GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Van de Voleinding.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Van de Voleinding.

22 minuten leestijd

CCVI.

ZESDE REEKS.

XXIX.

Maak u op, word verlicht, want uw licht komt, en de heerlijkheid des HEEREN gaat over u op. , Jes. 60 : 1.

Neemt men nu beide aan, in de eerste plaats, dat ook de profetie over koning Cyrus van Perzië die eerst in 537 Israel vrijliet, reeds C. 700 v. Chr. uit Jesaia's pen is gevloeid, en ten tweede, dat zulk een profetie noch kan noch mag c^gevat als het beluisteren en boeken van een dictaat, dan komen we van zelf voor de zeer ernstige vraag te staan, op wat wijs we ons dan een profetisch verschijnsel als ir. Jesaia 45 voor ons ligt, te verklaren hebben. Wat we hier vragen met opzicht tot Jesaia 45, geldt natuurlijk evenzoo voor de overige hoofdstukken van 40—66; en dat wè meer bepaald onze vraag op hoofdstuk 45 richten, is eeniglijk, omdat hier het vreemdsoortige van het profetische verschijnsel het sterkst uitkomt. Terecht toch is door hen die de echtheid van Jesaia's tweede deel bestrijden, opgemerkt, dat zich in deze tweede Jesaiaansche verdeeling iets ongewoons voordoet. Dit ongewone bestaat namelijk hierin, dat in geheel de profetie de ziener die spreekt, zoo goed als altijd spreekt van uit de positie en den tijd, waarin hij optrad. Ook in het eerste deel van Jesaia ontwaart men dit. Zeer enkele hoofdstukken daargelaten, spreekt en getuigt in Jesaia 1—39 een ziener die leeft in Palestina, nader zelfs in Juda, en bijna altijd in Jerusalem. En van den tijd waarvan hij spreekt, als de jaren van zijn eigen leven. Zelfs stelt Jesaia er prijs op, het op zeer nauwkeurige wijze aan, te geven, dat zijn optreden viel in.de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz en Hizkia, die saam regeerden van 775 tot 686 v. Chr. Stelt men nu echter de als' van zelf zich opdringende vraag, of zulks in Jesaia's tweede deel, van 40—66, even zoo het geval is, dan blijkt reeds bij oppervlakkige inzage en doorlezing van deze kapittels, dat zulk een uitgangspunt hier geheel ontbreekt. Veel meer ontvangt men den indruk, dat de Ziener, die ons in Jes. 40—66 toespreekt, zich te midden van de Babylonische periode bevindt. In de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz en Flizkia waren het nog altoos de Assyriërs, en niet de Babyloniërs, die in het Oosten de opperheerschappij voerden. In 722 was liet liijk van Israel niet door een bewindvoerder uit Babel, maar door Salmanassar, die zijn troon en paleis in de Assyrische hoofdstad Ninevé bezat, te niet gedaan. Dit nu vraagt een-verklaring. Indien Jesaia's tweede deel van hoofdstuk 40—66 echt is, hoe is 't dan te verklaren, dat bij den Ziener die hier spreekt, de achtergrond vanwaar hij optreedt, meer dan anderhalve eeuw later, en in een heel andere landspositie is te zoeken ? Iets waarbij zich dan vanzelf als tweede bedenking de geheel and%re vraag aan ons opdringt, hoe het rijkste prachtstuk van alle tot ons gekomen profetieën, gelijk we Jesaia 40—66 toch wel noemen mogen, een puur dictaat zou zijn geweest, waar ons toch^op overtuigende wijze bleek, hoe er van een enkel letterlijk naschrijven van wat woord voor woord beluisterd was, in de daarvoor veel te hoog staande firofetie geen sprake kan zijn.

Deze moeilijkheid is niet onder de oogen te zien, of we moeten vasthouden aan het eigenaardig karakter van de profetie in Israel, en niet minder aan het stellige gegeven, dat Jesaia daarbij onder alle profeten de hoogste plaats der eere inneemt; we zouden er zelfs bij kunnen voegen, dat juist Je.saia 40—66, meer zelfs nog dan het eerste deel van zijn Godspraken, ons de voleinde schoonheid en de hoogste ontplooiing van de Israëlitische profetie vooriegt. Boven Jesaia 40—66 gaat'in het geheel der Israëlitische profetie niets. Voorzoover er ook in het wezen der profetie onder Israel van een eigen volkomenheid aan het eind van hare ontwikkeling sprake kan zijn, vindt ge die niet bij een der andere profeten, maar bij Jesaia, en in Jesaia's profetischen bundel zeer bepaaldelijk in het tweede deel dat met Jesaia 40 inzet. Zoo stuit men, dan op deze tegenstelling, waarover niet mag worden heengeloopen, dat we hier te doen hebben met de rijkste vrucht, die de profetie in Israel ooit gedragen heeft, en dat 't toch van achteren den indruk maakt, alsof hier niets voor ons lag, dan een beluisterd, voorgezegd, of gedicteerd stuk. Een gedicteerd stuk opschrijven, kan nu ook iemand die geen profeet was. Daarvoor was niet a, nders dan een foed gehoor en een vaar­ dige' pen noodig. Desnoods had derhalve zelfs iemand die geen profeet was, zulk een stuk kunnen opschrijven. Leert nu daarentegen geheel het rijke verschijnsel \"^\\ de profetie in Israel, dat voor. alle hooge, degelijke profetie tweeërlei noodig is, ten eerste een man van hooge persoonlijke profetische ontwikkeling, en in de tweede plaats een inwerking van Jehovah op den alzoo gereedstaanden profeet, dan ware geheel deze voorstelling, alsof er hier alleen van eèn dictaat en een copiïsf sprake zou geweest zijn, in den meest volstrekten zin onhoudbaar, en blijkt op onweerlegbare v/ijze, dat hier een gansch andere verklaring moet gegeven worden, en wel zulk een verklaring, die èn de preciese voorzegging van gebeurtenissen die eerst bijna twee eeuwen daarna zouden voorvallen, èn de hooge ontwikkeling van de profetie die hierin uitkwam, beide tot haar recht doen komen. We moeten het ons duidelijk pogen te maken, hoe we eenerzijds een profetie voor ons krijgen-, * die nauwkeurig de historie meldt van dingen die eei-st bijna twee eeuwen later zouden gebeuren, en' hoe anderzijds die praeciese vermelding ons kon geboden worden in een stuk, dat de profetie in Israël tot het hoogste toppunt opvoerde.

Dit nu zal u nimmer gelukken, Z(jo ge in den Israëlitischen profeet feitelijk niet anders ziet dan een luchtpijp of trccliter, waar de stem Gods doorheen ruischte; doch gelijk we reeds opmerkten, komen we reeds voor een gansch ander verschijnsel te staan, zoo we hier niet het beeld van den roeper bezigen, die op zee voor den kapitein dienst doet, maar vasthouden aan het beeld van de harp of eenig ander hoog staand muziekinstrument. Een. r, oeper op zee'is niet anders dan een soort luchtkoker waar de stem doorheengaat, en waarin die stem zich uitzet. Bij een harp-of fluitspeler, of bij een violist daarentegen, is het juist de mindere of meerdere fijnheid van het muziekinstrument, dat over de uitwerking van den toongalm beslist. Bij een harp of viool kan dit zulk een onderscheid maken, dat een beroemde viool, als ze door versterf vanden bezitter in verkoop komt, met goud en nogmaals goud betaald wordt. Aan dit beeld nu moet ge ook bij een profeet vasthouden. Dat de profetie een achtergrond ook in de heidenwereld bezat, ontkenden we niet, eer wezen we er zelf op, maar toch, ditwai spelen op een gebroken kunstwerk, en alleen in Israël, is die hooge pi-ofetie opgekomen, die leidde tot een spreken, een waarlijk spreken van God in en door zijn Zieners. Het slagen hiervan hing altoos van twee voorwaarden af, ten eerste van de gereedheid van den man, die als ziener of profeet zou optreden, om als instrument Gods dienst te kunnen doen, en ten tweede van den bijzonderen rijkdom van de bijzondere openbaring, die het God believen zou do.or het aldus gereedstaande instrument onder Israël, en door Israël tot de wereld, te doen uitgaan. Hoe hooger de openbaring zou 'gaan, des te hooger moest ook de zeer fijne bewerktuiging van het instrument, d. i. hier van den profeet, staan, en omgekeerd, hoe fijner en edeler en rijker die bewerktuiging was, des te rijker zou de openbaring zijn, die door hem in Israël werd uitgedragen. Het één hing steeds met het ander sa^m. Het één was niet van het ander te scheiden. Er waren profeten die als instrument van de laagste van de tweede, en van de derde orde dienst deden, en hiermede hing 't nu vanzelf samen, dat een profeet die instnuuent van de laagste orde was, minder dienst kon bewijzen dan een profeet die als instrument in de tweede orde stond, - en dat ten slotte alleen die profeet, die onder allen als instrument van de hoogste orde gojd, ook de rijkste openbaring van Godswege aan zijn volk kon; overbrengen. Zoo genomen nu is het aan geen twijfel onderhevig, of Jesaia was instrumenteel de profeet van de hoogste orde, onder alle profetische harpen, , luiten of violen de rijkst geïnstrumenteerde. Er is verschil ook in de profetie, en ook buiten Jesaia zijn er zeer rijke profetieën tot ons gekomen, doch boven Jesaia gaat in profetische majesteit niemand uit.

Waarin bestond nu, als we zoo zeggen mogen, de profetische gereedtnaking of voorbereiding, om als instrument voor de Goddelijke openbaring dienst te kunnen doen? Reeds in wat we ten beste gaven kwam uit, hoe zulks niet enkel van den persoon van den Ziener afhing. Elia staat in Israel hoog, maar Jesaia kon niet in Israel, hij moest in Juda optreden, omdat de Jehovah-dienst in Juda zooveel beter den geest van den profeet voor zijn levenstaak voorbereidde. Een groot profeet wa; ; het product van wat (}od in zijn volk, in een bepaald geslacht, en, ten slotte in een bepaalde familie en'een bepapild gezin, en zoo eindelijk eerst''', i een bepaald persoon, had doen ontkieni.t-n. De profeet is geen op zichzelf staand iiidividu, maar een levend en bewust organisch in zijn volk en stam en familie inlevend Ziener, Alles wat achter hem ligt, heeft er toe bijgedragen, om hem zoodanig te maken, als hij later bleek te zijn, 'Was. dit reeds zoo in zijn ontvangenis en geboorte, dit bijzondere werd in hem Versterkt dooF-de gebeurtenissen en omstandigheden van zijn leven, en over dit zijn lot beschikte Jehovah op''zoodanige wijze, dat het de profetische gave van den profeet van zelf rijpen dééd. Ook hier gold 't zeggen van dén psalmist: Gij zult mijn goed, mijn God, mijn erfenis en het deel mijns bekers wezen. Gij onderhoudt gestadig het heuglijk lot, dat Gij zoo mild voor mij hebt uitgelezen*. Geheel de profetie, en in die profetie de enkele profeet, was een plantinge, door God geplant. Rom. VIII : 19--23 gaat ook hier door. In alle schepsel is een werking'Gods, die allengs in de ziel tot bewustzijn komt, en dan door den Heiligen Gecwt vertolkt wordt. En ZOG nu ook was het in de profetie. Om de profetie mogelijk, te maken, moest er in Israel zekere gemeenschap tusschen het bewustzijn van den geloovige en het allen beheerschend bewustzijn Gods gekweekt worden. In het algemeen geldt 't op hooger terrein, dat wij niet weten te bidden gelijk het behoort, niaar dat de heilige Geest onzen geest te hulpe komt, en^voor ons bidt met onuitsprekelijke verzuchtingen. En dit algemeene karakter van de gemeenschap tusschen Gods verborgen weten, en 's menschen besef, dat in heel de Christelijke kerk doorgaat, was nu ook reeds in Israel opgewekt, en jlit droeg ook in de profetische actie ecu gcScc! bijzonder karakter. Waar, naar Gods bestel, een groot profeet verwekt moest worden, had God de Heere reeds in de voorafgaande geslachten van deze of die familie, en ten .slotte in dit of dat gezin, alles er organisch op voorbereid, om op het gewenschte oogenblik den man te doen optreden, die-alles in zich bezat, wat noodig was om hem tot een instrument van Gods bijzondere openbaring te maken.

Stellen we nu, in verband hiermede, de zoo gewichtige vraag van de voorkennis der toekomende dingen, niet in het algemeen, maar tot in de kleinste bijzonderheden, dan is het voor wie aan Gods bestel en voorzienigheid vastelijk gelooft, geen oogenblik aan twijfel onderhevig, of God de Heere weet vooruit al wat er gebeuren zal. De voorkennisse Gods van de toekomende dingen is volstrekt. Nooit, op niet één oogenblik, njet het oog op niet één gebeurtenis, heerscht er in de kennisse Gods ook maar de minste onzekerheid omtrent hetgeen te gebeuren staat. Het is wel zoo, dat velen zekere vrijheid voor de kennisse van 's menschen wil 'pogen open te houden, maar zelfs zij die hierin heil zoeken, loochenen daarom toch de voorkennisse Gods niet. De apostel roept het dan ook uit: sWant die Hij te voren gekend heeft, die heeft hij ook te voren verordineerd, den beelde zijns Zoons gelijkvormig te zijn". Ook van u zelf gelooft ge dan ook niet, dat God eerst van u af kwam te weten, toen ge het levenslicht zaagt, maar vlak omgekeerd, dat ge reeds vóór uw ontvangenis in geheel uw wezen, geheel uw aard en karakter, en met heel uw komend levenslot, totin uw sterven toe, Gode bekend waart. Eer vader of-moeder u een naam gaven, heeft God uw naam gekend. Te zeggen, dat God de Heere met een Abraham, met een iVIozes, met een David, eerst na hun geboor.te kennis zou hebben gemaakt, is klaar onzinnig. Is dit nu zoo, dan volgt hieruit, dat Gode derhalve met volkomen zekerheid bekend was, dat na Assyrië het rijk van Babel weer op den voorgrond zou treden, en dat straks ook dat rijk van Babel onder zou gaan, om voor het rijk der Perzen plaats te maken. Evenzoo was het voor God klare feitelijkheid, dat bij dit optreden van.de Perzeii, aan het hoofd van dat volk een Vorst zou staan "van ongemeene bekwaamheid, en dat zijn naam zou zijn Cores of Cyrus. jMaar dan ook evenzoo bekend, dat deze Cyrus omtrent het midden van de 500 jaren vóór Christus zou leven en dat in dezen Cyrus al spoedig de neiging zou opkomen, ja dat het besluit bij hem vast zou .staan, om de Joodsche ballingen uit het Babylonische land vrijheid tot terugkeer naar Palestina te verleenen. Ja, sterker nog. Niet alleen toch dat dit alles eeuwen te voren Gode bekend was, maar het lag evenzof) in Gods besluit, om dat Perzische rijk te voorschijn te roepen, en om C}'rus z i m h i g b h h h p k z v k o b v g h g G zóó te formeeren, met talent te voorzien, en te zegenen, dat hij, eenmaal koning v geworden, vanzelf in zijn hart den zin, de neiging en den wil zou voelen opkomen, om de Joden vrijuit te laten, gaan. Zelfs kan gezegd, dat God de Heere reeds in Jesaja's dagen er alles op voorbereidde, om orhstreeks 540 te maken, dat Cyrus er was, en dien C}'rus op zoo energieke wijze in zijn' dienst te nemen, dat hij \villig en als vanzelf uitrichtte al datgene waartoe ^God hem verkoren had.

Det er nu op, hoe in Jesaja 45 geheel in dezen zin de profetie uitgaat. Het wordt ons niet voorgesteld^ alsof er ja een Perzisch rijk zou komen, en alsof in dat Perzisch rijk zekere Cyrus zou optreden. Ganschelijk niet. Het gaat veeleer in Jesaja 45 alles rechtstreeks van God uit. Het is Jehovah die zijn raadslag voltrekt, en het is als instrument voor de uitvoering van dien raadslag, dat C)'rus of.) zal treden. Cyrus heet daar Gods »gezalfde«: > Alzoo zegt de Heere tot zijn-gezalfde, töt Cores wiens rechterhand ik vat.« Wat C}TUS als heerscher volbrengen zal, zal van Godswege in hem bewerkt worden. Daarom staat er dat hij »Gods gezalfde" is, en. dat God zijn rechterhand vat, »om de volken voor zijn aangezicht neder te werpen". God neemt geen kennis van wat er gebeurt, maar Jehovah is van eeuw tot eeuv/ zelfdoende, om 't alles in juiste volgorde te doen gebeuren, niet alleen in Israel, maar ook onder de Heidensche volken. En dit alles nu ligt als in een vast kader en in een sprekend, levend beeld voor Gods heilig oog, niet pas op 't oogenbhk dat het zal gebeuren, maar reeds eeuwen vooraf, en in die eeuwen vooraf zóo precies en zóo duidelijk, als ware de tijdsorde er reeds aan toe. Met deze vastheid en nauwkeurigheid van Gods besLei, 'Goü-b voorweLenscuap, en Gods doorzetting van zijn wil, is nu door de critici die op Jesaja 40—66 aanvielen, zoo goed als nimmer gerekend. Ze achten het beneden de waardigheid van de heilige profetie te zijn, dat'deze af zou dalen tot in de voorkennis van zulke bijzonderheden, als het straks opkomen van Cores of Cyrus. Zoo nu zouden ze niet hebben kunnen oordeelen, indien ze zich in de heilige voorkennisse, in het heilig bestel, en het heilig doorzetten tot in de kleinste bijzonderheden van Gods raad en wil hadden ingedacht. Staat 't toch vast, dat 't allerminst in strijd is met de hooge waardigheid van Gods voorzienig bestel, om tot in de kleinste bijzonderheden al wat er gebeuren zal, nauwkeurig te weten, voor te bereiden, en-te zijner tijd te doen komen, hoe ter wereld zou 't dan niet van hooge Majesteit zijn, en de profetie tot hooger standpunt verheffen, zoo ook de profeet verwaardigd werd tot in deze toekomstige bijzonderheid, als bij vergezicht, zijn blik te mogen doen uitgaan, en' ze vooruit aan 's Heeren volk te mogen aankondigen. Dit punt nu is vóór geheel onze opvatting van de heilige openbaring, in de boeken van het Oud en Nieuw Verbond van zoo overwegend' en allesbeheerschend gewicht, dat we er niet over mochten heenloopen, en dit wijl hieraan metterdaad geheel de waardschatting van de ons door God verleende openbaring hangt.

Eerst van uit dit standpunt nu kunt ge verstaan en doorzien, welke heilige majesteit er achter schuilt, als een profeet in Israel een bepaalde gebeurtenis voor verre toekomst, tot in bijzonderheden, vooraf aan het volk aankondigt. Vast staat nu, dat in de voorkennisse Gods zulk een toekomstig gebeuren klaar en helder, en tot in de kleinste bijzonderheden, vastligt, en bekend is. De vraag die rest, is dus alleen, of er een wijze denkbaar is, waarop God de Heere, voorzooveel hem zulks belieft, één' of meer stukken uit die voorkennis ui het bewustzijn van eenig kind des menschen met zekerheid kan doen opkomen. Nu te zeggen, dat dit als door een dictaat zou hebben plaats, gehad, stelt geen oadenkbaarheid. Waarom toch zou 't Gode onmogelijk zijn geweest, gelijk hij tot Adam in het paradijs in verstaanbare gedachte, zijn wil mededeelde, zoo ook later aan wien ook iets te doen weten wat te gebeuren stond? Denk alleen maar aan Bfleam. Dat we desniettemin tegen elke voorstelling alsof 't alzoo ook met Jesaja had plaats gegrepen, niet zonder zekeren wrevel zelfs, opkomen, ligt dan ook aan heel iets anders, en we! hieraan dat elke voorstelling van dien aard het wezen en karakter van de profetie in Israel ten eenenmale miskent. De profetie in Israel kwam ten principale daaruit op, dat het Gode in de ure der Schepping beliefd heeft, den mensch in het paradijs te scheppen naar zijn beeld rn naar zijn gelijkenis. Daarin lag de geheel eenige, de zoo heerlijke positie van het menschenkind, in eere zelfs boven de eere der engelen uitgaande. Dit scheppen naar Gods beeld houdt vanzelf in, dat er zekere gemeenschap van zin, gedachte en bedoelen^ tusschen God en den mensch kon en zou opkomen. Deswege was die schepping ' naar Gods beeld dan ook zoo allesbeheerschend, dat geheel het Messiasschap, en hetgeen, als vrucht van het Messiasschap, op den Pinltsterdag weer zou opleven, alleen uit dit ééne feit te verklaren is. Denk u die schepping van den mensch naar den beelde Gods weg en er is geen Messias denkbaar, er kan geen sprake zijn van de geloovigen als Gods kinderen, en geheel de apocalyptische voorstelling van het volzalig eeuwig leven valt weg. Staat daartegen die schepping naar Gods beeld als uitgangspunt vast en is er daarom sprake van, dat de geloovige den Beelde zijns Zoons gelijkvormig moet worden, dan is 't de gemeenschap van 's menschen bewustzijn met het Goddelijk bewustzijn, die in den dag der nieuwe eeuwige glorie voor altoos hersteld zal moeten zijn.

Nu is deze gemeenschap, zij 't ook in zeer geringe mate, nog altoos onder alle volken merkbaar gebleven. Al zijn't slechts kleine overblijfselkens van dit heilige beeld Gods, die hier en-daar fonkelen mogen, geheel doorgesneden is toch de band tusschen dat beeld en ons niet. Bij niet één mensch. En die doorsnijding zal zelfs bij den ongeloovige eerst in het jongste oordeel Volgen. Dan zal er zijn weening en knerzing der tanden. Jezus heeft nimmer geaarzeld dit zoo besHst mogelijk uit te spreken. Maar al moet daarom onveranderlijk beleden, dat er hier op aarde in dit tijdelijk leven niet één booswicht denkbaar is, in wien niet nog altoos een flauw naschijnsel van L be: ..lJ ouuj < iaii\ve/, ig vVrtS, Lücli moet erkend, dat dit overblijfsel te zwak is, om uit zich zelf den weg des heils te hervinden. In dit feit' nu wortelt de noodzakelijkheid van een bijzondere openbaring, en Israels geheel exceptioneele positie is nu uitsluitend daaraan te danken, dat 't Gode beliefd heeft, in dat volk van Israël een licht te doen stralen, dat geen ander volk kon, opvangen. Kunst, wetenschap, geleerdheid mogen elders-zelfs meer d'n in Israël uitgeblonken hebben, een gemeenschap van 't menschelijk bewustzijn met het bewustzijn Gods kon niet vanzelf opkomen, was alleen bij het intreden van ee, . bijzondere genade denkbaar, en aan Israël was het hooge privilege gegund, om van dit exceptioneele de drager te zijn. Alleen uit en door Israël zou deze gemeenschap ook het deel van de geroepenen uit de andere volken kunnen worden. Feit is het derhalve, dat hef optreden der profetie in Israel is het optreden van een verschijnsel, dat een brug legt tusschen de droeve gevolgen van den val en de hope der toekomst. Edoch, en hierop kan niet genoeg nadruk gelegd, volstrekt niet enkel door wat aangekondigd werd, maar in veel strenger zin zelfs door wat in het bewustzijn van den Profeet zelf omging en door God in hem bewerkt werd. Tusschen Jehova en zijn profeet was van Gods zij een band van gemeenschap gevlochten, die niet met den band van het kindschap op één lijn staat, maar er verwant aan was, en een deel ervan deed uitkomen. De profeet in Israel bezat iets dat de gewone Israëliet niet bezat. Dit had de profeet niet uit zich zelf, en dat ontving hij evenmin van vader en moeder of van eenig ander profeet. Profetenzoneh als - in de dagen van Elia gekend zijn, waren daarom nog allerminst lid van het heilige corps der profeten. In dat corps waren ze niet ingelijfd. De echte profeten hadden van Godswege een bewerking ondergaan, die aan hun persoonlijk karakter, aan hun talenten, en aan hun zielsbewustzijn een eigenaardigen vorm gaf. Hierdoor en hierdoor alleen had Jehovah ze zich tot zijn instrumenten bereid, die bezaten wat hun eigen zijn moest, om zijn instrumenten te kunnen zijn. De profeet rnaakte niet zichzelf voor zijn dienst gereed, en werd er niet door anderen toe opgevoed, maar 't was God zelf, die zijn verkoren instrument maakte tot wat - het zijn moest, om Hem als instrument te dienen. Zooals Jehovah geen ander persoon vormde, zoo vormde en bereidde Hij zich zijn profeet.

Nu verscliilden deze profeten in graad en orde. Gelijk reeds is opgemerkt, er waren profeten van de laagste, van de tweede en van de hoogste orde. Dit nu had van zelf ten gevolge, dat de gemeenschap v^n het zelfbewustzijn bij den éénen profeet veel verder ging dan bij den anderen. Hoe hooger de profeet in graad en orde stond, des *^'? klaarder werd zoo van zelf de gemeenschap, die tusschen zijn zelfbewustzijn en

het Goddelgk bewustzijn, inzake de Openbaring, zich bespeuren liet. Stond nu Jesaia, als schier geheel eenig profeet, de hoogste in rang, graad en orde, dan vloeit hieruit met noodzakelijkheid voort, dat er onder alle profeten niet één geweest is, bij wien die gemeenschap van het eigen bewustzijn met het bewustzijn van God zoo ver en zoo diep doordrong, als bij den Vorst onder de Zieners. Dit nu bracht van zelf te weeg, dat, voor zoover God het noodig keurde, hetgeen in het bewustzijn Gods als voorkennisse aanwezig was, door den Heiligen Geest ook in het bewustzijn van deze hoogsten profeet kon worden ingedragen. En hieraan nu juist beantwoordt de rijke schat van profetie, die ons in Jesaja 40—66 geboden wordt, geheel en al. Het is in deze wonderschoone en majestueuze profetieën bijna, eeniglijk God zelf die spreekt en getuigt, wel door het bewustzijn en door het woord van den profeet, maar toch zoo, dat het bijna steeds het Goddelijk bewustzijn is waaruit het getuigenis opkomt, zij 't al zóó dat het bewustzijn van den profeet zelf hierbij voertuig van de mededeeling wordt. Hieruit nu is het te verklaren, dat ten leste de profeet zelf bijna geheel zich verliest, en in zijn eigen bewustzijn geen andere werking meer voelde opkomen dan van het Goddelijk bewustzijn, dat in hem dringt, hem overleidt, hem opneft, en hem tot een volkomen en heilig instrument maakte van de Goddelijke openbaring.

Zoo nu geraakte de Bijzondere Openbaring tot een uitkomst, die vlak het tegendeel bewerkt van wat de in hun geloof wankelende critisch geleerden bedoelden. Zij vetstonden Jesaja 40-66 alsof het, uit Jesaja's pen gevloeid, naar onze meening, niet dan een bloot machinaal boeken van een dictaat ware geweest. Nu daarentegen komt 't juist geheel omgekeerd te staan. Nu toch blijkt, hoe alleen bij de rijkste en meest volkomen gemeenschap tusschen het Goddelijke bewustzijn en de typisch gevonden gemeenschap met dit bewustzijn in het eigen zelfbesef van den profeet, een spreken met de voorkennisse Gods mogelijk was, gelijk we dit met name in Jesaja 45, maar toch voorts in' geheel dezen profetischen pericoop vonden. Van een machinaal beluisteren en boeken is nu geen sprake meer. Er werd veeleer omgekeerd de hoogste profetische ontwikkeling geeischt om in zulk een gemeenschap met het bewustzijn Gods te treden, , dat een profetische klaarheid als Jesaja 40—66 ons biedt, door den profeet kon worden te boek gesteld. Als' 't beluisteren van een dictaat ware zulk een pericoop de laagste, wijl machinale, uiting van het profetisch doen geweest. Nu daarentegen blijkt het juist de klaarste en zuiverste uiting van een gemeenschap tusschen het Goddelijke en het profetisch bewustzijn te bieden. En juist de taal en vorm, waarin Jesaja 40—66 ons de Openbaring brengt, bewijst op de meest overtuigende wijs, dat 't zoo en niet anders zich bij dezen profeet kan hebben toegedragen,

Dr.'A. K.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 april 1916

De Heraut | 4 Pagina's

Van de Voleinding.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 april 1916

De Heraut | 4 Pagina's