GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

UIT DE HISTORIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE HISTORIE

8 minuten leestijd

Prof. Dr H. H. Euyper over bet karakter en de bevoegdheid der meerdere vergaderingen.

IV.

Van groot belang voor het onderwerp, dat we hier bespreken is een artikelenserie van de hand van Prof. Kuyper over „De bevoegdheid der meerdere vergaderingen", afgedrukt in „De Heraut" van 9 Februari 1923 en volgende (No. 2351 enz.)

We willen daaruit een en ander mededeelen. Prof. Kuyper begint te wijzen op

de neiging tot machtsoversctareiding bij de meerdere vergaderingen

aldus: Er is in het kerkelijke leven altoos een zekere neiging bij de meerdere vergaderingen, d.w.z. bij de Classicale en Synodale vergaderingen, om hare bevoegdheid uit te breiden en zich zelf te beschouwen als een soort hoogere besturen, die over de plaatselijke Kerken zeker zeggenschap bobben uit te oefenen. Dat hierin de wortel en oorsprong ligt van alle bisschoppelijke hiërarchie behoeft wel niet gezegd te worden. Men ziet, dat het duidelijkst in de Hervormde Kerk, waar deze hoogere bestuurscolleges feitelijk een bisschoppelijke macht over de Kerk uitoefenen. Toen nog pas in de Tweede Kamer bij het debat over de

vrijmaking der Kerk beweerd was, dat de plaatselijke gemeenten volkomen vrij waren om hare synodale organisatie te veranderen, heeft Ds Lingbeek in de Gereformeerde Kerk aangetoond, dat hiervan geen sprake was. Zelfs al zouden alle plaatselijke gemeenten, door hare kerkeraden vertegenwoordigd, een wijziging der Synodale organisatie wenschen, dan zouden ze machteloos staan om dien wensch te realiseeren, omdat de beslissing niet van de Kerkeraden, maar van de hoogere besturen afhangt.

Hierna geeft Prof. Kuyper het volgende

historisch overzicht van de plaats der meerdere vergaderingen in het kerkelijk leven.

In de 16e eeuw, toen onze Kerken zich pas losgemaakt hadden van de Episcopale hiërarchie der Roomscbe Kerk, is het gevaar, dat in zulk een overheers, ching der Kerken door hoogere bestuurscolleges schuilt, (want het doet er niets toe, of zulk een macht in de handen van één persoon, den Bisschop, schuilt dan wel in de handen van meerdere personen, die saam een college vormen), dan ook helder ingezien en werden in onze Kerkenordeningen de noodige bBpalingen gemaakt, om de vrijheid der plaatselijke Kerk te handhaven en te voorkomen, dat er geeti nieuwe bestuursmacht in de Kerk ontstond. Zelfs is men aanvankelijk in dit opzicht wel eens wat heel ver gegaan en moest in de latere redacties onzer Kerkenorde de band iets nauwer worden aangetrokken. Het consulentschap, ingesteld om een vacante Kerk van raad en hulp te dienen, kwam in onze oude Kerkenordeningen niet eens voor en heeft eerst bij de revisie der Kerkenorde te Utrecht in. 1905 door wijziging van Art. 4 een wettelijke positie in onze Kerkenorde gekregen. En het instellen van Kerkvisitatoien, die door de Classis worden aangesteld, werd nog op de Synode van Middelburg 1581 afgeraden, omdat men dit onnoodig en zorgelijk achtte (p. vr. 28). Eerst de Synode van Dordt in 1619 nam Art. 43, waarin de benoeming van kerkvisitatoren en hun taak geregeld werd, in de Kerkenordening op. En wie ook maar eenigszins op de hoogte is met wat onze groote Canonicus Voetius schreef, weet, hoe hij voortdurend strijd voert tegen elke poging om in de Kerk weer een hiërarchische macht op te i-ichten en voor de vrijheid der plaatselijke Kerk opkomt, die reeds in zijn dagen gevaar begon te loopen. Wanneer men hem deswege, vooral in onze dagen, wel eens van independentisme heeft beschuldigd, dan doet men hem onrecht. De gevaren aan het Independentisme verbonden, heeft hij genoegzaam doorzien, er tegen gewaarschuwd en ook, waar dit Independentisme zich practlsch openbaarde, het bestreden. Maar Voetius wist, dat het gevaar van overheersching der Kerken door bestuurscolleges niet minder groot was en dat daarom tegen dit gevaar de Kerken het meest gewaarschuwd moesten worden. Overbodig was die waarschuwing reeds toen niet. De verdere ontwikkeling van ons kerkelijk leven in de 17e en 18e eeuv/ heeft dat wel getoond. Al bleef de Kerkenorde van 1619 onveranderd gehandhaafd, in de practijk werd al meer macht aan Classen en Synodes en hare Deputaten toegekend'-). De Synodale en Classicale Handboekjes uit 't einde der 18e eeuw toonen dat genoegzaam. En het is mede aan de innerlijke verzwakking van het echt Gereformeerde beginsel van de vrijheid der plaatselijke Kerk te wijten, dat de Koning in 1816 aan de Gereformeerde Kerken een organisatie kon opleggen, waarin de plaatselijke Kerken geheel van haar vrijheid beroofd en onder de macht der hoogere besturen geplaatst werd.

Herleving van de oude Gereformeerde beginselen kwam weer in de negentiende eeuw met zijn beide reformatorische acties: Afscheiding en Doleantie, Toen kwam dus ook vanzelf het

herstel van de zelfstandigheid der plaatselijke Kerk.

Het is eerst aan het weer opwaken van den Calvinistischen geest te danken, dat althans een deel dezer in 1816 geknechte Kerken zich los hebben geworsteld van onder deze Synodale besturen en de verloren vrijheid als plaatselijke Kerken herwonnen hebben. Want al is het volkomen juist, dat zoowel bij de Scheiding in 1834 als bij de Doleantie in 1886 de strijd in de eerste plaats ging om de handhaving van de belijdenis der Kerk, die strijd leidde vanzelf tot een breuk met de Synodale bestuurscolleges en werd dientengevolge een strijd voor de vrijheid en zelfstandigheid der plaatselijke Kerk. Bij de Scheiding in 1834 moge dit laatste niet zoo helder doorzien zijn, omdat men meer uitging van het ambt der geloovigen om zich van de valsche Kerk af te scheiden, maar in 1886 werd de rechtsbevoegdheid der plaatselijke Kerk om zich van een haar opgedrongen Synodale organisatie vrij te maken, wel degelijk het Schibbolet van den strijd, We behoeven slechts te -herinneren aan het meesterlijk pleidooi van Jhr Mr A. F. de Savornin Lohman en Dr F. L. Rutgers destijds over de rechtsbevoegdheid der plaatselijke Kerk tegenover de verdedigers der Synodale organisatie.

Dit beginsel van de zelfstandigheid der plaatselijke Kerk moest gehandhaafd worden tegenover het — kort gezegd — christelijke gereformeerde kerkrecht. Dr Kuyper Sr heeft jarenlang tegen de kerkrechtelijke opvattingen der Christelijke Gereformeerden gestreden. Op dat punt wilde hij vau geen toegeven weten. Prof, Kuyper teekent nu de strijd van

„doleerend" tegenover „ohr. geref." kerkrecht

aldus:

Ontkomen aan het juk der Synodale overheersching en wederkeerende naar de aloude Kerkenorde en Kerkinrichting onzer Gereformeerde vaderen, was er

dan ook een zeer sterke drang om tot de laatste korrel toe den zuurdeesem van deze'hoogere besturen uit ons kerkelijk leven uit te zuiveren en de vrijheid en zelfstandigheid der plaatselijke Kerk te handhaven. Het groote struikelblok voor de vereeniging met de Christelijk(e) Gereformeerde Kerk, hoe hartelijk die vereeniging ook begeerd werd, lag juist daarin, dat deze Kerk in 1869 een reglement had aangenomen, waarin wel de Dordsche Kerkenorde werd gehandhaafd, maar tegelijk de plaatselijke Kerken in een Kerkgenootschap werden opgesmolten en een Synodale Commissie werd ingevoerd, die met veel te groote macht was bekleed. Als conditio sine qua non, als voorwaarde, waarvan niet kon of mocht afgeweken worden, werd daarom als eisch voor de vereeniging gesteld, dat dit reglement zou worden ingetrokken en de Christelijke Gereformeerde Kerk zich niet als Kerkgenootschap, maar als bond van plaatselijke Kerken bij de Overheid zou aandienen en van een algemeen bestuurscollege geen sprake meer zou wezen. Eerst toen aan dien eisch voldaan was, was het groote struikelblok voor de vereeniging van beide Kerkengroepen weggenomen. Trouwens in de Christelijke Gereformeerde Kerk zelf waren de oogen reeds open- . gegaan voor het verkeerde, dat in dit reglement school en was men daarom bereid dit offer te brengen.

Na de vereeniging van 1892 komt de

streüige doorvoering van het beginsel van de zelfstandigheid der plaatselijke Kerk.

Maar ook waar men, na de wegneming van dit reglement, nu als Gereformeerde Kerken saam ging leven, bleek toch, hoe noodzakelijk het was, dat het beginsel van de zelfstandigheid der plaatselijke Kerk beter werd doorgevoerd en strenger werd gehandhaafd, dan dit aanvankelijk wel geschied was. We behoeven slechts te herinneren aan wat op de Middelburgsche Synode besloten is in zake de zending en de verzorging der emeriti-predikanten, weduwen en weezen. Beide waren feitelijk in handen van Generale Deputaten door de Synode benoemd. Wat de Zending betreft was het toen vooral Dr A. Kuyper, die er op wees, hoe de Zending van de plaatselijke Kerk behoorde uit te gaan, en dit beginsel de overhand deed behalen. En wat de verzorging onzer emeriti-predikanten, weduwen en weezen aangaat, was het Prof. Rutgers, die den rechtsplicht, welke volgens Art. 13 onzer Kerkenorde op de plaatselijke Kerk rustte, tot uitgangspunt van een nieuwe regeling maakte. Zoo werd tegenover de poging om de actie van het kerkelijke leven te centraliseeren in de meerdere vergaderingen en hare deputaten, het beginsel van ons Gereformeerde Kerkrecht gehandhaafd, dat alle kerkelijke actie van de plaatselijke Kerk behoort uit te f.'aan en de vrijheid en zelfstandigheid der plaatselijke Kerk de hoeksteen moet zijn van ons kerkelijk leven.


1) Dr A, Kuyper Sr schreef b.v. van den bekenden Joh. a Marck, dat hij „reeds tamelijk hiërarchische beginselen was toegedaan, en de Synode „de Hoogste Kerkvergadering".noemt", „De Heraut", 3 Maart 1889, No. 584. — C. v.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 oktober 1938

De Reformatie | 8 Pagina's

UIT DE HISTORIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 oktober 1938

De Reformatie | 8 Pagina's