GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

„Een vriend van God”.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Een vriend van God”.

6 minuten leestijd

' En de Schrift is vervuld gewordeii, die daar zegt: n Abraham geloofde God, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend, en hij is een vriend van God genaamd geweest. Jacobus II : 23.

In 't hart van Azië, waar God den mensch schiep, en straks in Noach en de Aartsvaders de vollere openbaring van zijn genade gaf, ig het menschelijk gemoedsbestaan nu nog zooveel rijker dan in ons hoog verstmidelijk Europa.

Wie zou onder ons ook maar op de gedachte komen, om te voelen en hi zijn leven te toonen, dat hij een t> vriend van God< L was. Een kind Gods, o ja. Een door God begenadigde, o gewisselijk. Maar voor God. als vriend op te treden, 't ligt zoo buiten onze opvatting.

In het leven der aartsvaders daarentegen, stond dit besef, om »vriend van God« te zijn, sterk op den voorgrond.

. Men nam waar, men wist, . men doorzag, hoe er onder de kinderen der menschen een sterke strooming was, die tegen God inging, die vijandig tegenover God stond, en die op alle manier aan de eere Gods te kort deed. En nu kwam juist hierdoor in het vrome hart als van zelf de drang en de aandrift op, om die belagers van Gods eere tegen te staan, het telkens weer voor God tegen hen op te nemen, en zich èn in zijn persoonlijk léven, èn in zijn gezin, en in zaken van land en volk, als een »vriend van God« te gedragen, als iemand die steeds wö^r God en tegen zijn vijanden partij koos, ten einde zich aldus in heel zijn levensbestaan te bètoonen als iemand, die zich vóór alle dingen aansloot bij de parti du Dieu vivant, d.w.z. bij de heirscharen des levenden Gods.

Het Aziatische ^ herdersleven gaf bij het omdolen daarvan het exempel. Nu nog is het leven onder de woestijnbewoners bijna altoos in twee groepen gedeeld, en een ieder die met zijn tent optrekt, weet bij welke dier twee groepen hij als vriend hoort en gerekend wordt. Zóó gerekend, dat hij, gelijk Rom. V:7 't "betuigt, «mogelijk zelfs voor wie zijn vriend is, zal sterven«.

En zoo nu brengt de Schrift 't ook op onze verhouding tot onzen God over.

Fel gaat in de wereld nog steeds de strijd tegen God door. En daarom nemen Gods kinderen het in dien feilen strijd, met hart en ziel, voor hun God op.

God is hun vriend, en daarom is 't hun roem en eere, als een - nvriend van Godt. bekend te staan, en als vriend van God voor Hem in de bres, als 't moet, te sterven.

Nïi is het merk van een diepgaand vriendzijn, dat wat des vriends is vooropga, en dat onze eigen belangen eerst daarna komen. Daar nu een vriend van God te-zijn van zelf op 't allerdiepst gaat, ligt hierin, dat de zake Gods, de glorie onzes Gods, er in ons leven niet. zoo bij moet komen, maar heel ons bestaan van ons Jeven beheerschen moet.

Helaas, maar al te velen vatten dit niet. O, gewisselijk, ook zij komen voor de eere Gods op, maar als voor iets dat eerst in de tweede plaats aan de orde komt. God moet hun genadig zijn, Imn moet dé Zoen ten goede komen, zij moeten door Gods trouwe Vaderzorge verkwikt worden, en dan, zeer zeker, zullen ook zij voor hun God nederknielen en Hem dankend aanbidden.

Maar zie nu aan het Om; e Vader hoe feil hun zielsneiging gaat.

Hadden zij een »Onze Vader* moeten opstellen, dan zou 't geweest zijn een bidden om gezondheid, om een drogen van hun tranen, om een verzekering en verbetering van hun levenslot, om vergeving van hun zonden, en om hun eeuwige behoudenis, en dan aan 't slot zeer zeker ook-een bede erbij voor Gods eere en voor de uitbreiding van zijn Koninkrijk.

Maar zie , nu zelf, hoe heel anders het Onze Vader is, dat ons de Christus op de lippen heeft gelegd. In dat Onze Vader gaat niet 'óns lot, maar de eere Gods voorop. Drie beden volgen op elkaar, voor Gods Naam, voor Gods Koninkrijk, en voor het volbrengen van Gods wil. En eerst daarna komt er ééne bede voor ons eigen levenslot, en dat nog wel één bede voor dien éénen dag, en dan nog alleen om 't brood, dat we op dien éénen dag behoeven zullen. , , Ons dagelijksch brood geef ons heden !"

En dan komen er niet anders meer dan twee beden voor onzen geestelijken nood: Vergeef ons onze schulden, en Verlos ons van den Booze !, wat toch op niet anders (Joelt dan op de heerschappij in ons hart daar­ van onzen driemaal heiligen Vriend boven.

Als Vriend van God op te treden is iets, \vaarmee de zondaar niet beginnen kan, doch waartoe 't geloof in den Zoen van het Kruis van Christus hem toch, na de eerste doorbreking van zijn geloof, brengen moet.

In maar al te veler hart heerscht, ook J als ze dankend bij het Kruis nederknielen, helaas nog al te veel het oude egoïsme. Het blijft hun maar al te veel om hen zelf te doen. Dat hun vergeving toekome, dat hen genade verrijke en dat ze straks een eeuwig heerlijk lot tegemoet mogen gaan.

Bij maar-al te velen komt 't zelfs zoover niet, en gaat 't nog voor o zulk een groot deel nog niet eens om hun eeuwig lot, maar veeleer nog om aardsch geluk en voorspoed.

Doch neem nu aan, dat ze allengs hooger standpunt innamen, om dan toch vóór alle dingen te bidden om hun zoen en eeuwige behoudenis, ook dan toch staat nog altoos het egoïsme zoo veelszins op den voorgrond, en is het hun te doen niet in de eerste plaats, om God tot Zijn eere te doen komen, al gingen ze' zelf ook voor eeuwig verloren, doch veel meer om persoonlijk gered te worden; iets waartoe God hun'dan zijn genadige hulpe moge verleenen.

Van zelf echter is ook dit het standpunt niet, waarop Gods Woord wil dat we staan zullen.

We' moeten in den hangen strijd van de wereld tegen onzen God, in de allereerste plaats ons als „vrienden van God" tegenover die vijandige wereld gedragen. Ons eigen ik, zelfs ons eeuwig lot, mag eerst in de tweede plaats komen.

Niet eigen geluk in deze wereld en eeuwig heil eens in den hemel moeten we allereerst bedoelen, en dan onze God er met zijn glorie zoo bijkomend.

Neen, een kind van God, dat niet bleef staan, waar hij bij zijn bekeering uitkwam, maar doorging in heiliging, die gaat van zelf almeer het Onze Vader in zoo heel anderen geest dan vroeger bidden.

God zijn vriend, en daarom voor God zijn eerste drie beden, en dan slechts ééne bede voor zijn aardsch bestaan, en wel niet anders dan voor heden en voor heden voor zijn dagelijksch brood!

Dr. A. K.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 september 1916

De Heraut | 2 Pagina's

„Een vriend van God”.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 september 1916

De Heraut | 2 Pagina's