Vu cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Vu te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Vu.

Bekijk het origineel

OVER DE PARADOXALE SPANNING BIJ DEN CHRISTUS.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

OVER DE PARADOXALE SPANNING BIJ DEN CHRISTUS.

6 minuten leestijd

Men meent in den laatsten tijd de „paradoxale levens-spanning" te moeten prijzen als de gezonde, alleen religieuze. Gereformeerd denken aanvaardt dit niet. Men kan dit vraagstuk ook behandelen in verband met den Christus. Allereerst sta voorop, dat Christus , als waarachtig mensch in ©en paradoxale bestrijding kon kómen.

II.

Nu komt het tweede : Zijn onzondige mensch elijke natuur verhindert Hem, te blijven ia de paradoxale ellende. Hij kan daar niet in blijven haken, Hij kan er niet in blijven rusten. Hij kan niet zeggen: laat de vraag nu maar los, Hij kan Zjjn ziel niet vermanen, de problemen voorbij te gaan, en zonder een bóven-paradoxaal antwoord dan maar te „berusten" in een „waarom ? "

Immers, hier vallen twee dingen op te merken: a. de paradox kan niet van binnen af bij Christus groeien.

b. Hij kan de paradox niet objectief aan God toeschrijven, of haar bestaan uit Gods wezen en werken verldaren. a. Wat het eerste betreft: de paradoxale verwarring kan niet u, it Christus' eigen wezen opkomen. En dit heeft al dadelijk zijn consequenties. Want — nu in het algemeen gesproken — wat niet uit den mensch kan groeien, kan (tenzij het een nieuwe schepping is, ^) hetgeen vnj van de paradox straks zullen ontkennen) ook niet een blijvende toestand van het menschelijk' leven zijn, geen Tjlijvend, begeleidend verschijnsel van zijn leven wezen.

Dat de paradoxale verwarring niet uit Christus zelf voortkomen kan, behoeft eigenlijk geen betoog; tenminste, niet voor iemand, die onze opvatting omtrent het wezen en de herkomst van het paradoxale deelt. Wanneer het paradoxale een uiteengaan is (of dat veroorzaakt) van d e n k-wegen, waardoor de eenheid in het denken wordt gebroken, en twee meeningen, of stellingen, elkander blijvend in ons denken tegenspreken, zonder dat we uit het j a in het ééne, tot het neen in het andere geval durven besluiten, dan kan dit niet zijn oorsprong hebben in Christus' menschelijke constitutie. Immers, de Christus is één. De zonde moge óns menschelijk denken hebben aangetast en in paradoxale verwarring gebracht hebben, doch Christus, die ontvangen is van den Heiligen Geest, en 'in wien de zonde op geen enkel punt b'edeirf bracht of ontbinding, — Hij heeft, al droeg Hij de zwakheden van de menschelijke constitutie, toch nooit de oorzaak daarvan in zichzelf gehad. Nooit werden Zijn gedachten door een actie van Zijn eigen geest uit elkaar gedreven. Nooit heeft Hij van Zijn kant Zijn stand-punt (en gezichts-punt, of orienteerings-punt), verlegd van middelpunt naar omtrek. Nimmer heeft Hij de eenzijdigheid gezocht of onzuivere weegsleenen in Zijn hand gehad. En hierom kan het paradoxale niet uit Hemzelf voortkomen. Het kan alleen maar op Hem neervallen. 'Nooit was Hij antithetisch tegen zich zelf verdeeld, en nimmer heeft Hij dus een antithese „gezien", waar God ze niet „gegeven" had. Wièl zag Hij antithese, klaar en scherp, tusschen God en Satan, tusschen het goddelijke en het satanische^ tusschen goed en kwaad; maar Hij heeft nooit antithese kunnen zien, als gevolg van eigen denkfout, tusschen de Schriften onderling of de virerken Gods in bestand van natuur of van genade. LIaat ons de zwakheid van. "Christus' menschelijke natuur, een „zwakheid", waarin ook Zijn empirisch leven, Zijn waarneming. Zijn geestelijke groei, gebonden lag, nooit onwillekeurig omzetten in een geestelijke „ziekte"; want zwakheid en ziekte zijn 'twee. Neen, Christus' denken gleed niet uit, en heeft Zijn eigen wegen niet uiteengedreven. Zijn denken „schept" geen antinomieën. „Zwakheid" en „ziekte" zijn twee; „zwakheid" en „kracht" zijn óók twee. De „zwakheid" van Christus' menschelijke natuur is zelf geen positief beginsel; zij' kan niet „schöpferisch" Hem aan het denken zetten; men kan er evenmin Zijn wetenschap omtrent den Allerhoogste uit verklaren, als dat men eenige fantasie omtrent een in antinomieën gebroken God of openbaring op grond daarvan bij' Hem zou Imnnen onderstellen. Zij kan Hem niet laten op'klimmen tot Gods altaren, doch evenmin Hem doen bouwen een altaar voor een onbekenden, in antinomieën zich verhullenden, (af)god. De zwakheid van Christus als mensch kan wel verhinderend, wel belemmerend, remmend optreden in de opvaart van Christus' denken. Zij kan Hem ook ophouden in Zijn worsteling om te komen tot dien verheven rust-stand, die dan niet aan het begin, maar aan het eind van Zijn denk-arbeid, Zijn van God uitgaande en op God aan-werkende theologische onderzoekingstochten wordt begeerd. Die zwakheid, die menschelijk-tijdelijke gebondenheid, kan wèl het triumfantelijk gevoel van het staan op den berg der voltooide denkdaden tegenhouden, wèl den strijd van Zijn gedachten verlengen. Maar 2rij kan niet daarin een fout doen komen. Zij kan niet een valsche methode van denken leeren; een denk-methode, die Gode „ongerijmde 'dingen" tóeschrijft, antinomieën Hem toedicht.

Men lette op het onderscheid tusschen Christus' denk-aanvangen en denk-resul t aten. Boven werd reeds erkend, dat Hij als waarachtig mensch toegankelijk was voor strijd, a an-vechting, worsteling in gedachten. In de objectieve werkelijkheid als tweede Adam geplaatst met een zuiver functionneerend denk-en waarnemingsvermogen, moet Hij nu wetenschap (denkinhoud) veroveren, verwerven; en dit langs den weg, die in de O' p e n-baring is gegeven. Ook voor Hem, neen, juist voor Hem, die den Adamsweg der proefgebodai ten einde toe afloopen moet, — juist voor Hem, zeggen we, gold de vaste regel des te meer, dat de openbaring Gods - geen vaste paragrafen heeft gegeven, waarin dan bepaalde loei (hoofdstukken) van dogmatiek, of paragrafen van wijsbegeerte, of gereed materiaal van kennis wordt vastgelegd en in logische orde samengevat. Eerder omgekeerd: de eerste en de tvi^eede Adam moeten uit wat God openbaart in het Woord, en in natuur en geschiedenis, zichzelf een samenvattend oordeel, een overzichtelijk weten veroveren. En hier zien wij verschil tusschen het begin en het eind in beider kcnnis-v/erving: aan 'het begin staan zij beiden met een zuivere waarnemings k r a c h t, een ongeschonden denkvermogen, een normale houding t^enover het geheel. Vervolgens komt voor beiden de vraag, of zij nu ook langs zuivere wegen van gehoorzaamheid, als religieus bepaalde menschen, den rijken buit der te behalen wetenschap (als denkinhoud, kennisobject nu genomen; zullen bereiken. Adam viel op dezen weg. Maar de tweede Adam bleef voor de zonde ontoegankelijk. De zonde van de lijdelijke berusting in de paradox 2) kon dus in Hem niet zijn. Zij ware slechts mogelijk, wanneer Hij zijnerzijds het centrum van Zijn ken-gebied als standpmit had prijsgegeven, en niet meer had geloofd aan de eenheid van God en van Gods werk. Hij kan wel aangevochten worden, doch nooit wordt Hij van Ziijn kant „bevonden, tegen God te strijden". Hij dicht Zijn God geai antinomieën toe, al kan haar schij'n Hem wel benauwen en aan-vechten.


') Zooals de wedergeboorte, en wat daar uit voortkomt. 2) Een vorm van vertwijfeling aan God of aan de m o g e-1 ij k h e i d van de bewuste gemeenschap met God.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 oktober 1930

De Reformatie | 8 Pagina's

OVER DE PARADOXALE SPANNING BIJ DEN CHRISTUS.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 oktober 1930

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken