GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Door den heer G. Milo

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Door den heer G. Milo

7 minuten leestijd

Door den heer G. Milo te Haarlem wierd ons onderstaand schrijven toegezonden naar aanleiding van het artikel door Prof. De Savornin Lohman over de Kerkelijke Kas in ons blad geplaatst.

HAARLEM, 13 Februari 1888.

Mijnheer de redacteur !

Mag ik door middel van uw blad een paar vragen ter beantwoording voorstellen, naar aanleiding van het schrijven van Jhr. De Savornin Lohman over »de Kerkelijke Kas" in uw nummer van gisteren?

Zijn Hooggeleerde deelt daarin mede, dat in 1866 »de gemeenteleden, niet als kerk, maar als eene gewone vereeniging, het bestuur van het kerkegoed hebben opgedragen aan een bestuur. Dat bestuur handelt nu met het kerkegoed juist evenzóó, als het bestuur van eene vereeniging met de goederen dier vereeniging handelt, ofschoon de gemeente hare statuten niet door den Koning heeft doen goedkeuren 1).

Deze laatste bijzonderheid toch doet de vraag oprijzen: Kan men dan bij de regeering als eigenaar van zekere goederen bekend staan, zonder zichzelf daarvoor bij haar te hebben aangegeven (in dit geval door goedkeuring der statuten)? Als toch de overheid een persoon of vereeniging niet als eigenaar kent, of wil men erkent, dan kan zulk een persoon of vereeniging immers geen rechtsgeding daarover voeren, wijl de burgerlijke rechter zou zeggen dat er volstrekt geen eigenaar bij de burgerlijke macht bekend is en hij er dus niets aan doen kan. Ik meen toch meermalen gehoord te hebben, dat de aanvrage om rechtspersoonlijkheid juist geschiedt om zich voor den burgerlijken rechter te kunnen verweren, ingeval het eigendomsrecht op goederen mocht worden betwist. En zonder goedkeurmg der statutenis er immers geen rechtspersoonlijkheid te verkrijgen ? Er zou ook uit volgen, dat geen enkele Ned. Herv Gemeente de laatste bezat. En ook dat de burgerlijke rechter moet weten aan welke bepalingen elke Ned. Herv. Gemeente in 1866 en later het bezii harer goederen heeft vastgemaakt. Onlangs wees ik er in D-. Standaard op, dat de advocaten van de synodalen zich schier aanstellen alsof het uitgemaakt was, dat wie met de synode breekt, ook het recht op de kerkelijke goederen verliest, zonder eenig bewijs daarvoor uit de bepalingen der plaatselijke kerken op het beheer op te geven. Dit punt is, zoover ik weet. tot dusver m de pers niet besproken, wat m. i. niet ondienstig ware. Ik merk hierbij nog op, dat, zoolang men lid is van de Ned. Herv. kerk, men ook voor zijn deel recht behoudt op haar stoffelijk bezit. En vergis ik mij niet, dan staan er nog vele namen van Doleerendtn op de lidmatenboeken der Ned. Herv. kerk. die ook de vurigste Synodaal dus als lid moet erkennen.

Het tweede, wat in het schrijven van Jhr. De Savornin Lohman mijn aandacht trok, was de verklaring dat de Gereformeerde kerken door de overheid niet erkend worden i) en dus de diaconieën niet zelfstandig in rechten kunnen optreden, waarom zij een gemachtigde voor haar aanstellen. Want waarvoor dient dan de kennisgeving aan den burgemeester en Z. M. den Koning, dat men is opgetreden als Ncd. Geref. kerk te anders dan om als zoodanig erkend te worden ? Van tweeën één toch: óf de regeering beschouwde dit als titel van een nieuwe kerk en dan kon ze op haar naam ter plaatse waar het behoort, een kerkgebouw b. V. als eigendom doen boeken; óf de regeering zag daarin de bewering, dat de doleerende kerken de voortzetting zijn van de kerkengroep, die van het midden der zestiende tot het begin der vorige eeuw Gereformeerde kerken genoemd werd en sedert onder den naam van Nedertandsche Hervormde kerk bekend is geweest. In het laatste geval echter had m. i. de regeering terstond na ontvangst dier mededeehng moeten verklaren, dat zij de kerken onder dezen titel niet kon erkennen, wijl er reeds een kerk onder dien titel bestond, tenzij uitdrukkelijk verklaard werd, dat men het bestaansrecht der Ned. Herv, nevens zijn eigen kerk erkende Mag ik dus zoo vrij zijn om u opneming van dit schrijven en beantwoording dezer vragen, hetzij door u, hetzij door Jhr. De Sa vornin Lohman, te verzoeken ? U daarvoor bij voorbaat mijn dank betuigende, teeken ik mij, met achting,

uw dienstw. dienaar,

G. MiLO.

P.S. Strijdt het niet met elkander, dat plaatselijke kerken vrij beheer kunnen hebben en toch hun statuten daarvoor niet konden opzenden, wijl hm zelfstandigheid werd betwijfeld i)?

We zonden dit stuk aan Prof. De Savornin Lohman ter beantwoording, die de goedheid had, ons onderstaand bescheid toe te zenden.

Een duidelijk antwoord op deze vragen te geven is niet gemaklijk, juist omdat onze kerkelijke toestanden eigenlijk in het geheel niet geregeld zijn.

Wanneer zedelijke lichamen, waartoe ook onze locale kerken behooren, een bestuur hebben, dan treedt dat bestuur op. Toen dus onze locale kerken in 1869 de vrije beschikking kregen over de haar toekomende goederen, had: len de bestaande besturen, de kerkeraden, zich die zaak moeten aantrekken. Maar deze leefden onder eene organisatie afkomstig van Willem I, waarbij het goederenbeheer uitdrukkelijk uitgesloten was van de werkzaamheden, bij die organisatie aan de kerkelijke besturen opgedragen. Zij durfden zich, terecht, dat beheer niet aantrekken. Toen zijn eenvoudig de individueele leden opgetreden, om een bestuur voor de goederen aan te stellen. Evenwel deden dit niet allen voor wie het goed bestemd was, doch alleen zij, die in de kerk ook voor geestelijke zaken stemgerechtigd waren. Dezen handelden niet als gemeente, dus door hunne besturen, maar als individueele rechthebbenden, even alsof zij eene gewone vereeniging waren. Toch lieten zij hunne reglementen niet bekrachtigen volgens de wet op de vereenigingen, en gaven zij evenmin kennis volgens de v/et op het toezicht der kerkgenootschappen. Vandaar menige onzekerheid en verwarring. Doch daar de leden, die de reglementen vaststellen, dit doen als leden eener kerk, zoo acht de rechter het onnoodig, dat die reglementen krachtens de wet op de vereenigingen worden erkend. Het geldt toch hier niet de oprichting vaji iets nieuws, maar de regeling, van oude bestaande lichamen, v/aarvoor evenwel de noodige bepalingen, om ze met onze hedendaagsche rechtsbegrippen in overeenstemming te brengen, ontbreken.

i) Ik cursiveer.

Wat de tweede vraag aangaat merk ik op, dat de besturen van bestaande kerken de wijzigingen hunner statuten aan de Regeering moeten meededen, doch dat de Regeering harerzijds daarover niets te verklaren heeft. De mededeeling geschiedt enkel om het toezicht., niet om de erkenning. Als dus een kerkeraad meedeelt, dat hij zich losmaakt van de organisatie van 1816, blijft het onzeker of de Regeering die daad als rechtsgeldig beschouwt. Voor de kerk is dit in zekere mate onverschiUig; zij ontleent haar recht van bestaan niet aan eenige wereldlijke O verheid, en treedt dus zelfs tegenover deze op, al kan zij de Overheid niet dwingen haar te erkennen. M. i. moeten dan ook nu, evenals vroeger, de diaconieën der Ned. Geref kerken en geenszins de besturen der kerkelijke kassen, de aangiften doen, die bij art 10 der armenwet worden gevorderd en moeten de kerkeraden en Synodale vergaderingen optreden, als er iets tot de Regeering moet woiden gezegd, al loopen zij gevaar van ter deure te worden gewezen, gelijk dit ook in vroegere dagen van vervolging wel ^; eschied is. Zoolang de Overheid het recht der kerk niet erkent, klaagt zij, omdat haar onrecht geschiedt. — Dit alles geeft voor de kerk geene moeilijkheid, behalve bij het plegen van burgerrechtelijke handelingen, zooals koop, huur enz. V/ant zoolang de Overheid — n.l. de rechter — ook die handelingen niet erkent als afkomstig van de kerk, hebben die handelingen geen effect, en zou dus de kerk niets kunnen bezitten enz. Zoolang nu zij niet volkomen zeker is, dat men haar goed recht, dat ze beweert te hebben, ook erkennen zal, bezigt zij voor die handelingen de hulp van een tusschenpersoon. De beste tusschenpersoon nu is het bestuur der Kerkelijke Kas, omdat dit bestuur door haar zelve, zoo noodig, onschadelijk kan worden gemaakt.

A. F. DE S. L,

18 Februari.

Naar we hopen durven, zal de heer Milo met ons den heer Lohman danken willen, voor zijn vernieuwde poging om licht te spreiden over een ons vreemde, e: i daarom voor velen duistere verhouding, die, zoodra men er eenmaal in leeft, alle vreemds ver-'iest en klaar als de dag wordt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 februari 1888

De Heraut | 4 Pagina's

Door den heer G. Milo

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 februari 1888

De Heraut | 4 Pagina's