GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

HOOFDARTIKEL

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HOOFDARTIKEL

10 minuten leestijd

Marcion, het evangelie van den vreemden god.

V.

Marcion en Karl Barth.

Ieder, die dit opschrift leest, kaa vragen: hoe wordt deze samenvoeging l^edoeld? En daarom willen wij maar direct zeggen, hoe wij deze samenïoegiiig bedoelen: wij wilden er in uitspreken, dat Marcion en Barlh door innerlijke verwantschap bij elkander behooren. .

Mag dat uitgesproken worden? Is heti wel geoorloofd iemand bij Marcion te voegen, die in zijn grondleggend werk slechts enkele malen spreekt over Marcion en hem slechts één keer met inslemming aanhaalt?

Is dat wel geoorloofd, als die iemand in het ïoorwoord op zijn grondleggend werk wel toegeeft, dat er tusschen hem en Mardon zekere parallellen zijn, maar die dan direct verzoekt nauwkeurig toe te zien en hemi niet te vlug als Marcioiüet te loven of te berispen en er zich in datzelfde verband vroolijk over maakt, dat de een hem voegt hij Marcion en een ander hem plaatst bij Thomas Münzer of Kaspar Schwenkfeld? 54)

En is dat wel geoorloofd, als die iemand zoo geniaal is als Karl Barth, zoo oorspronkelijk is als Kari Barth, zoo scherp de problemen weet te stellen, en zoo goed de theologisdie discussie kan voorthelpen als K.arl .Barth?

En toch doen wij dit. En dan spreken wij natuurlijk niet uit, , dat een zoo geniaal man zich vastlegt aan Marcion .alleen, en oiok niet, dat er geen tegenstellingen zijn tusschen Mardon en hem, maar- om daarmee te zeggen, dat ondanks dit alles Karl Barth leeft in den geest van Mardon, ^s) En hierbij wijst ons Barth zelf den weg in dat céne geval, als hij in zijn „Römerbrief" waarderend over Mardon spreekt. Hij doet dit bij zijn verklaring van 7:8—11 en maakt dan de opmerl'ing, dat Mardon zoo voortreffelijk de verhouding van God tot ons heeft beschreven als de verhouding van een absoluut-vi-eemde. ^< ^)

En. juist dat is de hoofdgedachte bij Mardon fn een der hoofdgedachten van Barths tbeoiogie.57) Dat het de hoofdgedadite van Mardon is, is in deze artikelen reeds voldoende uitgesproken. "Wij herinneren nog even aan den titel van Harnacks hoek: „Mardon, het evangelie van den vreemden God" en aan zijn uitspraak, dat de nieuwe religie van Marcion dit was, dat de Vreemde tot ons was gekomen. En wij herinneren nog even aan Bousset, die duidelijk laat zien, dat heel de gnosis daar toen vol van was, maar dat niemand scherper dan Marcion heeft uitgesproken, dat, God vreemd is en dat de geloovigen zich als vreemden gevoelen in de wereld.

En hel is één der hoofdgedachten der Barthiaansche theologie. Met Berkouwer ^^) o.a. zien wij als de gedachte bij Barth, dat God God is en blijft ook — juist — in Zijn genade. Helaas bedoelt hij deze uitdrukking niet Schriftuurlijk. God is God: met deze uitdrukking wil Barth handhaven de vrijheid en souvereiniteit van God — ook deze worden helaas nominalistisch ^^) gezien —

en wil hij handhaven de grens tusschen God en mensch. Naar Barths verklaring was het er tiem in den „Römerbrief' om te doen het quaUtaüefoneindig verschil tusschen tijd en eeuwigheid in al z'n consequenties te doen uitkomen. En waar hij de verhouding: tijd — eeuwigheid gelijk stelt met die van mensch en God, kan als zijn hoofdbedoeling worden gezien het aanwijzen van de nimmer op te heffen grens tusschen den mensch en God. Een volstrekt dualisme, een onvoorwaardelijke distantie heeft Bai-th in Paulus' brief gehoord. De brief aan de Romeinen heeft tot inhoud: geen synthese tusschen den mensch en God, tusschen tijd en eeuwigheid! De eeuwigheid gaat geen verbinding aan met den tijd. Ze is d6 crisis van den tijd en van al het tijdelijke en menschelijke. God is in den hemel en wij menschen op de aarde. Er kan in geen enkel opzicht sprake zijn van vermenging of synthese. Er is alleen antithese, exdusiviteit. ^o)

Wij kunnen het ook zoo zeggen ^i): „Het gaat er om, of er na den zondeval een rechtsch leven mogelijk is, een tweede omslag, waardoor de mensch weer naar God toegaat. Is dat reëel of niet? Als men zegt: ja, dan komt men in conflict met Barth, die zegt: rechts is er geen menschelijk leven, maar alleen geluid Gods, het Woord Gods, de Pr e dig t".

En we kunnen het ook zóó zeggen: „De afstand tusschen God en mensch blijft .absoluut. Inzooverre God dan ook met Zijn .Woord in de historie op zou treden en „gestalten" zou scheppen, zijn ook weer die gestalten onmiddellijk onderworpen aan de crisis, het oordeel, dat van Godswege over alle geschiedenis moet gaan. En van een werkelijk .„zakelijk" binnendringen, binnenbreken en verschijnen van de „wereld" Gods in déze „wereld" van óns, is geen sprake.

En zelfs als God vleesch wordt, zelfs dan is dat vleesch in deze wereld toch altijd door de zonde beheerscht." (Schilder, Wat is de hemel? pag. 30, 31.)

De afstand wordt ook door het geloof .niet opgeheven: alles blijft in de crisis. Daarom kan er volgens Barth niet zijn Christelijke politiek en Christelijk sociale actie , en daarom veroordeelt Gogarten samenvoegingen als „religie en cultuur, rehgie en geschiedenis, religie en oorlog, religie en famiUe, religie en kerk, religie en kunst, enz.: die samenvoegingen hebben geen basis, er is immers geen omslag naar God mogelijk? Zelfs , over de kerk, ja juist over de kerk gaat Gods oordeel: ook door de kerk is er geen band met God. Ook tot een Christelijke ethiek kan Barth zoo , niet komen: ethiek is alleen maar mogelijk als critiek over aUen ethos!

Meer willen wij van Barths gedachten niel naar voren brengen: de samenvoeging Mardon en Karl Barth in den zin van innerlijke verwantschap is voldoende geïllustreerd. Beiden kennen ze God als den vreemde, beiden zien heel de wereld in ellende gezonken, beiden hebben dgenlijk geeai plaats voor ethiek, en beiden leven daarin en daardoor uit gnostieke grondgedachten.

Misschien mag ik beider verwachting van God heel scherp zóó formuleeren: ze hebben een God, die alleen maar het eeuwige leven kan geven.

Maar dan moeten ze ook beiden door de kerk van Christus worden bestreden. De eerste Christelijke kerk heeft haar roeping verstaan en met Marcion heftig gestreden OM HAARS 1> EVENS WIL! Ik haalde reeds Polycarpus' woord tot Mardon aan, toen Mardon door hem erkend wilde worden: „Ja, ik erken u, maar als den eerstgeborene van Satan".

Diezelfde Polj^carpus heeft eens geschreven ^s): „want ieder, die niet belijdt, dat Jezus Christus in het vleesch is gekomen, is antichristelijk. En wie niet het getuigenis des kruises belijdt, is uit den duivel. En wie de woorden des Heeren naar zijn eigen begeerten verdraait en zegt, dat er geen opstanding noch oordeel is, die is een eerstgeborene van den Satan". En nu is het mogelijk, dat deze woorden niet op Mardon zelf betrekking hebben, de geest van Mardon wordt er wel in veroordeeld, de geest, die zegt, dat God niet in band kan staan met de wereld, dat God alleen 't eeuwige leven kan geven. Die geest, die de gemeente van Christusal zoo veel kwaad gedaan heeft, bekoort ook nu weer, waar een genie als Barth in dien geest leeft.

Tegenover dien geest moeten wij stellen het vaste Woord Gods en dat Woord Gods spreekt geheel anders. Dat spreekt niet van een God, Die Igeen band kan hebben met de wereld en den mensch: door Zijn immanentie houdt Hij Zich met alles bezig in den kosmos, zelfs met stootige ossen en met gras op een berg, dat door niemand gezien wordt en met het huwelijksleven en met die verachte politiek.

En dat Woord spreekt niet van een God, Die alleen maar het eeuwige leven geeft, en daartoe alleen zielen redt: het spreekt van een God, die de harten Zijner kinderen vernieuwt, maar dan ook Zijn kinderen geheel en al in Zijn dienst neemt en hen reeds in dit leven zegent met allerlei zegeningen in Jezus Christus en hen straks met vernieuwd lichaam in een nieuwen hemel en op een nieuwe aarde doet leven.

En dat Woord spreekt niet van ©en God, die vreemd is, maar van een God, die de menschen maakte naar Zijn beeld en met die menschen wandelde en met hen at en dronk, en dat Woord spreekt van Zijn Zoon, Die ons in alles gelijk werd en Die gezien en getast is en Die ons door Zijn Geest in gemeenschap stelt met Hem, en aan het Heilig Avondmaal mogen wij Hem zelfs eten en drinken met den mond des geloofs en met Hem vereenigd •worden door één Geest, ook al is het, dat Hij in den hemel is, en wij zijn op de aarde.

En die naar dat Woord leeft, vergaat niet voor Hem, die de hoogste Majesteit heeft, maar heeft Hem hef en wandelt met Hem en spreekt met Hem, ook al weet hij, dat hij zich onderwindt, want hij is maar stof en asch.

En die naar dat Woord leeft, heeft grooten vrede met zijn grooten God, maar die groote vrede brengt hem tot scherpen strijd om "naar den wil van Zijn God te leven op alle terrein: op het terrein der kerk en der wetenschap, in zijn famUieleven en sociale betrekkingen, in de kunst en politiek, in het rekenen en schrijven en het is heni bij alle moeite in dien strijd een liefdedienst, die hem nimmer mag verdrieten en iiij hijgt naar de rust, die overblijft voor het volk van God.

Zoo sta ons geloof tegenover het geloof van hen, die van God alleen maar het eeuwige leven verwachten: het geloof in een God, die transcendent, maar ook immanent is, die Zich geopenbaard heeft in de Heilige Schrift en door die openbaring weten wij waarheid omtrent Hem en Zijn werken en ons geloof is ook een geloof in de opstanding des vleesches en in dat geloof genieten wij het goede, dat God in Zijn goedheid ondanks de zonde gelaten heeft en verwachten wij met de zuchtende schepping de heerlijkheid der kinderen Gods.

Strijden wij in dat geloof en voor dat geloof. Het is noodzakelijk, want mag de moderne mensch de speculaties van Marcion vreemd en kras vinden en zijn twee-godenleer verwerpen, de geest van Marcion leeft en niet het minst in hem, die aoht, dat Marcion zoo voortreffelijk de verhouding van G«d tot ons heeft beschreven als de verhouding van 'een absoluut vreemde.


5*) Barth. Der Römerbriefi Voorwoord bij den 2en druk, 'S' 1? , 18.

55) Aldus Prof. VoUenhoven op den 7en Christelijk Soci- ''en Cursus te Lunteren. Verslag „Rotterdammer", 11 September 1935.

En ZOO: Kayser in het reeds aangehaald artikel: Natur "na Gott bei Mardon, in Theologische Studiën und Kriti- , , " ™9, pg, 279—296. Hij schrijft zelfs: Bis zur Gegen- '«' hm, bis zu Karl Barth und Friedrich Gogarten bat es «men christlichen Theologen gegeben, der gewagt ab« 1 *^^ Marcion gewagt bat, die Religion ganz auf den SIM Gegensatz van Natur und Gott oder was desselbe g, auf den von Furcht und Glauben auf zu bauen, pg. 294.

lief n ^^^"^ ^^^ °°^ °P ^'^ Barthiaansche theologie hier daaV"''! •" Gereformeerden is dit gelukkig reeds vaak geen 4 'T '^^"^ o-a- aan Prof. Schilder, Dr G. C. Berkouwer ' A- Janse.

58) Dr G. C. Berkouwer in „De dialectische theologie", artikel in het boek: Beproeft de Geesten, pg. 76—124. 59) Hoe heerlijk wij met de tegenstelling realisme en nominalisme Barths theologie kunnen benaderen, toont A. Janse: De nominalistische inslag in de „Kirchliche Dogmatik" van K. Barth, Vox theologica, 6e jaarg., nr 4, April 1935.

60) Berkouwer a.a., pg. 81 en 82. 61) Prof. VoUenhoven op den cursus.

62) Hoe Barth dan tot kerkstrijd kon komen, cf. Berkouwer a.a., 116—123.

63) Brief aan de Phillippiërs (vertaling G. A. v. d. Bergh van Eysinga).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 maart 1936

De Reformatie | 8 Pagina's

HOOFDARTIKEL

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 maart 1936

De Reformatie | 8 Pagina's