GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Perforatie-dood

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Perforatie-dood

9 minuten leestijd

Wij belijden dat de Middelaar niet maar een „gewonen", doch zeer bepaald een „gewelddadigen" dood moest sterven.' Een uit-een-scheurings-dood; d.w.z. een dood-van-perloratie (uiteenscheuring) of - van-mactati© (slachting).

Ben paar „vreemde" woorden?

Maar ze kregen in de roomsche theologie een vaste plaats. Daar heeft men de mis. Die heet een onbloedige herhaling van Christus' offerande. Maar men werpt zich deze moeilijkheid op: als het een „offer" is, dan Is het mactatie (slachting). En als het „onbloedigf" is, is het dan zónder perforatie (uiteenscheuring door geweld) ? Hoe moet men daar mee aan? Ook roomschen willen niet die „perforatie" missen.

Wij laten die Roomschen nu verder los. Maar denken voor ons zelf toch na over de vraag: waarom die perforatie als noodzakelijk element in den dood van onzen Borg?

Zonder bloedstorting, zegt de Schrift, geschiedt er geen vergeving. Hier ligt het uitgangspunt, 't Bloed van den Tweeden Adam moest „gestort" worden, „uitgegoten"; „uitvloeien" moest het, „wegvloeien".

Want:

a) als tweede ADAM moet Hij de man-met-bloed zijn; doch

b) als TWEEDE Adam moet Hij de man-van-het-vergoten-bloed worden.

Wat a. betreft: ls tweede ADAM moet Hij een menschvan-bloed zijn. Het mensch-zijn als zoodanig Is niet afhankelijk van 't bloed-hebben: r zijn Immers menschenzonder-bloed (onze dooden), en er kómen straks allemaal menschen-zonder-bloed (na den jongsten dag); dan Is de stofwisseling, de bloeds-omloop Immers in den ons bekenden züi voor eeuwig opgehouden: hristus zegt: ij zijn als engelen Gods, en Paulus: uik-en-spijze gaan teniet (Matth. 22 : .30; Mare. 12 : 25; Luc. 20 : 35, 36; 1 Cor. 15 : 44—50, 53, 54; 6 : 13). - Neen, niet „voor eeuwig", maar alleen voor de eerste existentie-phase, voor het optreden-in-den-tijd, en het daarin, te midden der veranderlijke dingen, zelf mee kunnen historie-maken, en medeveranderen, heeft God den mensch, dien , , adam", bloed gegeven. Bloed-in-omloop past bij onze eerste bestaanswijze. En wilde nu Gods Zoon als tweede „Adam" met ons mee beginnen, In-den-tljd, dan móest Hij intree-nemen in den tijd; hij moest dus bloed-ln-omloop' hebben. Een mensch van gelijke (bloed-)beweging als wij, uitgenomen de zonde. Toen God op den zesden dag de „materie" voor het menschelijk lichaam „gereed gelegd" had, en Hij daarin „de ziel", het bewegings-principe , .geblazen" had» toen is er bloed gaan stroomen. Bij elke geboorte begint het weer te stroomen. In eiken , , Adam" (ook den tweede) móet het stroomen.

b. Evenwel — de Middelaar is „tweede" Adam. Dat geeft een nadere bepaling van zijn „Adam"-wezen. Hij staat voor 't feit van de zonde; die is er, als Hij opkomt in den tijd, en juist déze zónde wil Hij breken.

Hoe stond het eerst, d.w.z. vóór den val, met de bereiking van de tweede existentie-phase? God had in uitzicht gesteld: indien de mensch, in het paradijs geschapen, zijn wegen van de zonde vrij zal houden, dan móet en mag hij in rust en vrede komen tot die andere existentie-wijze, die niet meer aan het stroomend bloed, het bloed-in-omloop is gebonden (zie onder a). Aan het eind der wegen Gods staat een mensch, die naar lichaam en geest voldragen is, de „uitgewerkte", „uitgebalanceerde" mensch, die niet meer ergens naar tóe groeit, in „kopos" (moeitevolle worsteling), doch die gekomen is tot zijn bestemming; eene zónder „rad-van-avontuur".

Dat is het dus, wat God in uitzicht stelde: de bloedlooze mensch. Bloedloos, dat kan bij den mensch een leelqk woord zijn, óf een mooi woord. Leelijk Is het, wanneer het wijst op iemand, die zijn bloed mist, dat hij toch noodlg had. Maar mooi, wanneer het iemand aanduidt, die er boven uitgekomen is, die tot heerlijkheid bevorderd Is. Dèn is zoo Iemand bloed-loos, niet in den zin van: ónder het eerste levenspeil wéggezonken, doch in déze beteekenls: boven < Jat eerste, dat aanvangs-pell uitgekomen. De vóUe, de rijke, de volmaakte mensch, de boven gevaren uit gerezene: de in onverteerbaarheid gezónde.

Bleef nu de mensch staan in zijn gehoorzaamheid, dan zou God vaderlijk over hem komen, en op den bestemden tijd zou de kracht des Heiligen Geestes hem overschaduwen, om aan den „kopos", de spanningsvolle rusteloosheid van de bloedjacht een pijnloos, ja vreugdevol einde te stellen, en den mensch over te leiden naar een onverwrikbaar zijn-in-rust.

Echter, — de mensch is in zonde gevallen. Ên daarom is die „normale" pacifleke, vreugdevolle stop-zetting en stil-zetting 'van den ommegang des bloeds gestuit. De Intredende zonde heeft den mensch verhinderd sterk en krachtig uit te groeien tot den bloedloozen, den bóvenbloedschen staat van een eeuwige jeugd. Hij heeft gescheurd, hij heeft geperforeerd, . den band met God verscheurd; zijn naam is voortaan rechtens: scheur-maker, perforator. Nu komt er over hem een perforatie-oordeel: hij moet verbroken worden, en verscheurd. Want alle scheur-maker moet wórden ver-scheurd. En dat beteekent: liem wacht nu rechtens pijn, en „kopos"; niét als van het menschen-moeder-„dier", dat baart-in-paradijzen, pijnloos, hoewel met „spanning", doch de „kopos" van wie zich in SMaRTEN kromt, in-krampen-van-geboorte, in weeënvan-den-dood. De perforatle-„kopos" dus.

De zonde wreekt zich dan zeer gevoelig in des menschen bloed. Na den val heeft God hem aangezegd, dat hij den dood zal sterven: God sprak de perforatie-schelding over onze „eenheden", ook over de eenheid z!el-enlichaam uit; niet het lichamelijk stU-gezet-worden der bewégüig werd ingesteld (die was al Ingezet, zie boven): doch de lichamelijke-stilzetting-in-perforatle werd, onder den naam van afstootenden straf-dood ingesteld.

Wel werkte ook hierbij reeds Gods evangelische gena-(Jewil.

Maar tevens zijn heilige toorn, die straffen wilde onder aspect van genade; straffen hén, door wie de In Christus aan alle menschen verschenen genade zou verworpen zijn. God stelde dus den perforatie-dood in. De „overgang" zou niet „organisch" gebeuren, doch in perforatie. En daarom zou hij voortaan „dood" heeten; eerst heette die overgang naar de hoogere klas, naar de betere existentie-phase, heel gewoon opstanding. Nü heette de overgang: dood. Overgang naar tweeden dood, tenzij er weer verzoening zou gevonden zijn. Zoo komt er die historie van na-denval; zij met het pleit van zonde en genade, een historie als substraat voor bediening van genfide èn van vlóekover-hé, ar verwerping, een bediening van die belde mede m den cirkelgang, den ommegang van bloed en bloedeis. Uit bloeders maakt Hij broeders óf verbloeders.

Toen dus de TWEEDE Adam het bederf van den eersten wilde breken, moest Hij die perforatie lijden, om ze te overwinnen. Hij moet sterven „naar den bloede", om naar récht, dat Hij verwierf, in „kopos" van den Middelaar uit te komen boven de beweging van het bloed, opdat er weer een pacifleke stUling van het bloed zou komen: een overgang naar eeuwig leven in een vroolijk afscheidsuur.

En dus móet Christus als de tweede Adam den perforatie-dood gaan Igden.

Als tweede ADAM moet zijn bloed gaan stroomen; dat is Bethlehem.

Als TWEEDE Adam moet zijn bloed gewelddadig, in den toom-gloed uit-stroomen, weg-stroomen. Hij mS.g niet perforatie-loos, in vrede ontslapen. Hij moet de perforatie lijden in al zijn „eenheden". In die van 't lijf; in die van de ziel; ook in de eenheid ziel-en-lichaam. Hij moet de mactatie (de slachting) lijden.

En dit maar één maa.1.

Want het is den mensch gezet (ook dus den tweeden Adam), éénmaal {aiza^) den overgang te lijden en daaina het oordeel i). iJaarora kan er geen „mystieke" mac­ tatie zijn (de roomsche mis!), in den zin van" on-bloedige en dan herhaalde slachting. Wel is er „onzichtbare" mactatie en perforatie, inzóóverre als Christus ook naar-den-Inwendigen-menseh (de „ziel", den „geest") pijnlijk moet lijden. Ziele-pijn is óók een perforatie, een mactatie (slachting). Ze is wel de wezenlijkste — alle dood-gaan begint bij onze ziel. En het dood-gaan eindigt pas in 't vleesch. Maar óók die geestes-mactatie overkomt Hem maar één Maar óók die geestes-mactatie overkomt Hem maar éénkeer (ajza^); éénmaal lijdt Hij In één tijdelgk-gebonden existentie-pijn; en dan nooit meer.

De tweede Adam moet dus eerst bloedloos worden in dien „leelijken" zin van het woord, dat is In volstrekte armoedigheid. In ont-zonkenheid van perforatie-en mactatie-pijn moet Hij den nood des bloeds lijden tot In de oneindigheid toe (nederdaling ter helle!). Maar daarna en daardoor, en uit kracht van zijn daarin sprekende borgtochtsliefde (waarin Hij die armoede van ons op Zich neemt), moet en mag Hij bloedloos worden in dien anderen, dien moolen zin; in verheven-heid, in victorie, in opstijging, nu naar verworven recht; bloedloos in den rijken zin van het woord: een tweede Adam, die niet meer is een „levende ziel", maar die geworden is tot een „levendmakenden geest".

Zijn dood is dus een in smé, rteu-„kopos" gebonden smarten-dood. Maar anders dan de onze. Onze dood is een door onze ethische-anibtelijke steriliteit, onze Impotentie, onze , , krachteloosheid", ijdele, overgang — buiten Hem — naar den tweeden dood. Maar van Hem mogen wij jubelen: de Christus, die is nooit ethisch, ambtelijk steriel geweest: nimmer impotent, of „krachteloos". Hij is nu letterlijk altijd „in zijn verdienste".

Hierin zijn wij door Hem verlost. Wij mogen nu voor onze kindertjes bidden, dat zij niet in den eersten, doch in den tweeden Adam mogen „wassen en toenemen". De als straf ons opgelegde pijnlijke scheiding in de eenheid ziel-en-lichaam trad bij den eersten Adam in de plaats van de eerst beloofde verheerlijking van ziel-en-lichaam; ze trad bij zijn kinderen in de plaats van het in Adam wassen-en-toenemen. Maar voortaan kan men alleen maar in den Christus wassen-en-toenemen. Verheerlijking, wedergeboorte, vernieuwing van de eenheid lichaam-ziel is dan ook voortaan vastgekoppeld aan het deelen in de overschaduwing van ons bestaan door den Geest als Geestvan-Christus!

Hierin ligt dan genadedienst: God stelt dat wederkeeren tot het stof voor alle eeuwen vast, opdat Hij zoo voor Christus' werk-naar-alle-zijden in qualiteit van Borg en Middelaar, tot dla-critisch, schiftend oordeel aan dlle vleesch gesteld, in de wereld plaats kon maken.

En daarom is de Christus éénmaal in den perforatieen mactatie-dood gestort. Offer is Hij — want zijn bloed moet in den dood. Offeraar is Hij, want Hijzelf moet zijn bloed in den dood jagen. Altaar is Hij, want de eenheid lijf-zlel-geest-vleesch-bloed is onontbeerlijk substraat voor de komende, en in de geeselslagen (gelijk in 't bloedzweet) en op' Golgotha gekomen perforatie en nlet-mystleke mactatie. Tempel is Hij, want Hij heeft den Geest niet met mate, en moet daarom door den eeuwigen Geest — gelijk de bijbel zelf ook zegt — zichzelf aan God «onstraffelijk opofferen.

Hij hééft alzoo gedaan; onze tweede Adam. Hij Is verscheurd, opdat Hij de scheurmakers zou verlossen. Zijn naam is daarom „heel-meester". „Pater Hater"; wie ons geneest, die heet tenslotte vader-over-klnderen. En hun sterke Broeder.


1) ana, als „strenger Zahlbegriff". (Stahlin in Kittel, Wtbch. I, 380); zie verder Hebr. 9 : 26 tegenover 9 : 25; 9:27, 28; 10:12, 14; 1 Petr. 3:18; Rom. 6:10; Hebr. 9 : 27; 12 : 26 (Haggai 2:6); Hebr. 12 : 27; 6:4; 7 : 27; 9 : 12; 10 : 10.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 3 februari 1951

De Reformatie | 8 Pagina's

Perforatie-dood

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 3 februari 1951

De Reformatie | 8 Pagina's