dat zelfs de zon, de maan en de sterren aan den hemel zijn gesteld tot „lichten, gezette tijden en teekenen" voor den mensch; zelfs gaat de Schrift nog verder en zegt, dat ook die machtige engelen, die God schiep opdat ze in zijnen hemel Hem prijzen zouden, „gedienstige geesten zijn, uitgezonden ten dienste dergenen, die de zaligheid zullen beërven." Alles is het uwe en gij zijt van Christus en Christus is Gods; is wel de rijkste uitdrukking van de hooge eereplaats die God aan den mensch boven al zijn medeschepselen sehonk. En al zien we nu nog niet, gelijk de Apostel Paulus in Hebr. 2 : 8, 9 zegt: at den mensch alle dingen onderworpen zijn, we zien in onzen Midde-

laar en Verlosser, die onze menschelijke natuur aannam, tot welk een eere en heerlijkheid God den mensch bestemd heeft, waar Christus tot een hoofd over alle ding is gesteld.

Maar hoe onwrikbaar we aan dit Woord Gods vasthouden en daarom de centrale plaats van den mensch niet alleen op aarde maar in het heelal handhaven, toch mag daarom nooit vergeten, dat het einddoel van alle schepsel niet in den mensch ligt, maar in de verheerlijking van Gods Naam

Reeds hier op aarde gaat het niet aan te zeggen, dat elke plant en elk dier geen ander doel heeft dan om den mensch te dienen. De grimmige ijsbeer, die rondzwerft in de Noordpoolstreken, waar nooit menschenvoet doordrong, werd niet alleen geschapen, opdat de mensch met zijn vacht zich tegen de koude zou kunnen beschermen. De wonderschoone orchidee, die in de ondoordringbare moeraswouden van Guinea groeit, spreidt haar kleurenpracht niet alleen ten toon, opdat het mcnschelijk oog er zich in verlustigen zou. De majestueuse toppen van het Himalaya-gebergte, waarop nooit menschenvoet heeft gerust, zijn niet alleen geschapen, opdat ze een sportterrein zouden aanbieden voor den stoutmoedigen Alpinist. Er zijn heele streken op onze aarde, waar van den aanvang der schepping af, nog nooit de mensch is doorgedrongen, en de schoonheid van berg en stroom, de rijkdom der plantenwereld, de wilde moed van het steppenpaard of de slanke gestalte van gazel en hert, die daar rondzwerven, kunnen niet alleen ten doel hebben gehad om den mensch te bekoren, zijn macht tedoeiï uitkomen of hem te dienen.

In dat alles toont zich de rijkdom van de Scheppingsmacht Gods. En gelijk God, eer Hij nog den mensch formeerde, al deze dingen geschapen had en zag, dat ze zeer goed waren en zich verlustigde in hun aanblik, zoo is ook nu nog deze aarde met haar rijken tooi een verlustiging voor het oog van uw God, een openbaring van die krachten en mogendheden, die Hij door de schepping in zijn schepselen heeft gelegd, een afschijnsel van de heerlijkheid, die in Hem wordt gevonden.

En datzelfde geldt in nog veel sterker mate van die sterrenwereld, die Hij tegelijk met deze aarde in het aanzijn riep. Wanneer eerst thans, duizenden jaren nadat de mensch de aarde bevolkt heeft, door den telescoop de geheimen van die sterrenwereld ten deele ons ontsluierd zijn; wanneer we nu weten, dat daar verre buiten ons zonnestelsel myriaden andere zonnen zich bevinden; dat die zonnen elk haar eigen kleur en lichtflonkering hebben, zich te zaam verbinden tot groepen of om elkander zich bewegen; dan kan toch niet gezegd, dat die onbeschrijflijke pracht van lichtglansen, die van deze zonnen uitstraalt, alleen dient om ons oog te bekoren of om op deze aarde het leven van den mensch mogelijk te maken. Ook met dat doel zijn ze geschapen, maar om dat doel a/Uen niet. Wanneer de psalmdichter in Ps. 148 heel de natuur oproept om God te verheerlijken, dan richt hij in de eerste plaats die roepstem tot de hemelen daarboven: „Looft Hem, zon en maan! Looft Hem, alle gij lichtende sterren! Dat zij den naam des Heeren loven; want als Hij het beval zoo werden ze geschapen. En Hij heeft ze bevestigd voor altoos in eeuwigheid; Hij heeft hun een orde gegeven, die geen van hen overtreden zal." In de schepping en instandhouding van die sterrenwereld spreekt zich de almogende kracht Gods het heerlijkst uit. En daarom gaat van die sterrenwereld een loflied uit; ze verkondigen de majesteit Gods; ze roemen de vastheid zijner ordinantiën. Dat is het eerste en hoogste doel, waartoe die sterrenwereld geschapen is. Ze zijn er om de heerlijkheid Gods te openbaren voor Gods eigen oog. En eerst daarna, om den mensch te dienen en hem tot aanbidding van God op te wekken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 oktober 1904

De Heraut | 4 Pagina's

De plaats van den mensch in het heelal.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 oktober 1904

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken