GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Verandering en bestendigheid in de natuur (I)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verandering en bestendigheid in de natuur (I)

8 minuten leestijd

POP. WETENSCH. SCHETSEN

Wij leven in een wonderbare wereld. Wanneer het voorjaar is en men om zich heen weet te kijken, vraagt men zich af: is het nog nodig zo iets te zeggen? Groen in honderden, duizenden tinten, zovele tinten, dat onze taal er ook bij benadering geen woorden voor heeft; tinten die in de morgenzon anders zijn dan in het m.iddaglicht, en 's middags weer anders dan in de avond; tinten die zich nuanceren met de wind, die van dag tot dag als het ware zich versterken en weer verzwakken. Tinten van groen gecontrasteerd met andere kleuren zoals geen schilder of mode-vorst het zou aandurven: met het blauw van de hemel, het lilapaars van de primus, het rossige wit der appels, het harde geel der paardebloemen. En in dit alles een haast benauwende groeikraeht, een streven van woekerende intensiteit naar wat er morgen moet zijn volgens 'n door EEN gestelde opgave, in een gloed van voortstromend leven. Dit alleen al, dit weinige (hoeveel meer zou er te melden zijn!) geeft voor wie gelooft iets, iets te kennen van de almachtige Schepper van hemel en aarde, die met Goddelijke kracht dit alles onderhoudt en regeert; en doet herhalen de haast bange, eeuwenoude vraag: wat is de mens dat Gij zijner gedenkt? Al volgt dan mede: met eer en heerlijkheid hebt Gij hem gekroond, ook in het zien en bewonderen mogen van de schepping.

En, haast vanzelfsprekend, nu is het niet zo, dat bij nadere bestudering van de natuur deze bewondering vervaagt, of vermindert en plaats maakt voor de kalme waardering van een zekere vanzelfsprekendheid. Integendeel. Telkens, als de mens, door waarneming en door studie, iets, een weinig, heeft leren verstaan van de wijze waarop dit alles gecomponeerd is, neemt zijn verwondering toe. Ten dele doordat voor elke vraag waarop het antwoord gevonden is, er tientallen nieuwe oprijzen, die de idee van het volledig verstaan steeds verder verschuiven naar de terreinen der dwaasheid. Maar ook doordat wat wij verstaan zo onverwacht groots is, en een haast huiveringwekkende majesteit verraadt in het geschapene en in d e geschapene; maar dit laatste zij thans daargelaten.

374 Te weinig is hiervan onder on^ bekend. Wel is de natuurwetenschap in haar hogere regionen zo moeilijk, dat zelfs niet zo heel veel geleerden deze onderwerpen volledig schijnen te beheersen; wij denken hier aan Einstein's relativiteitstheorie e.d. En voorts is zij zo veelomvattend dat zij het begrip van één mens onbeschrijfelijk ver te boven gaat; er verschijnen boeken, als het ware catalogi, die van een wetenschappelijke arbeid van enkele jaren een samenvatting geven in vier of vijf regels, en een bibliotheek bestaande uit alleen deze werken zou zeker van onder tot boven de vier wanden in beslag nemen van een groot studeervertrek. Maar daar zijn toch ook vele dingen voor een ieder verstaanbaar en dan eigenlijk ook dikwijls voor velen van betekenis; wie voelt niet een zekere bevrediging als hij van medische zijde eens iets verneemt over het eigen lichaam en zijn gedrag bij gezondheid en ziekte. Schrijver dezes wil trachten naar vermogen, van de gebieden, die hij nog enigszins verkend heeft, een steentje aan te dragen. Onze God • kennen wij ook door de natuur.

I. Onze aarde is vol-van verandering maar tevens is er veel blijvends aan te wijzen. Alle beken gaan in de zee, nochtans wordt de zee niet vol. De wind gaat steeds omgaande, en dezelfde wind keert weder tot zijn omgangen. De Prediker heeft dit al in onvergelijkelijke bewoordingen mogen neerleggen, en hij heeft er de les aan mogen verbinden dat al deze dingen, op zichzelf genomen, zo moede maken. In de levensbeschrijvingen, van natuuronderzoekers komt dit soort vermoeidheid ook dikwijls voor; op rijpere leeftijd worden zij het doorgaans moede, aldoor weer nieuwe kennis te vergaren omtrent het natuurgebeuren; altijd weer nieuwe feiten te voegen bij de oude; en helaas ontbreekt bij velen de rust < Jie de Prediker voor de vermoeidheid weet aan te wijzen

Is van dit veranderende èn van dit blijvende iets te verstaan? Sommige Griekse filosofen verklaarden de verandering voor schijn; anderen meenden dat het blijvende eigenlijk er niet is en dat het dus zinloos, zou zijn daarover iets te willen zeggen. Weer anderen trachtten het werkelijke bestaan zowel als de werkelijke verandering te redden; aan onze theologen de vraag: heeft de vrijmaking hier iets over te zeggen? God is toch volgens Zijn openbaring de eeuwig-onveranderlijke èn de met ons meegaande in de tijd. Hoe dit ook zij, luisteren wij thans eerst naar de nadere toelichtingen der natuurwetenschap.

Alle beken stromen naar de zee, nochtans wordt de zee niet vol. Komt dit doordat de zee zo groot is dat zij niet merkbaar bijgevuld wordt in de korte tijden waarover wij iets weten? Welt het water uit de aarde steeds weer opnieuw, of ontstaat het steeds weer opnieuw uit de lucht en raken aarde noch lucht slechts schijnbaar nooit uitgeput doordat haar voorraden zo enorm groot zijn? M.a.w. als wij lang genoeg wachten, zou dan toch aan deze processen een eind komen?

De zaken zijn veel fijner geregeld. De zon verwarmt de zee en doet zo het water verdampen, deze damp verspreidt zich door de lucht. De wind voert de vochtige lucht mee (zeewinden zijn altijd regenwinden, bij ons èn in Palestina), door de afkoeling wordt de waterdamp weer omgezet in water, soms in ijs. Zijn er fijne waterdruppeltjes dan ziet men wolken, nevels of mist; worden de druppels groter dan vormen zij regen; ijskristallen nemen wij waar als sneeuw, soms hagel. De regen zakt in de grond, ijs smelt na korter of langer tijd en dringt dan eveneens in de grond. Het water welt weer op, vormt weer beken ziehier de kringloop. Terloops zij opgemerkt dat waar water opwelt, er een waterhoudende laag is die óf zelf sterk helt en dus als het ware bij de wel voortdurend leegloopt, maar op de hogere punten door de regen wordt gevoed; óf, en dit is het meer gewone geval, een bijna horizontale waterlaag, rustend op en afgedekt door voor water ondoordringbare lagen, is ergens, dikwijls vele mijlen ver, aangesloten op een voedende vertikale waterhoudende laag, vergelijkbaar met de watertoren van onze leidingen. Hoe hoger de verticale laag, hoe sterker de kracht van de bron als het water tenminste op zijn ondergrondse weg geen al te grote weerstanden heeft te overwinnen. De vertikale laag zelf wordt dan weer gevoed door de regen.

Terugkerende tot onze beken: er is dus een kringloop. Hetzelfde water Stroomt in de zee, wordt damp, wordt regen, dringt in de grond, komt in de beek, stroomt in de zee Verandering èn blijving, de steeds voortdurende verandering is hier bereikt met steeds hetzelfde materiaal.

Dit kringloop-beginsel is in de natuur vele malen toegepast, daar waar een voortdurende verandering is bereikt met naar verhouding weinig materiaal; zo in de planten- en dierenwereld, wij komen hierop terug. Een ander voorbeeld is de bloedsomloop in ons eigen lichaam; dat het bloed hierbij rondloopt en niet voortdurend ontstaat en vergaat is pas ongeveer driehonderd jaar geleden ontdekt. Het stroomt voortdurend van de longen naar alle delen van ons lichaam, beladen met nuttige stoffen uit de lucht; en daarna weer terug langs andere banen naar de longen, alwaar nu schadelijke stoffen in de lucht worden afgelaten. Deze kringloop wordt in beweging gehouden door het hart dat als een pomp werkt, een dubbele pomp; de linkerhelft stuwt het bloed naar de longen toe, de rechterhelft van de longen af. En waardoor wordt het hart in beweging gehouden ?

Hiermee zijn wij gekomen aan een andere vraag. Wij zagen een kringloop van het water. Het water is blijvend, is de kringloop zelf eveneens blijvend? Hebben de dichters gelijk die spreken van het eeuwig wentelende rad der natuur?

Men zij niet te haastig. Eeuwig is een zeer groot woord. De natuurwetenschap leert dat deze en alle kringlopen slechts in beweging gehouden kunnen worden ten koste van een voortdurende stuwkracht. Hier is dit de zon met haar warmte. Is deze onuitputtelijk of schijnt dit slechts zo de vragen blijken niet opgelost, maar verschoven. Sommigen schijnen nu de kwestie nogmaals te willen verleggen door aan te nemen dat ook in de zon een kringloop is: stof A wordt daar B, B wordt C, C wordt D enz., en Z wordt weer A; maar hoe dit ook zfl, ook deze kringloop kan slechts in beweging blijven onder invloed van een kracht en deze laatste neemt dan toch voortdurend

af. En men ontkomt niet aan de vragen: hoe ontstonden deze beweegkrachten, en: raken zij werkelijk eenmaal uitgeput? Ook de ongelovige natuurwetenschap heeft deze vragen niet kunnen ontwijken; zij spreekt dan niet van kracht maar van entropie en sommigen hebben aangenomen dat op de duur alle beweging, alle verandering vanzelf zou ophouden, als n.l. deze entropie verbruikt zou zijn: de entropie-dood van het heelal. Weer anderen hebben hieraan een natuurwetenschappelijk bewijs trachten te ontleenen voor een schepping, de noodzakelijke formatie van een reservoir van kracht; maar wij weten, het geloof laat zich alleen bewijzen voor de gelovende Te bewijzen is dan ook niet dat onze natuurwetten geldig zijn ook in de verste uithoeken van het heelal, en altijd geldig

geweest zijn en geldig zullen blijven

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 30 augustus 1952

De Reformatie | 8 Pagina's

Verandering en bestendigheid in de natuur (I)

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 30 augustus 1952

De Reformatie | 8 Pagina's