GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

PERSSCHOUW

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

PERSSCHOUW

14 minuten leestijd

„De" paedagogen en fie tsksl der 10 geboden.

In „Het Schild", het Roomscli-Katholieke orgaan, schrijft Prof. Dr F. Otteii iets over de volgende ingekomen vraag:

Vraag. — W. J. W. te Arnhem. — Waarom verschillen Katholieken en Protestanten in den tekst der tien geboden? Wie heeft het juist en hoe bewijst men dat?

Hierop wordt dan o.m. geantwoord:

.... In de Bijbels staan dus de tien geboden precies hetzelfde. Dit is de hoofdzaak. Niet echter in de catechismussen. In de oorspronkelijke protestantsche catechismussen en ook uu nog in vele, staan ze 1 e 11 e r-1 ij k zooals we ze in den Bijbel aantreffen. Niet zoo in de katholieke catechismussen. Daar heeft men sominige letterlijk overgenomen, andere verkort en weer andere naar den geest weergegeven. Men ging van de m. i. goede en paedagogisohe meening uit, dat een catechismus een gemakkelijk leerboek moet zijn, voor kinderen zelfs geschikt, en dat men hem dus ook paedagogisch moet inrichten, lettend op den aanleg van kinderen en op het gemakkelijker van-buiten-leeren van een tekst. Nu geloof ik vast, dat de paedagogen in •dit opzicht eerder den prijs zullen toekennen aan de samenstellers van den katholieken catechismus dan aan die van den protestantschen. Men had er bij ons vroeger in den kleinen catechismus zelfs een rijmpje voor gemaakt:

Bovenal bemin eenen God, IJdellijk zweer noch spot.. .. enz.

Ik vind dat nu niet zoo gelukkig, maar men deed het, om den inhoud gemakkelijker en dieper in de jonge hersentjes te prenten. Vergeet niet, dat bij de Katholieken veel meer catechismus wordt gegeven aan kleine kinderen dan bij de Protestanten.

In de tien geboden, zooals zij in den Bijbel staan, Vindt men bij sommige gelwden verklaringen en uitweidingen. Die laten do Katholieken in hun catechismus weg. Tegenwoordig nog meer dan vroeger. Want b.v. die uitweiding over de beelden vond men vroeger algemeen in de oude katholieke catechismussen. De oudere Katholieken van thans hebben het zóó nog in hun jeugd geleerd. Bij het vierde gebod: „Eer uwen Vader en uwe moeder", leerde ik in mijn jeugd nog: „opdat gij lang moogt leven op aarde", wat echter een slechte vertaling was. De Protestanten hebben nu nog: j, opdat uwe dagen verlengd worden in het land, dat u de Heere uw God geeft". Dit doelde natuurlijk voor de Joden op het beloofde land, en is dus in het Nieuwe Testament in zekeren zin verouderd.

Tot zoover de aanhaling uit „Het Schild".

De schrijver haalt „de" paedagogen er bij. Maar ik geloof niet, dat dit juist is. Want met „DE" paedagogen kan men nu eenmaal niet, óók niet hier, opereeren, omdat ook „de" paedagogen, gelijk alle vleesch, nog al eens met elkaar overhoop liggen.

En, afgedacht daarvan, men kdn gelukkig van „de" paedagogen hier ook geen eenstemmig antwoord, geen algemeene „uitspraak" inzake het hier opgeworpen „probleem" vei-wachten. Immers, alles hangt er maar van a', wat men er mee bedoelt, als men aan kinderen de tien geboden te leeron geeft.

Gaat het er om, dat de kinderen de tien geboden zullen kennen, zooals de Kerk ze „uitlegt", — tegenover de „leeken", wel te verstaan —, dan is het vrij overbodig, den tekst der tien geboden letterlijk te laten leeren. Men heeft dan het recht de uitlegging door de Kerk weer te verdunnen. En hierbij zal de eene paedagoog dan weer anders te werk gaan, dan de ander; zooals ik b.v. in verschillende roomsche catechismusboekjes ook den tekst der verkorte, en „vrij weergegeven" tien geboden dan ook door den een anders zie geven dan door den ander. Zelfs zóó, dat er m.i. van het oorspronkelijke weinig overblijft en de „leek" al verder van den Bijbel verwijderd wordt.

Legt men er evenwel den nadruk op, dat de geloovige als bewust profeet on als leerling van God, den tekst der tien geboden steeds zóó ontvangen zal, dat hij zelfstandig in staat gesteld wordt, de hem bekende uit­ legging van „de Kerk" — die vloeiende grootheid — te toetsen aan den in den tekst geopenbaarden wil van God, en het verstaan der tien geboden te verdiepen, te zuiveren, meer en meer zuiver toe te passen en te gehoorzamen, dan wordt het heel anders. Dan woi-dt de uitleggende Kerk gebonden aan het in die tien geboden gespi'oken Woord zelf, dan zal men ook de in die tien geboden aan den dag tredende specifiek Oud-Testamentische, Israëlietische trekjes willen kennen, omdat men gelooft, dat ze voor de Nieuw-Testamentische constructies allereerst leiding geven moeten.

Met andere wooi"den: „de" paedagogen zijn hier stom. Ze zullen eerst hebben te vragen, wat de Kerk beoogt met het laten leeren der tien geboden, wat de Kerk denkt van haar inhoud, van de Schrift, van zichzelf. Ook hierin heeft „de" paedagogiek zich niet op te werpen tot neuswijs decreetuitvaardigster, doch zal ze het vraagstuk moeten indenken, zóó als de Kerk in zijn grondtermen als Kerk haar vooraf heeft vooi-gelegd.

Misbiaik van de leer der „souvereiniteit in eigen kring".

In „Watergraafsmeersche Kerkbode" schrijft Dr G. C. Berkouwer iets naar aanleiding van de persdebatten, welke onlangs zich vastknoopten aan de door Prof. Grosheide terecht tegenover de luimen van Prof. Visscher gestelde nuchtere opmerkingen:

Het is niet onze bedoeling, over deze kwestie hier te gaan handelen. We willen slechts wijzen op een merkwaardig verschijnsel, dat zich hier en daar in de discussies voordeed. Er waren sommigen, die zich beriepen op de gedachte van de souvereiniteit in eigen kring. Kerk en politiek, dat zijn.... aparte terreinen. De kerk moet nooit „aan politiek doen", zich niet aan 1 partij binden, zich niet voor 1 bepaalde partij uitspreken. Men moet „politiek" de menschen vrijlaten. Dat is niet het terrein van „de Kerk".

Deze en dergelijke beschouwingen komen meestal voort uit de vrees, dat de Kerk zal „verpolitieken" of dat de politiek zal „vefkerkelijken". We willen allerminst ontkennen, dat een dergelijk gevaar bestaat en in de historie ook aanwijsbaar is. Maar dat feit mag onze oogen niet sluiten voor een ander (misschien wel even erg) gevaar. We bedoelen dit gevaar, dat men op grond van een niet nader geanalyseerde scheiding van kerk en allerlei levensterreinen het de kerk gaat kwalijk nemen, wanneer ze zich over allerlei kwesties positief uitspreekt. Wanneer men d a t slandpunt zou innemen, zou men mijlen ver verwijderd zijn van de inderdaad juiste opvatting, dat de politiek niet mag worden „ver'kerkelükt" en dat de kerk niet mag •worden „verpolitiekt". Vi^ant dat standpunt dringt de kerk langzaam maar zeker uit 'het volle, werkelijke leven weg.

Ze houdt nog wel haar beteekenis, o ja, maar ze heeft haar eigen terrein en dat eigen terrein, dat is: de ziel, het hart, het innerlijke leven, de vrede enz. enz.

Een dergelijke opvatting echter heeft hoegenaamd niets met de gedachte van de souvereiniteit in eigen kring te maken. In die gedachte ligt ongetwijfeld opgesloten, dat de kerk niet „aan politiek doet", maar daarnaast moet met evenveel klem worden vastgehouden, dat de kerk het Woord Gods predikt. En als ze dat werkelijk doet, dan kan het niet anders, of ze komt — als ze zich alleen maar aan die taak houdt ! — met al die vragen in aanraking, die het leven der menschen bewegen. Natuurlijk zijn we het daar allen mee eens. Maar de vraag is, of we dat werkelijk ten volle aanvaarden. Of dat we — om allerlei gevoeligheden te ontzien — ons toch maar verschuilen achter een verkeerd uitgelegde souvereiniteit in eigen kring.

We komen daar trouwens in de practijk mee in aanraking. Laten we het geval eens scherp stellen : denk U in een lid der Gereformeerde Kerk, die meent dat lidmaatschap te kunnen oombineeren met zijn lidmaatschap van de S.D.A.P. Laat niemand zeggen, dat dat een academisch geval is van geenerlei practische waarde. Want 'f gaat hier om een probleemstelling, die morgen actueel kan zijn in dit of in dat gezin. Heeft de kerk daar nu niets mee te maken? Mag en moet de kerk uitgaan van het standpunt, dat die bepaalde politieke overtuiging apart staat, los van de centrale vragen waarvoor zoo iemand in z'n verhouding tot God geplaatst wordt? Maar voor zoo iemand, die één leven leidt, hangen ze samen. Daar is een wederzijdsche beïnvloeding. Uit het hart zijn de uitgangen des levens.

En daarom, omdat de kerk staat tegenover dien eenen mensch in z'n werkelijke bestaan, kan ze dat terrein niet onaangeroerd laten liggen.

Maar we gevoelen wel, hier — bij dit voorbeeld — wordt de strijd nog niet zoo levendig. Als echter de kwestie gesteld wordt met andere voorbeelden, dan pas komen de pennen los. Maar nu moet juist hier geconstateerd worden, dat ook bij andere voorbeelden het probleem blijft. We kunnen eiken dag hooren spreken over revolutionaire tendenzen, die in allerlei overtuigingen verjjorgen liggen. En als die tendenzen nog niet zijn uit.fïegroeid, hebben we er dan niets mee te maken ?

Wel met dn consequentie, maar niet met het beginsel ?

De Kerk, zoo concludeert Dr B., blijve inderdaad op „eigen terrein", d.w.z. ze predike het Woord. Maar dat Woord spreekt nu eenmaal over alle terreinen.

Het verblijdt me, dat hetgeen ons blad reeds maanden lang aan 't bepleiten is, ook van andere zijde tot het volk doordringt. Het kan ook niet anders. M'e hebben veel te lang in een sprookjeswereld geleefd: de groote woorden van de Kerk waren tot speelgoed geworden, tot speeltuig van het ernst-spel. Dat is óók spel. Het harde leven dringt echter op: het spel is uit, de spelers worden gemobiliseerd.

De „eenige gezangen" en onze „roeping".

Ds Thomas heeft in „Leidsche Kerkbode" gesproken over de uitbreiding van den bij Hervormden en Chr.-Gereformeerden en Oud-Gerefonneerden gebruikelijken Gezangenbundel, merkt op, dat er in het Nieuwe Testament een gebod gegeven is, den Heere te loven met liederen, haalt exegetische uitspraken, o.a. van Prof. •Greijdanus aan, waaruit blijkt, dat hiermee ook andere liederen dan de reeds gegevene Psalmen moeten zijn bedoeld, ook „vrije" liederen, komt zoo tot de vraag, of men niet eens ernst zou gaan maken met wat hier toch maar als een roeping wordt voorgehouden, en zegt dan o.m.:

Wat ik op den voorgrond wil hebben en houden, dat is, dat we toch onder dit ailes aan roeping en plicht moeten blijven vasthouden. In al die gevallen mag iets niet, en 't moet toch. We mogen niet zóó gaan, maar de Heere houdt ons toch aan Zijn bevelen en aan onze belijdenis. En een Kerkeraad zou al erg verbasterd zijn, indien hij alleen het „niet mogen" liet hooren en niet ook even sterk de roeping de gemeente op 'thaxt bond. Ja, juist dan moet met buitengewonen nadruk op de roeping worden aangedrongen.

Dat is ook, wat ik hier wil. Ik geef toe, dat met bidden, zingen (Psalmen of N.-T. gezangen) uit hoofde van 't schrikkelijk lage peil van geestelijk leven zwaar gezondigd kan worden. Maar dit betreft de uit-(in)voering. En de inzender zal wel toegeven, dat hiermede de zaak niet is afgedaan. Twee dingen moeten er dan gebeuren: Ten eerste moeten we onzebeilige roeping blijven beseffen, en ten tweede door de contrasteering tusschen die roeping en ons leven, ons diep voor den Heere verootmoedigen, en om vergeving en verlossing geloovig zuchten.

Zóó wil ik 't wel bezien, dat we van den Heere getuchtigd worden in de onthouding van het zingen op N.-T. toon. Een zekere Professor in Utrecht zou, als hij dit las, achterover slaan van ergernis. Gelukkig, hij leest dit blaadje toch niet. Maar ik ben verzekerd, dat 't een buitengewone goedheid Gods zou wezen, indien we ongehinderd en geloovig Zijn heerlijkheid in Jezus' Kribbe, Kruis en Kroon N.-Testamentisoh zouden mogen bezingen. Het is een kastijding, dat we dat niét doen (mogen). Maar nu acht ik dit het ergste, dat van onze roeping ten deze gezwegen wordt in alle talen (uitgenomen een enkele uitzondering) en dat er van verootmoediging en van smeeking om verlossing en uitkomst geen, of bijna geen sprake is. Wat we hooren is dit: „Heel aaidig dat N.-T. kerklied; we zouden 't zeer veel kunnen gebruiken, maar de Kerken moeten v r ij zijn, om het a 1 of niet te doen". Hier nu is geen vonk van vuur te voelen. Het is bet koele verstand. Het voelt koud aan, als een schimmelige muur, daar de vorst in zit. We kunnen 't ook laten. We zullen er geen traan om laten. Als er leden zijn, die met overgang naar de Chr. Geref. dreigen, dan moeten we 't schichtig laten. Buzie, dat is zoo naax. En 't ongeboren kind laat ons volmaakt koud!

Daarom vrees ik, dat er van deze zaak, die met de warmste geestdrift moest worden begeerd, die ons met duizenden wil zien kloppen aan de poort der Generale Synode, opdat we daar onzen conscientiekreet zouden laten klinken, niets terecht komt. Het koele hoofd, wijs zeer zeker, maar koel, is hier aan het woord. Terwijl het bijzonder en voor alle dingen een zaak van het hart geldt, van bet hart, dat, van Jezus' liefde vervuld, Zijn naam op alle tonen wil bezingen. 't Is droevig. Het is tuchtiging.

Even later, sprekende over de opmerking, dat het „geestelijk peil" der gemeente niet zóó hoog is, dat men liederen, vrije liederen, kan zingen, merkt Ds Thomas op:

Indien iemand meent, dat om het lage peil van 't kerkelijk en geestelijk leven van 't zingen van N.-T. gezangen moet worden afgezien, dan volgt daar onverbiddelijk uit, dat alles, wat wel ingevoerd is, maar hetzelfde hooge levenspeil vereischt, maar het ook niet heeft, onmiddellijk óók wordt opgeheven. Dat dit moeilijkheden in de practijk zou opleveren, doet niets aan deze consequentie af. Het is ongerijmd, om b.v. te zeggen: „gij moogt 'het N.-T. kerklied niet zingen, want uw levenspeil is te laag, gij kunt 't niét, ge 'begeert 't ook niet, maar gij moogt wèl N.-T. bidden, N.-T. Avondmaal vieren". Dat is ongerijmd. Als het één niet mag en kan, dan mag en kan het ander ook niet. En dit geldt ook van den O.-T. Psalm, die waarlijk niet een lager levenspeil vereischt, dan het N.-T. kerklied. Mogelijk eer het tegendeel.

Dat is dus hier een andere redeneermethode, dan die hierboven door Ds Thomas bedoelde „zekere professor" volgt. Laatstgenoemde zondert zich met zijn „kerkje in de Kerk" (de groep, waarmee hij sedert eenigen tijd weer in vrede leeft, want ook daar kent men zijn onberekenbare gangen) van de „groote Kerk" af, alsof hij voor haar doen, haar gezangen-zingen ook, geen verantwoordelijkheid heeft te dragen; hij laat voorts deze groepsafzondering zien uit, en ten deele zich dieper ingraven, scherper afteekenen door, kenmerken, welke niet door nieuwere bestudeering van Gods Woord, doch door partij organisatie worden beheerscht (zoo sluipt de wereldgelijkvormigheid van Rom. 12 de Kerk binnen), en decreteert dan, hoewel zelf verantwoordelijk voor het gezangen-zingen van zijn deels verkeerde-gezangen zingende Kerk, dat hij niet zoo is (in zijn groep n.l., welke voor hem fungeert als Kerk) als die anderen, die Gereformeerden, die zich natuurlijk, zonder partijoogmerken, kunnen ontplooien, en nu eens p r o b e e-ren te lezen, wat er in den B ij bel staat, ook inzake de Psalmen en geestelijke liederen. Eerstgenoemde evenwel, Ds Thomas, komt als Gerefonneerdc in de Kerk met het Woord voor den dag, en vraagt daar ondervvferping voor.

Men kan nu Ds Thomas bestrijden op de manier van Prof. Visscher, de manier der wereldgelijlivormiglieid (partijresoluties op den voorgrond, de steeds „critische" grootheid van het Woord daarbij op den achtergrond). En dan, nu ja, dan heeft Ds Thomas zelf al gezegd,

at er met den criticus gebeuren kan. Maar onder Gereformeerden zal de e e n i g e manier, waarop men Ds Thomas mag bestrijden, deze moeten zijn: dat men aantoont, dat hij den B ij bel verkeerd heeft uitgelegd.

Zoo men dit niet kan, dan zie toe, wie een storm laat opsteken, als de Kerk zegt: wij willen het geïnspireerde gebod van Paulus gaan gehoorzamen. Geen sprookjes, ook geen spel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 maart 1933

De Reformatie | 8 Pagina's

PERSSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 maart 1933

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken