GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

PERSSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

PERSSCHOUW

13 minuten leestijd

Geschiedenis of Geschiedenissen? Lijn of Lijntjes?

In het voetspoor van Dr Kuyper Sr wandelende, heeft „De Reformatie" er steeds sterken nadruk- op gelegd, dat we in de Heilige Schrift met één ondeelbare, ononderbroken Heilshistorie te doen hebben. Een preek over een „historisch" onderwerp is dan alleen goed, wanneer het behandelde brok historie gezien wordt in verband met het geheel.

Of, om het in Kuyper's eigen woorden te zeggen: Een voorval uit het leven der patriarchen, een stuk it Davids worstelingen, een greep uit wat de profeten ods doorleefden, moet aan de gemeente niet een op ich zelf staand tafereel leveren, waaraan men zekere practische opmerkingen toevoegt, dan toch is er ook it de gewone, en uit de vaderlandsche geschiedenis allerlei stof te nemen van personen, omtrent wie we veel meer bijzonderheden weten, en aan wier bedrijf en woord zich dezelfde zedelijke opmerkingen evengoed laten vastknoopen.

Neen, al deze feiten en gebeurtenissen moeten in de eilige geschiedenis genomen als deelen van één groot geheel, als brokstukken uit het groote werk der Openbaring Gods, en als van alle geschiedenis uitgezonderd door wat God in en door deze mannen werkte voor de toekomst Zijner Kerk en voor de openbaring van zijn genadewerk, tot verheerlijking van Zijn Naam". Vanuit dit gezichtspunt geeft Ds A. Dondorp van Heemstede een interessante vergelijking tusschen twee boeken, die onlangs verschenen zijn, n.l. de Verbondsgeschiedenis van Dr S. G. de Graaf en de Geschiedenis der Godsopenbaring van Dr J. H. Bavinck. Ds Dondorp schreef over deze boeken in „De Zondagsschool". We nemen uit zijn bespreking alleen de bedoelde vergelijking over. Eerst over het boek van Ds. de Graaf:

De geheel eigene opzet is zeer strak doorgevoerd. Het is metterdaad „verbondsgeschiedenis". Maar als één ding duidelijk wordt, is het wel dit, dat die verbondsgeschiedenis van begin tot eind de geschiedenis van Jezus Christus is. Die lijn wordt getrokken. Met stevige hand. Veel zijwegen en details worden verwaarloosd. Weinig vindt ge over de omstandigheden rondom een geschiedenis, evenmin vindt ge veel over de psychologie der hoofdpersonen. Ge vindt geen enkel geschiedenisje. Uitsluitend de ééne groote geschiedenis van Gods verbondenheid aan Zijn geschapen wereld en aan Zijn gegeven woord.

En dan over het boek van Dr Bavinck:

Hier is nl. groote aandacht gewijd aan de duizenden bijkomstigheden, die de bijbelsche geschiedenis omringen. Hoewel de titel het zou doen vermoeden, vinden we geen groote hoofdlijn, doch een massa lijntjes. Ik heb bewondering voor den arbeid, die hier achter zit, en geloof, dat dit boek uitnemend geschikt is voor de bijbelstudie. De prospectus beloofde een sterk psychologischen inslag en de verwerking van de nieuwe historische en exegetische vondsten.

Daarmee was niets te veel gezegd. En dat maakt, met de mooie platen, ook zeker de aantrekkelijkheid van dit boek uit. Doch dat is tevens ook mijn bezwaar er tegen. Als handboek voor den Zondagsschool-onderwijzer heeft het in de afzonderlijke geschiedenissen te weinig Evangelie.

Het is zeer interessant b.v. uitvoerig te lezen over de opmerkzaamheid, het verlangen, de volharding, het geloof en de nederigheid, als de vijf gidsen, die de wijzen uit het Oosten op hun weg naar Jezus leiden.

„God sprak tot hen in de teekenen van den hemel; God sprak tot hen in het zoeken van hun eigen hart; God sprak tot hen in de woorden van Zijn profeet. En toen God zoo duidelijk sprak, toen hebben ze Gods stem gehoorzaamd en zijn Gods weg gegaan, in geloof en volharding. Dat is het geheim van den weg naar Jezus."

Dat is interessant en mooi. Maar hier is Christus te weinig onderwerp van het verhaal. En daardoor komen de wijzen uit het Oosten ook niet te staan op dat punt van de openbaringsgeschiedenis van God in Jezus Christus, waar zij feitelijk hooren.

Ik kan alleen nog maar het N.T. overzien. Maar, zooals uit het voorbeeld van de wijzen uit het Oosten even bleek: de naam Openbaringsgeschiedenis klopt niet met den inhoud. Het is een gewone bijbelsche geschiedenis, en dan het woord „bijbelsch" en het woord- „geschiedenis" niet te diep, niet te theologisch opgevat

Van de nieuwe theologische strooming, die we volgens het prospectus van den uitgever zouden vinden, is dan ook niet veel te merken.

Verheugende eenstemmigheid.

Verleden week namen we met hartelijke instemming een waarschuwing van Prot Dijk over. Een waarschuwing om niet „achter de schermen te werken".

Tot onze groote vreugde valt ook „Credo" Prof. Dijk bij. Het blad doet dit onder het kopje „Konkelen" aldus:

Nu ik toch met „De Bazuin" bezig ben, wijs ik er op, dat Prof. Dr Dijk daarin een zaak aanroert, welke reeds vroeger in deze rubriek ter sprake is gebracht.

Hij gebruikt het woord „konkelen" niet, maar vervangt het door „geheimenissen" en werken „achter de schermen".

„Dat men het ter harte neme", schrijft „Credo" onder de professorale waarschuwing.

De groote eenstemmigheid in dit „stuk des-konkelens" is verblijdend. Als allen werkelijk waarschuwen, dan zullen allen dat gehate monster, èls het zich mocht vertoonen, ook spoedig van kant maken.

Tot mijn groote vreugde kan ik tevens verklaren, dat ik in onze kerken nog geen konkelpogingen heb kunnen ontdekken.

Wèl worden soms de zotste geruchten hier en daar verbreid. Maar dwaas is hij, die ze zonder bewijs gelooft Wèl schrijven sommigen aan anderen allerlei dwaasheid over derden. Natuurlijk zonder dat die derden er het flauwste vermoeden van hebben.

Als ieder, die geruchten hoort omtrent medebroeders, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk, zich eens rechtstreeks tot die medebroeders wendde — zou dat niet het allerbeste middel zijn om allerlei praatjes te vernietigen, de sfeer te zuiveren en het gebod der liefde te vervullen? 'k Vermoed, dat èn , J)e Bazuin" én „Credo" het in dezen ook met „De Reformatie" hartelijk eens zijn.

VerfU< Kiofeerde Eeistwerkelijkheid.

In het „Algemeen-Handelsblad" van Zondag 25 December schrijft Mr Roel Houwink een „Kerstmeditatie". Men leze:

„En de Engel zeide tot hen: Vreest niet, want zie, ik verkondig u groote blijdschap, die al den volke wezen zal, namelijk, dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus de Heere, in de stad Davids." (Lucas 2 : 10—11.)

Heden, vandaag, nü —- want een boodschap der eeuwigheid is aan geen tijd gebonden — is ons de Zaligmaker geboren. Beseffen wij dat wel, wanneer wij over deze dingen misschien een oogenblik nadenken te midden van een feestvreugde, die in den regel minder dan niets te maken heeft met de eigenlijke reden tot het feest?

En verstaan wij wel, dat deze boodschap óns aangaat; ons alleen èn... ons allemaal? Dat er niemand uitgesloten is van deze boodschap en dat zij tegelijkertijd tot u en mij persoonlijk, en tot niemand anders, is gericht?

Deze boodschap is niet minder voor u bestemd, die. dit leest dan voor mij, die dit schrijft. Zij is niet minder bestemd voor degenen, die wij liefhebben dan voor hen, die wij haten. (Geef u er eens even rekenschap van wien gij lief hebt en wien gij haat en lees eerst dan verder!). Zij is bestemd voor menschen van verschillende huidkleur en lichaamsbouw, voor menschen met kromme en rechte neuzen, voor zieken en gezonden, rijken en armen, voor onze Koningin en voor den geringste harer onderdanen, voor boer en stedeling, voor dominé en pastoor. En zij gaat den atheïst evenzeer aan als het vrome Begijntje.

De groote blijdschap, waarvan deze boodschap spreekt, geldt „al den volke". Zij maakt geen onderscheid, zooals wij doen, tusschen de goeden en de kwaden, de bokken en de schapen, de blanken en de negers, de heeren en de knechten, de dames en de dienstboden. Zij richt zich tot een ieder, die ooren heeft om te hooren. „En die het hoort, zegge: kom. En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet."

Voorwaarden zijn er niet verbonden aan het vernemen van deze boodschap. Gij behoeft het rooken er niet voor te laten, al zal het verstandig zijn, als gij wat minder rookt. En gij moogt gerust uw lippenstift blijven gebruiken, ofschoon ik, eerlijk gezegd, uw oranje-roode lippen afschuwelijk vind. Gij behoeft voor deze boodschap niet gereformeerd te zijn noch vrijzinnig en het doet er niet toe of gij voor of tegen de Reorganisatie zijt. Gij moogt stemmen op wien ge maar wilt, gij moogt N.S.B.'er zijn of communist. Het eenig werkelijk noodige is, dat gij ooren hebt om te hooren. Iets anders hebt gij niet noodig, ofschoon er tal van dingen zijn, die ook hier u gemak en last kunnen bezorgen.

Maar tenslotte kunt gij bij het luisteren naar deze boodschap net zooveel last als gemak hebben, respectievelijk van uw gerefoi-meerdheid of uw vrijzinnigheid. Dat is in laatste instantie een kwestie van persoonlijken aard. Evenzeer als het uitsluitend een kwestie tusschen God en u is, of uw ooren voor Gods blijmare geopend zullen zijn of toegestopt, hetzij met het taaie leem van onzen hoogmoed, de weeke was van ons egoïsme of het keihard cement van onze zelfverzekerdheid.

Men kan zich alleen maar verbazen over het feit, hoe in zoo'n klein aantal zinnen letterlijk alle schriftuurlijke waarheden omtrent de historie, de vleeschwording des Woords, de ernst van Gods Wet, de verhouding van natuur en genade enz. worden verknoeid en verwrongen.

Het stuk geeft een diep relief aan de ernstige, dringend noodzakelijke artikelen, die Rudolf van Reest schreef in ons blad.

„Teksten — krijgen".

In „Het Zoeklicht' vonden we de volgende correspondentie:

J. te D; heeft in. „Het Zoeklicht" ran 10 DecemibeT de noodlkreet gelezen van X. IJ., die vreesde de zionde tegen den Heiligen Geest te hebben bedreven, omdat er zooveel lasterlijke gedachten in hem op kwamen tegen den drieëenigen God. J. meent X. te kunnen helpen door hem t© vertellen, hoe het hem zelf gegaan is.

„Ik heb — zoo sdtirijft hiji o.ani. — zelf jaren im di« vreeselijike verzoeking geaeten. Het wordt in Janiuiari a, s. aoht jaar, dat Ik eir in geraakte. Het was op een morgen of de Sataa zoo in miim hart viel met die groote verzoeking om tegen Gods Dsrieëenheid op te staan en ik kreeg het zoo benauwd er mee, dat ik het telkens voor den Heere bracht. Het was soms, als ik 's nachts sliep, of ik wakker gesohud werd, en dan 'kreeg ik het een ipa.aT mimuten zoo benauwd, dat ik nat werd vaji het transpireeren. En in die benauwdheid riep ik tot Hem, Die ona© Verlosser ia. Op een keer had ik het weer soo benauwd door die aanvechtingen van. Satam. Het was toen middem op den dag. Ik stak maiijn handen onuhoog in mijn benauwdheid en vroeg o-m hulpi biji dien Heere. En toen kreeg ik in mijn hart „Mijim genade is u gen o e g", tot wel driemaal toe. Het heeft echter wei vier of vijf jaar geduurd, voordat ik het ten voUe durfde zeggen en igelooven, , dat Zijn gem'ade mij genoeg was."

Hier zien we weer het uiterst gevaarlijke van het steunen op „invallende teksten".

Wie even nagaat hoe Paulus deze woorden bezigt (2 Cor. 12:9) bemerkt aanstonds, dat we met die woorden in een totaal andere situatie zijn! Paulus was volkomen zeker van Gods genade be-

wezen ook aan hem. Toch had hij geducht „last" van den Satan. Maar dat had de Heere Zelf zoo geschikt. Hem was „gegeven" een engel des Satans, die hem met vuisten sloeg en aldoor blééf slaan.

En toen bad Paulus of die engel mocht weggaan. Driemaal vroeg hij het. En het antwoord? Die satansengel mag niet weg, Paulus! Die moet bij u blijven, u blijven slaan. Dat is noodig. Verlichting van de satanische verzoekingen zal er niet komen. Door dien Satansengel moet bij u, apostel van Jezus Christus, het „vleesch" worden ten onder gehouden. Moet gij een geschikt instrument worden en blijven in den dienst van uw Zender. De genade, die gij ontvingt, die ge nu „hebt", moet u genoeg zijn.

Calvijn zegt het zoo mooi: God beveelt Paulus met zijn genade tevreden te zijn en ondertusschen den geesel niet te weigeren.

Men zal nu aanstonds zien, dat verzoekingen als Paulus te verduren had, totaal iets anders zijn dan wat bovengenoemde briefschrijver ondervond.

Maar dan „past" dat antwoord van God aan Paulus ook niet op dit geval!

C. V.

Polemiek.

Ook in R.-K. kring — aldus schrijft één van onze lezers — zijn „polemiek-debatten" gaande. In het zoo juist verschenen boek van Henri Bruning: „Verworpen Christendom" trof hem een hoofdstuk, waarin dingen staan, die zeer dicht naderen tot wat „De Reformatie" hierover menigmaal schreef.

Teneinde ons aller aandacht op dit hoofdstuk te vestigen, liet deze lezer één der paragrafen er uit ons toekomen. Hier volgt het stuk:

Misschien vindt ook gij het nu rfeeds een ietsje vreemder dat het recht van polemiseeren nog verdedigd moest worden. Maar gewis, dit is werkelijk nog niet hét vreemdst. Hét vreemdst (of misschien het sinisterst) is dit: dat het de hooggeleerde heeren zijn, de hooggeleerde heeren der leidende (leidende!) cultureele kringen, die het nut en het recht der polemiek betwisten. Want voor hen ligt het recht en het nut der polemiek ook nog te grabbel als een doorloopend historisch feit, ja, als een der meest opvallende ver- Bohijnselen der gansche kerkgeschiedenis, vanaf de Handelingen der Apostelen tot nu ja, tot voor kort.

Zegt het (over hun persoon) reeds iets dat men voor het hooggeleerde gezelschap onzer leidende (leidende!) cultureele kringen de polemiek nog ala recht en plicht moet verdedigen, het zegt nog iets zonderlings, dat men, voor hen, met de historie in de hand moet gaan aantoonen wat reeds bij de oppervlakkigste kennismaking met de kerkgeschiedenis opvalt, n.l. dat de Kerk een en al rede-twist is geweest, een redetwist waarin niet alleen de besten partij-kozen, maar scherp, agressief, en ongehoord fulminant somtijds, partij waren.

Wat zegt dit, waar men toch moeilijk kan aannemen dat men zelfs dit (alweer: „zelfs dit") verschijneel niet heeft gezien? Dit: dat men ook dit (zelfs dit) •wenscht te negeeren?

En waarom wenscht men dit (zelfs dit) te negeeren? Omdat men „een open oog" heeft voor de „enorme gevaren" die er, naast „mogelijke voordeelen", aan de polemiek vastzitten? Kom kom. Ziet het gediplomeerde oog dan niet de enorme gevaren zónder voordeelen van het zwijgen? Neen, men wenscht deze eenvoudige ihistorische feiten te negeeren, omdat men niet herinnerd wenscht te worden aan de onaangename consequenties aan het bezit der waarheid verbonden.

Het intellectueel „defaitisme" onzer „leidende" cultureele kringen is allereerst een vorm van liefdeloosheid. Het is vervolgens een vorm van geestelijke en 'intellectueele luiheid. Men wenscht rust, op alle fronten rust. Men wenscht met rust te laten en met rust gelaten te worden. En zoo wenscht men dan ook, coüte que coüte, elke gespannen boog te ontspannen. Men tolereert een contra als „jeugd"; als „jeugd" ontvangt het zelfs een welwilend, zeer welwillend schouderklopje; „wilde haren" bewijzen dat er nog „leven" is, en wat jeugd is, luwt immers wel, dat verstoort geen rust, integendeel. Het verzet dat zich handhaaft en ernst blijkt, dwingt tot verweer, maar juist dit verweer kon wel eens het overtuigendst demonstreeren, dat het leven reeds lang geweken is. Het is l'eslist niet zonder reden als men iets, dat zoo onafwijsbaar noodzaak blijkt als de polemiek, verdacht wonschl te maken, als men iets dat zoo duidelijk plicht is, uit de buurt wenscht te houden, als men een ernstig contra Enfin, de luiheid is zelden actiever, alleen niét in het WEERLEGGEN van een contra.

Tot zoover het citaat. Het is blz. 45 e.v. uit „Verworpen Christendom", van Henri Bruning (Hoofdstuk: „Bloei of slop? "). Onnoodig te verzekeren, dat niemand hier aan bepaalde personen of toestanden in onzen kring behoeft te denken. De auteur heeft het over de zaak. En daarover zegt hij behartigenswaardige dingen. Precies, als jaren geleden, een artikel „Polemiek" uit „De Groene Amsterdammer".

K. S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 januari 1939

De Reformatie | 8 Pagina's

PERSSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 januari 1939

De Reformatie | 8 Pagina's