GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

HOOFDARTIKEL

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HOOFDARTIKEL

13 minuten leestijd

Christelijk

II.

(Christelijk onderwijs.)

Iln een vorig artikel werd de meening uitgebroken dat de term „Christelijk" deels door zijn loote elasticiteit, deels door wederrechtelijke toegening van anti-Christelijke zijde aanleiding geeft ot misverstand en verzwakking van het princiieele oordeel, zoo verantwoording van en scherpe eur op dat woord achterwege bUjft. We achten e kans hierop ook aanwezig daar waar sprake van „Christelijk onderwijs".

iDe eerste vraag die wij ons nu steUen ten fenzien van dezen term (we denken hier aan lager, iddelbaar en gymnasiaal onderwijs) is deze: is j vergelijkbaar met die andere als „Christelijke aat", „Christelijke maatschappij" en dergelijke, aarbij gedoeld wordt op zwakkeren of sterkeren ivloed en nawerking van het Evangelie op een n diepste van dat Evangelie vervreemd gebied? ' legt het Christelijk onderwijs zichzelf de taak van volkomen gehoorzaamheid aan Christus' ioord? Zonder twijfel het laatste. In dien anderen n zouden zij de openbare school kerstenen aan oppervlakte, die door de injectie van eenige jbelkennis haar aniele bloed pogen te verrschen. Zeker kan men aan een Christelijk ^ngehauchte" volksschool met evenveel recht den ^am „Christelijk" in dien eersten zin toekennen 's aan de volkeren van ons werelddeel. Maar et het levend en bloeiend ideaal van ons Chrislijk onderwijs lieeft deze schim niets uit te aan. Dat leeft bij de gratie van Christus Triumaator: „dat ik met lichaam en ziel niet mijn, aar mijns getrouwen Zaligmakers eigen ben". ieruit vloeit dan ook voort dat het zichzelf den rengsten maatstaf wil zien aangelegd. Iets dat os tot een belangi-ijke quaestie leidt. Kunnen aan Christelijke school opvoeders van allerlei ading samenwerken, zoo ze zich Christus' eigenom noemen en Hem als hun Verlosser belijden? hier werk voor een (Protestantsch) Christendom per geloofsverdeeldheid, om dien term van pyper even over te nemen? Daarvan kan geen Prake zijn. Het Calvinisme vraagt, schept in incipe, een eigen schoolstijl, in didactisch en |; ? !lagogisch opzicht. Terstond al wat bet LAGER WDERWlJSbelreft, waarover in de eerste plaats, öo kon dan ook de Heer T. van der Kooy -n voortreffelijke brochure schrijven over: „Het [P^^de van de Gereformeerde school", i)

Met een onderwijs dat zich door andere beginselen laat leiden dan de Gereformeerde kunnen wij geen vrede hebben. Een aanhanger van de C. D. U. of N. S. B., een „Etliisch" man of Barthiaan zal, zoo hij zijn beginselen doordenkt en er aan verkleefd is, ze getrouw blijven in Bijbel- of geschiedenisles. Zulk een man kan, wanneer hij eerlijk blijft, de jeugd niet naar Gods wil inleiden in het „Er staat geschreven", noch in het „Er is geschied". Is er reden om deze dingen nadrukkelijk uit te spreken? De geest van •den tijd doet ons vreezen van wel. Een enkel voorbeeld.

Op een vei-gadering van „Christelijk S. O. S." werd kort geleden een betoog van den volgenden aard gehouden: bij het behandelen der Bijbelsche geschiedenis houde de onderwijzer theologische moeilijkheden buiten de school; Bijbelcritiek passé hij in geen geval toe op de school, hij geve den kinderen wat der kinderen is. 2) "Wierd het inderdaad zóó gezegd, dan achten wij het volstrekt onaannemelijk. Wel ter dege heeft de onderwijzer te rekenen met 'theologische moeilijkheden en zijn onderwijs daarnaar in te richten. Tenminste indien beginselquaesties, vraagpunten die tusschen de verschillende theologische richtingen in het geding zijn, 'tot die „theotogische moeilijkheden" gerekend moeten worden. En dat zal wel het geval zijn, mede om wat er volgt over de Bijbelcritiek. Hiervan zich op de school te ontliouden is zoo weinig een zaak van enkel paedagoigisch beleid, dat de onderwijzer die haar thuis aanvaardt veeleer tot het geven van een waarlijk Christelijke opvoeding onbekwaam is, zoo hij met die critiek ernst maakt. Hoe zal hij een eerbied kweefcen dien hij zelf niet kent en veeleer aanziet voor doode letterknechterij ? LAAT DEN BIJBEL ALS ONAANTASTBAAR WOORD VAN GOD LOS EN GE LAAT DE CHRISTELIJKE SCHOOL LOS!

Misschien geldt hetzelfde in nog sterker mate van Barthiaansche afdwalingen, die den man voor do klas alle beginselvastheid zouden ontrooven^ al de zekerheid van GodS werk te werken: ongeestelijk defaitisme, dat met den geborgden naam van ootmoed pronkt. Mogen we veronderstellen dat de lagere school hiervoor immuun zou zijn? Nog onlan, gs liet de Heer A. Janise op heldere wijze zien 'hoe deze geestesgesteldheid een £évaarlijlie houding tegenover het Christelijk onderwijs in 't leven roept. 3) ^

Is het gevaar dan zoo groot dat de dialectische theologie voorwerp van wijdverbreide studie zal worden? Het lijkt weinig waarschijnlijk, maar .wel vindt de grondstemming der dialectiek weerklank bij het negativisme onzer dagen, dat, yoor een zich verlerend najagen van Schriftuurlijke idealen te ingezonken, maar al te gaarne zich hoort voorredeneeren dat zulk streven hoogmoedig is en farizeeuwsch.

Aan het einde van het vorig jaar hield D s J. C. van Dij k een rede voor de .Ünie van Christelijke onderwijzers over „Humor als waardevolle factor bij 't onderwijs". Aan een verslag daarvan*) ontleenen we het volgende: „Als het Christelijk onderwijs zich van zijn taak bewust is, moet de onderwijzer elke dag weer de school betreden in het gevoel van het volstrekt onmogelijke van zijn taak... Meer doen dan kinderen afleveren, gestempeld door heilige herinneringen, kunnen we niet. En er is veel humorf noodig om daarin te berusten." ,

Ziehier een schijnbaar centenaarzware, maar in werkelijkheid lichte opvatting der onderwijstaak. Wie hier van onmogelijk spreekt, vergeet dat God van den opvoeder geen omzetten der harten vraagt, doch een gehoorzaam en getrouw brengen van het Evangelie, in heel liet onderwijs. Dit volmaakt te doen, ja, dat is pnmogelijk; daarover gaat het hier echter niet. De iSclirift spreekt over zulke dingen anders: „Zijt standvastig, onbeweeglijk, altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren, als die weet dat uw , arbeid niet ijdel is in den Heere". Elders: „Wij zijn iGode een goede reuk van Christus, in degenen die zalig worden en in degenen die verloren gaan". „, Het voegt ons niet", zoo licht C a 1 v ij n deze plaats toe, „ons te ergeren, als de prediking van het Evangelie niet allen tot de zaligheid leidtj maar laat ons liever ."bedenken, dat liet ruimschoots voldoende is, als ze Gods eere ibevordent door den verworpenen de rechtvaardige verdoemenis te brengen". ^) De onderwijzer, die het zoo beziet, zal zich waarlijk niet tevreden stellen met het kweeken van „heilige herinneringen"; ook zal het geen humor zijn, wal hem troost over oogenschijnlijk vruchteloozen arbeid.

Niet alleen aan de zijde van het Christelijk onderwijs dreigt hel syncretisme, maar ook van de overzijde wordt de hand wel toegestoken. We mengen in dit verband ons niét |in de discussie over het al of niet rechtmatige yan den roep om min of meer verpücht Bijbelonderricht voor de lagere school. Wel verdient het hier de aandacht dat het sommigen voorstanders nog om iets meer te doen schijnt dan parate Bijbelkennis, die uit cultureel oogpunt zeker belang heeft. Althans schrijft een man als de Heer G. van Veen naar aanleiding van een passus uit het petitionnement van 1878: „Tien jaren geleden zouden de2ie woorden den meesten van ons, vrijzinnigen, nog weinig gezegd hebben. Wat hebben we sedert veel geleerd!... Beginselverdieping en beginselversterld, ng, door ons volk door middel van meerdere kennis van den Bijbel tot bezinning op Bijbelsche pri^ncipia terug te voeren, is bij uitstek opgave van dezen tijd geworden, die zich door een veelsoortig FiUstinisme ziel bedreigd." ^) Men kan dankbaar zijn voor zulke woorden, al is men geneigd het grootste gevaar voor Israël niet bij de „Filistijnen" le zoeken, bij hen die van Israels God geen woord willen hooren; al wordt men, zulke dingen lezend, misschien herinnerd aan het woord van Fr. von Schlegel: „Moderantismus isl der Geist der Kastrierten lUiberalitat". Wanneer de mannen der openbare school den Bijbel als bron van volkskracht gaan aanprijzen (wat ons op zichzelf verheugt) dan wordt het dubbel nood2; akelijk, dat de Christelijke school een onverbasterd Evangelie brengt en, door vast te houden aan de Gereformeerde belijdenis, haar bestaansrecht en het recht op haar naam bewijst.

Luistert het zoo nauw bij het lager, hoe dan te oordeelen over HET MIDDELBAAR EN GYM­ NASIAAL ONDERWIJS? Naar het me voorkomt, staan de zaken hier ietwat anders, inzooverre het vakleerarenstelsel er lossere verbanden schept. Terwijl aan den eenen kant de eisch van het beginsel hier nog duidelijker en krachtiger spreekt, doordat zich hier gaat openvouwen wat op de lagere school in knop was, doordal de leeraar tot eenigermate zelfstandige studie wordt geroepen en eigen standpunt moet bepalen tegenover ongeloovige wetenschap, is er aan de andere zijde eenige mogeUjkheid tot meerder speling: immers niet ieder leeraar onderwijst een vak dal even onmiddellijk als godsdienst- of geschiedenisonderricht dwingt lol partijkeuze inzake de Gereformeerde beginselen. We wijzen op leekenen en handelsoorrespondentie, mechanica, rekenen, ma-

chineschrijven, ook het talenonderwijs in de laagste klassen. Men versta dit wel. Het is verre van ons de gedachte te suggereeren dat ©r één vak op den rooster van eenige middelbare school zou staan, waarvoor het beginsel van den Christenleeraar een onverschillige zaak zou zijn. Daarvoor snijden de principia reeds veel te diep in leven, persoonlijkheidsvorming, tuchtoefening en paedagogie in. Er is een Calvinistische „levensstijl", er zijn ook niet-Calvinistische. De Calvinist pleegt zich door een eigen levenshouding te kenmerken bij voorbeeld, waar het geldt: Zondagsheiliging, velerlei amusement, kunst, litteratuur^ de j, wereld". Nu ligt het in dien aard der zaak dat de docent hetzij in, hetzij buiten de klas ten deze invloed op zijn leerlingen uitoefent. Daarom blijft een school waaraan ook leeraren van ander beginsel verbonden zijn (de onderscheiding Gereformeerd-Hervormd zweeft ons hier uitteraard niet voor den geest) oen compromis. Een comr promis dat, in bepaalde omstandigheden en- onder bepaalde voorwaarden, aanvaardbaar kan zijn, vooral vroeger het was. Tegenwoordig, nu de mogelijkheid bekwame en afgestudeerde leeraren te vinden zooveel ruimer is, vermindert de drang der omstandigheden om in zulk een compromis te berusten in sterke mate.

Overigens is hier een analogie met de Vrije Universiteit. Prof. Rutgers kon in 1899 betoogen dat aan deze stichting benoeming van een chirurg die van de Gereformeerde beginselen afwijkende denkbeelden huldigde (b.v. inzake kerkrecht) niet was uitgesloten, al mocht zijn medisch onderwijs met die beginselen niet m strijd komen.') Nu verliezen we het verschil in karakter tusschen dit hooger en het middelbaar (gymnasiaal) onderwijs niet uit het oog. Met name z^ijn we ons ervan bewust dat bet laatste meer technische, quasineutrale, de cxamenopleiding dienende kanten vertoont dan het eerste. Vandaar dat hier meer mogelijk is dan ginds.

Hoe gaarne we dit toegeven, als het op grondslag en leiding aankomt, mag zulk een compromis nooit worden aangegaan. Die hebben ondubbelhartig en ondubbelzinnig Gereformeerd te zijn. Het onderwijs (en de opvoeding), als geheel genomen, dient hel Calvinistisch stempel te dragen van ootmoedige gehoorzaamheid aan een volledig, zoowel voor de studeerkamer als voor de schoolpractijk aanvaarde. Schrift. Geheel iets anders dan de veelgeroemde, maar moeilijk grijpbare „Christelijke sfeer"!

Is zonder een eigen levens- en wereldbeschouwing hel Calvinisme niet te denken en schept het zich zekei een eigen, welonderscheiden onderwijs, dan brengt dit mede dat een „algemeen-Christelijke" H.B.S. of Gymnasium vrijwel even onbestaanbaar en hersenschimmig is al zoo- een Universiteit. Men kan wel een zwevende formule voor samenwerking uitdenken, doch het onderwijs zelf zal zich, al naar gelang van het beginsel der leeraren, moeten differentiëeren, zoo zeker als er wel anjers en orchideeën z, ijn, maar geen bloemen-zouder-meer. Ten aanzien van grondslagen en leidend beginsel is samenwerken met wie eens anderen geestes zijn niet mogelijk zonder gedeeltelijk prijsgeven van ons kostbaarst bezit Wie moeten ons dan ook geheel losmaken of vrijhouden van het denkbeeld dat Calvinisten en niet- Calvinisten bij dit onderwijs naast elkander voort zouden Icunnen bouwen naar eenzelfden stijl en eenzelfde bestek. Soortgelijk besef heeft de stichters der Vrije Universiteit het offer doen brengen van den steun der Ethisch-lreniscbe broeders, om Christus' wil.

Mei betrekking tot het middelbaar en gymnasiaal onderwijs schijnt dit besef onder ons veel zwakker. Daarom is het dat we hier onverbloemd uitspreken: als de V r ij e-U niversiteitsgedachte een inrichting van middelbaar of voorbereidend hooger onderwijs draagt en bezielt, dan mag Christel ij k o nd er w ij s worden verwacht; anders niet.

Want voor de principdëele kern van dit onderwijs zijn de Gereformeerde beginselen juist even onmisbaar en, naar verhouding, even vruchtbaar als voor de Calvinistische Universiteit. Slag op slag worden leeraar en leerling met de diepste beginselen geconfronteerd, o.a. bij geschiedenis, staathuishoudkunde, biologie, geloofsleer, litteratuuronderwijs, bij de dagelij ksche lectuur van klassieke en moderne auteurs. Ter sprake (moeten) komen, om maar iets te noemen: inspiratie en autoriteit der Schrift; de leer van de Kerk; het dogma; hoofdstukken uit de ethiek; de zin der geschiedenis; de volheid des tij ds; het recht van oorlog, van opstand; de geschiedenis van het Calvinisme en zijn beteekenis voor ons land in het bijzonder; het politieke partijwezen ten onzent van vroeger en van thans; economische stelselsi; de evolutieleer; de schepping; de beteekenis van Gods Woord voor de natuurwetenschap; litteraire stroomingen, als daar zijn: classicisme, romantiek, naturalisme, nieuwe zakelijkheid; zelfs een en ander van oude en nieuwe wijsbegeeTte. Wat komt niet ter sprake bij rustige behandeling van litterairte werken?

Of denkt men misschien dat de leerling zelf zijn principieelen weg wel vinden kan? Het kost den leeraar in veel gevallen al moeite genoeg dragelijk pionierswerk te verrichten. Zeker, met vermijding van principièele quaesties, kan onderwijs worden gegeven dat naar wereldschen maatstaf goed schijnt; Christelijk is het niet. Zoo verderfelijk een te pas en te onpas „vroompraten" moet heelen, zoo noodzakelijk is een brengen en houden van het geheel der leerstof in den lichtglans van Gods Woord: complement van het gebed' om vereeniging des harten tot de vrees van Gods naam. Opzettelijk en voorberaamd dient dit te worden gedaan (wat van den leeraar gezette sludie der Gereformeerde beginselen eischt) maar ook, als op de meest ongedachte momenten de beginselquaesties naar voren springen: de terloops gestelde vraag van een leerling over één van de duizend onderwerpen die aan de orde kunnen komen (ieder docent weet er van); een courantenbericht; een bepaalde formuleering in het leerboek; een opgangmakende roman.

Naarmate 'het belang van waarlijk Christelijk middelbaar en gymnasiaal onderwijs ons helderder voor oogen staat, zal ook de overtuiging opleven, dat Christus op dit terrein ons oproept tot den strijd om behoud of verovering der naar Zijn naam genoemde scholen. De ouders: door toe te zien op den geest waarin ze hun kinderen laten onderrichten; door (zoo mogelijk) aanvulling of herstel, waar de school principieel faalde. Bestuursleden: door overweging of de grond^ slag en de verhoudingen aan de school handhaven eener Gereformeerae onderwijspractijk en dies gezonde samenwerking mogelijk maken; door voorzichtige keus van te benoemen docenten; door nauwlettend acht Ie geven op het onderwijs waarvoor zij mede verantwoordelijkheid dragen. De leeraren door sterke begeerte en ijver om, door woord en voorbeeld hun leerlingen tot de Schi'ift leidend, vasten grond hun onder den voet te geven, tegen beginselondermijnende theorieën hen te wapenen, al zou nog zoo'n gering percentage van ben afkomstig zijn uit een beginselverwant milieu; door in den kring van hun collega's den Christus der Schriften met warmte en overtuiging te belijden.


|1) Amsterdam, Drukkerij „De Standaard", 1923.

2) „De Standaard" van 6 Januari 1936.

3) „De School met den Bijbel" van 26 December 1935.

4) „De Standaard" van 30 December 1935.

5) Ad 2 Cor. 2:15.

6) Ochtendblad van het „Algemeen Handelsblad" van

7 Jan. 1936.

7) J. C. RuUmann, „De Vrije Universiteit", Amsterdam, 1930, pg. 196.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 januari 1936

De Reformatie | 8 Pagina's

HOOFDARTIKEL

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 januari 1936

De Reformatie | 8 Pagina's