GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

UIT HET POLITIEKE EN SOCIALE LEVEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT HET POLITIEKE EN SOCIALE LEVEN

8 minuten leestijd

Het Duitsche Natlonaal-socialisma.

V.

Nationaal-socialisme en OnderwUs. (I)

D e S c h o o 1. (I.) Er is sprake van geweest, dat men ook jeugdafdeelingen vormen zou van kinderen op zeer jongen leeftijd: van 6 tot 9 of 10 jaar, en dat het plicht zou worden voor heel de Duitsche jeugd om zich bij de met haar leeftijd passende partijorganisatie aan te sluiten. Zoover ons bekend is, is dat tot op heden echter nog niet geschied, en is ieder nog vrij, om zich niet bij een organisatie aan te sluiten, en zijn ook de kinderen op dien zeer jongen leeftijd nog niet georganiseerd.

Dat laatste was ook niet zoo bijzonder noodzakelijk.

Want wel is de Hitler jeugd één van de organen tot opvoeding van de jeugd naar het nieuwe systeem, maar de nationaal-socialistische staat beschikt ook nog over andere middelen om zijn nieuwe levensbeschouwing de jeugd in te lepelen, voorzoover en indien dat door de ouders niet voldoende geschieden mocht. We bedoelen de school, en dan met name de

lagere school. Er is in Duitschland ook een „schoolstrijd" geweest.

Thans bestaat die feitelijk niet meer. Wel was en is er nog de „Schoolunie". De beginselen daarvan treffen we reeds aan ongeveer 1840 in op zichzelf staande vereenigingen, die ten doel hadden het „behoud en de zekerheid van de evangelische volksschool". Deze losse vereenigingen sloten zich in '1890 aaneen tot de j, SchooIunie". 1)

Strikt genomen bestaat daar de beweging voor Christelijk onderwijs dus ongeveer even lang als hier. Maar het is opmerkelijk, dat daar opi verre na niet zooveel is bereikt.

Voor een groot deel is dat waarschijnlijk te wijten aan de andere verhoudingen, en voor een. niet geringer deel is dat ook toe te schrijven aan een goed bedoelde, maar niettemin geheel verkeerde doelstelling der „Unie". Want ze streefde weliswaar naar een school met den Bijbel, maar niet naar een „vrije" school, doch naar een christelijke staatsschool.

Nu bestond die feitelijk al, en zoo was het doel van de „Unie" meer Tiet behoud van het bestaande, dan wel het oprichten van nieuwBj eigen scholen. Dat heeft ze zich nimmer tot doel gesteld; ook niet, toen men zag, dat het met de school hoe langer hoe verder den verkeerden weg opging.

Op schoolgebied was de toestand ongeveer zoo, dat de „kerk" wettelijk toezicht had op de scholen. De predikant was tegelijk schoolopziener te zijner plaatse.

Dat was wettelijk geregeld. Maar aan die verhouding werd ©en einde gemaakt door de revolutie van 1918. Men het officieel de geldende bepalingen der wet inzake de school bestaan, maar stelde ze buiten werking, met de bedoeling, een nieuwe rijksschoolwet uit te vaardigen.

Daarop had de „Unie" in de laatste jaren haar hoop dan ook gevestigd. Ze wilde trachten te bewerken, dat de nieuwe schoolwet zooveel mogelijk aan haar wenschen tegemoet kwam. Daartoe diende ze bij de regeering een ontwerp-schoolwet in. Meestal durfden de ministers hun handen niet in dit wespennest steken. Er werd wel over plannen gepraat, maar tot uitvoering kwam het nooit.

Een oogenblik heeft het geleken, dat er werke^ lijk iets gebeuren zou, en dat dan daarbij ook terdege rekening gehouden zou worden met de verlangens van de „Unie". Dat was, toen Von Gayl minister was geworden in 't ministerie-von Papen.

Er waren duidelijke aanwijzingen, dat deze minister het voornemen had, om een schoolwet uit te vaardigen in christelijken zin. De hoop vervloog echter, toen het ministerie-von Papen demissionair werd, en Von Gayl weer van het terrein verdween, waarbij het uitvaardigen van een nieuwe schoolwet voor zijn opvolger bleef liggen, die er ook niet mee klaar kwam. En er is tot op heden geen nieuwe schoolwet gekomen.

Hebben dan de nationaal-socialisten daarin geen verandering aangebracht?

Men kan antwoorden: Neen!, en ook: Ja! Zeggen we: Neen!, dan moet dat zoo opgevat worden, dat ze wettelijk formeel alles bij het oude hebben gelaten. Ook zij hebben geen nieuwe Onderwijswet gegeven. Er zijn wel eens geruchten geweest, dat er een nieuwe verordening op het Onderwijs in de maak zou zijn, maar wat daar van waar is, is moeiUjk te zeggen.

Ti^ouwens, de heeren nationaal-socialisten hebben ook niet zoo bijzonder behoefte aan een nieuwe wet op het onderwijs. Die verstaan de kunst om ook zonder wetswijzigingen het bestaande te veranderen.

En het laat , zicli verstaan, dat ze in ©en zoo belangrijk punt als het onderwijs hun invloed dan ook wel lieten gelden. De school was een der middelen, die ze gebruiken konden om him denkbeelden te propageeren op een 'wijze, dat er ook vrucht van verwacht kan worden; en ze hebben daar ook maar wat ijverig gebruik van gemaakt.

Het was allereerst opmerkelijk, hoe spoedig de onderwijzers bijna zonder uitzondering „om" waren, en op eenmaal veranderden in vurige aanhangers van het nationaal-socialisme; even vurig als ze vroeger voor andere partijen in het vuur kwamen!

Men kan moeilijk aannemen, dat dit allemaal „beginsel" was; bij velen zal er ©en andere drijfveer achter gezeten hebben. Er staat ©en stok achter de deur, waarmee men met name hun gevoelige slagen toebrengen kan, en dan moet het ons niet al te zeer verwonderen, dat er onder hen zijn, die gaarne meer dan 100 pCt. willen laten zien. Dat had natuurlijk ook invloed op het onderwijs, dat door hen werd gegeven.

Van een Christelijke school wil het nationaal-

socialisme niets weten. Die is in strijd met liun meest elementaire beginselen.

Maar aan de andere zijde heeft het zich aangesteld (aanvankelijk!), alsof het Christelijk onderwijs in zijn handen veilig was, en dat het den strijd voor het Christelijk onderwijs zou voeren. Zoo waren er na de revolutie van 1918 landen in het Duitsche rijk, waar men van regeeringswege het onderwijs practisch neutraal (dat wil dus zeggen: zonder religie) had gemaakt, hoewel er nog veel Ouders waren, wien dat tegen de borst stuitte.

De nationaal-socialisten waren er haastig bij, toen ze daar de meerderheid kregen, nog voor de Rijksregeering „om" was, het schoolgebed weer in te voeren, en ze hebben er met veel vertoon op gewezen, dat ze daardoor er blijk van gaven, dat de pai-tij inderdaad de Christelijke beginselen voorstond. Was dat dan ook niet goed? Was dat niet prachtig ?

O ja, uitmuntend! Maai' achteraf bezien walgelijk, nu men die „voorstanders!" van het Christelijk onderwijs bezig ziet, om de scholen, die nog tamelijk goed waren, te verheidenschen, te vergermaniseeren, en te drenken met de geestesproducten van „bloed en bodem", zooals dat door Rosenberg voorgesteld wordt. Daaruit blijkt, dat die „vrome" geste van weer-invoering van het schoolgebed feitelijk niets was, dan een handige reclame om de menschen van Christelijk beginsel wat voor te spiegelen en voor de „partij" te winnen.

ZOO IS DE TACTIEK! NATIONAAL-SOCIALISTISCHE

Het naüonaal-socialisme heeft zich steeds voorgedaan als de voorstander van wat de massa wil, en wanneer door die geste de massa dan volgzaam is geworden, wordt die zooveel mogelijk gesuggereerd, dat het nu goed gaat, en men gaat ze den wil der partij eenvoudig opleggen.

Het is dan ook plicht voor de onderwijzers in de hoogere klassen van de lagere scholen onderwijs te geven in de nationaal-socialistische levensen wereldbeschouwing.

In de eerste en tweede klasse hoeft het nog niet, maar met het derde leerjaar moet er een begin mee gemaakt worden, en moet het kind in de richting a la Rosenberg geleidelijk worden opgevoed.

Er zijn daarbij voorbeelden aan te wijzen, dat de boekjes met Bijbelsche geschiedenis werden vervangen door boekjes, waarin het oude Germaansche heidendom werd besproken.

Fanatieke onderwijzers beginnen al wel vóór het derde leerjaar de kinderen de nieuwe beginselen bij te brengen. Zoo beroemt zich er in een blad één op, dat hij het reeds zoover heeft weten te brengen, dat een kind van 7 (zeven) jaar het volgende in 'de school opschrijven kon als korte samenvatting van wat de onderwijzer had besproken:

1 „De Duitschers hebben krachtige armen, in hun oogen ziet men den moed. Maar de Joden willen niets doen. Ze denken er slechts over, hoe ze een boer bedriegen kimnen. Geen van de Joden heeft een hamer in de hand ^) en er is ook geen Jood, die naar de fabriek gaat. In de oogen van den Jood ziet men luiheid en bedrog".

Een leerling van 8 jaar maakte er dit van: „Op de plaatjes ziet men, hoe de Duitsche mannen bezig zijn, de hitlerjongen lacht vriendelijk. Maar de Joden op de plaat willen niets doen, ze willen slechts eten. Daar is een boer, die maait, dat hij er van zweet. De Jood heeft een neus van een pond. Verscheidene Joden op de plaatjes zijn stapelvet".

En de redactie van het blad, waarin het voorkwam („Der Stürmer") voegt er aan toe: Flink zoo! (Brav gemacht, Herr Lehrer!).


1) Duitsch: Schuiverband deutscher evangelisclier Schulgemeinden.

2) Het onderwijs was door platen aanschouwelijk gemaakt en verduidelijkt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 december 1935

De Reformatie | 8 Pagina's

UIT HET POLITIEKE EN SOCIALE LEVEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 december 1935

De Reformatie | 8 Pagina's