GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

PERSSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

PERSSCHOUW

10 minuten leestijd

Een antwoord van ds •. Zwier.

Dankbaar, dat de kwestie der „algemeens genade" in „De (amerikaansche) Wachter" de aandacht blijft houden, vermeld ik, onder verwijzing naar de rubriek „Kerkelijk Leven", dat ds D. Zwier in dit blad op een door mij gestelde vraag antwoord heett gegeven. Ik laat het volgen („Wachter", 12 Sept. '39):

Volgens mijn stellige overtuiging behoort „de gunstige ge'zind'held Gods jegens de mlaasohheid in het algemeen" wel terdege tot den inhoud van iet eerste punt.

Diat was reeds op do Synode van 1924 mijn opvatting van ide zaak. Dr Böhilder herinnert mij daaraan in zijn artikel. Mijn protest ging inderdaad niet tegen den inhoud der synodale uitspraken, waarmede ik het volkomen eens was, maar tegen den haastigten spoed in het doen van die uitspraken, die, zooals ik meende te voorzien, op scheuring zou uitloopen. Ik koesterde de 'hoop, dat de benoeming van een commissie tot bestudeering van het leergeschil die scheuring misschien zoude kunnen voorkomen. Maar het heeft niet zoo mogen zijn.

•Ik stem toe, dat Ds Schilder naar de letter van het synodaal besluit in zake het eerste punt gelijk beeft: De gunstlige gezindheid Gods jegens de mensohheid in bet algemöen' is niet letterlijk door do Synode beleden. De professor heeft genoeg letters gelezen, om Nederlandsche zinnen te kunnen ontleden.

Maar heel de omgeving, de „lijst", de geest van het synodaal besluit getuigt, dunkt mij, tegen deze opvatting. Ze is, zooals ik vroeger reeds schreef, een min of meer geforceerde verklaring, die we van achteren aan het synodaal besluit zouden moeten opdringen.

Bovendien, ik kan me niet berinneren, dat ook maar iemand ter Synode op het verschil tusschen „de gunstige gezindheid Gods jegens de mensohheid

in het algemeen" len „een zekere gunst of genade Gods, die Hij betoont aan Zijn schepselen in bet algemeen" de aandaöht heeft gevestigd. Het verschil tusschen gezind beid en 'houding stond blijkbaar niemand voor den geest. En als ihet iemand voor den geest beeft gestaan, dan kwam bet tocb blijkbaar niet in hem «p, dat er in God een gezin d'heid van haat en toorn, maar een houding van gunst len, genade jegens de mensohheid in het algemeen zou ziin. In elk geval, ik héb daar beel niet aan gedacht.

Maar natuurlijk, wat ik in 'deze rubriek schrijf beeft geen officieel gezag.

Dr Söbilder vraagt van mij een verklaring, die naar mijn stelüge overtuiging door bem gebruikt mag worden als de authentieke meening der Gibr. Rel Church. Ik kan hem wel zeggen wat mijn overtuiging is, maar voor onze kerk in 1 baar geheel kan ik niet spreken. Alleen de Synode van 1924 zou beibben kunnen zeggen, boe zij' het eerste punt bedoeld heeft. Zelfs een nieuwe Synode, zeg de Synode van 1940, zou dat niet kunnen, doen. Zij ziou alleen kunnen zeggen, boe zij de zaaJk opivat.

Toch meen ik nog wel iets meer te kunnen zeggen. Ik meen goeden grond te bebben voor mijn vermoe- Üen, dat volgiens den gedaobtengang der Synode de woorden „een zeker e" juist zoowel bij' „gunstige gezindheid" als bij „-gunst of genade" behooren.

En dat maakt, zooals Dr Schilder zelf zegt, veel versohil.

In het nr van 19 Sept. '39, (dat hier aankwam vóór dat van 12 Sept., o Hitler!), merkt ds Zwier nog op:

Volgens mijn overtuiging dan behoort „de gunstige gezindheid Gods jegens de menschbeid in bet alg'emeen" zeer zeker tot den inhoud van het eerste punt. De Synode van 1924 'heeft, mijns inziens, wel terdege bedoeld iets omtrent 'die gunstige gezindheid uit te sprekleüi.

Let wel: iets omtrent die gunstige gezindheiduitte spreken. De bedoeling der Synode was niet te verklarlen: 'God is de menschbeid in bet algemeen gunstig gezind. 'Ook bedoelde ze niet te zeggen: Wij belijden DE gunstige gezindheid Gods jegens de mensöhhei'd in het algemeen.

Maar wel beeft ze iets uitgesproken omtrent die 'gunstige gezindheid.

'En wat is dat iets? Dat die gunstige gezindheid Gods hierin blijkt, dat Hij oen zekere gunst of genade betoont aan Zijn schepselen in het algemeen.

Zooals ik 'het aan het slot van mijn vorige artikel uitdrukte: Dat onbepaalde „een zekere" behoort volgens den gedachtengang der Synode juist zoowel bij „gunstige gezindheid" als bij „gunst of genade".

Het is niet DE gunstige gezindheid Gods, maar EEN ZE'KERE gunstige gezindheid Gods, die in dat eerste punt door de Synode werd beleden.

Zij be'doelde niet te onderscheiden tusschen gezindheid en 'houding, tussoHen gunst als een eigenschap Gods en gunst als een gave Gods. Zij ging er eenvoudig van uit, dat als God in bet schenken van goede gaven aan de menschbeid in het algemeen EEN ZEKERE gunst of genade betoont, daarin EEN ZEKERE gunstige gezindheid 'G'ods tot openbaring komt.

MissobilsD dat Dr Schilder deze opvatting onzer Synode als een naïveteit zal willen bestrijden, en daartoe laten we hem natuurlijk bet volste recht. Maar tot tijd en wijle hij ons 'van het tegendeel overtuigt, komt deze opvatting mij nog niet zoo onnoozel voor.

Even verder:

Ik kan natuurlijk niet voor de Synode van Kalamazoo spreken, maar ben stellig overtuigd, dat niemand ter Synode tegen de invoeging van lankele' woorden tot verduidelijking van het eerste punt bezwaar gehad zou bebben.

Büvoorbeeld op deze wü'ze (de woorden, die ik er invoeg, laat ik met hoofdletters drukken):

„Aangaande bet eerste punt, rakende de gunstige gezindheid Gods jegens de mensohheid in het algemeen, en niet alleen jegens de uitverkorenen, spreekt de Synode uit, dat volgens Scbrift en Confessie bet vaststaat, dat er, behalve ^de zaligmakende genade Gods be^vezen alleen aan de uitverkorterien ten eeuwigen leven, ook een zekere GUNSTIGE GEZINDHEID', GOEDHEID, gunst •of genade Gods is, die Hij betoont aan Zijn schepselen in het algemeen."

Zie, dan was het ieder onmiddellijk duidelijk geweest, dat de Synode geenszins de gunstige gezindheid Gods jegens de mcDiSchheid in het algemeen iverward heeft met, of gelijkgesteld heeft aan, de gunstige gezindheid jegens de uitverkorenen ten eeuwigen leven.

De bedoeling der Synode, daar ben ik wel zeker van, was niet DE gunstige gezindheid Gods, maar EEN ZEKERE gunstige gezindheid Gods jegens de meESchheJd in het algemeen te belijden.

En zooals Dr Schilder zelf terecht opmerkt, dat maakt geen klein versohil.

„De" is bepaald, „een zekere" is onbepaald. In die laatste uitdrukking laat men al doorschemeren, om des professors eigen woorden te gebruiken, „dat men er niet zoo goed raad mee weet, dat men 'geiaEi begripsmatige helderheid nastreeft, of anders geen onvermengde' grootheid als zoodanig op bet oog lieeft of aanduiden wil."

Met andere woorden, ik heb dat vroeger ook al eens gezegd, onze Synode leefde geenszins in de veronderstelling', dat ze niet baar uitspraak ook maaiiets van het pro-bleem der gemeene gratie zou hebben oipgelost.

Het probleem namelijk, boe God tijdelijk bewijzen van Ó3V, zeikere gimst of genade kan söbenken aa zulken, die naar Zijn eeuwigen raad nimmer in de zaligmakende genade zullen deelen.

Hef probleem, zooals ^at een paar jaren geleden door Dr .Greijdanus zoo scherp werd gesteld in zijn lezing: „Vragen in Verband met de Quaestie der Algemeene Genade".

In 't kort, bet probleem van den rechtsgrond der gemeene gratie.

Aan de eene zoowel als aan de andere zijde zijn er, die in zake dit punt op een dwaalspoor geraakt zijn.

Nog wat verder op:

In antwoord op Dr Scbilder's vraag zou ik voorts baast durven beweren, dat de boven gegeven verklaring van het eerste punt de authentieke meening onzer kerk is.

Mijn grond voor de'ze bewering zal ik nog moeten blootleggen.

Zie, imlen zou anders terecht kunnen zeggen: Dat beweert Ds Zwier nu wel, dat hij de bedoeling der Synode van 1934 weergeeft. Maar welken waaiborg hebben we, dat zijn opvatting van het eerste punt de juiste is, en dat we dus werkelijk daarin niet meer bebben te zien fdan een uitspraak betreffende EEN ZEKERE gunstige gezindheid Gods jegens de mensohheid in bet algemöem?

Die vraag is alleszins gewettigd. Want al was ik ook scriba van die Synode, dat geeft mü geen reobt oip eigen boutje de bedoeling der Synode te verduidelijken.

Welnu, ik meen goeden grond te hebben voor de verklaring boven gegeven. Ik geloof, 'dat ik de authentieke möendng der Synode van 1924 wel zeer dicht kan benaderen.

Ik kan mij voor mijn verklaring beroepen op de Synode van 1926.

Deze Synode kwam samen, toen de kwesties, waarover in onze kerken versohil gerezen was, ons allen nog zeer levendig voor den geest stondisU'. Er werd van 1924 tot 1926 lang en hevig over gedebatteerd. Beter dan eenige later gehouden Synode kon dus de Synode van 1926 zeggen, ihoe wy de besluiten !van 1924 in zake de leergeschillen bebben te verstaan.

Deze Synode nu zag zich voor onderscheidene bezwaarschriften tegen de drie punten geplaatst, waarop zij antwoord had te geven. Het lag op haar weg, de bedoeling dier punten te verduidelijken, en dat heeft zij ook gedaan.

In antwoord op een bezwaar door één van onze . kerkeraden tegen het eerste punt ingebracht, lezen we op bl. 116 van de Acta 1926 deze verklaring:

„De kerkeraad lette er toch wel op, dat de Synode opkwam tegen de valsche voorstelling, dat alle genade Gods in den absoluten zin des woords beperkt is tot de uitverkorenen alleen. De Synode nu toonde aan, dat er, behalve de zaligmakende genade, die voor de uitverkorenen alleen is, ook EEN ZEKERE GE­ NADE, GOEDHEID OF GUNSTIGE GEZINDHEID GODS tot openbaring komt jegens een kring van menschen, die breeder is dan de groep van de uitverkorenen, en dat dit onder meer ook duidelijk blijkt uit het feit, dat God welmeenend roept elk een, tot wien. de liefelijke uitnoodiging des Evangelies komt."

De woorden, waar het hier op aankomt, laat ik met hoofdletters drukken.

Hiermede is tevens het opschrift boven deze artikelenreeks verklaard. Ik ontleende dat letterlijk aan wat de Synode van 1926 gezegd heeft.

Het is nu wel- duidelijk, nietwaar, dat volgens de verklaring dezer Synode in het eerste punt niet meer dan EEN ZEKERE gunstige gezindheid Gods jegens de menschbeid in het algemeen wordt beleden. Meer mag men er niet inleggen.

Ook blijkt hieruit reeds wat ik hoven schreef, dat in het eerste punt geen onderscheid wordt gemaakt tusschen gezindheid Gods en houding Gods, tusschen genade als eigenschap Gods en genade als gave Gods. Maar dit blijkt nog duidelijker uit wat de Synode op bl. 130 van de Acta in antwoord op een ander bezwaar zegt:

„Het verschil tusschen de Synode en de leeraren Danhof en Hoeksema was dus ook niet..., als zoude de Synode de bewuste genade als gezindheid Gods opvatten en de broeders Danhof en Hoeksema deze genade zouden beschouwen als genoten door den zondaar. Het verschil tusschen de betrokken partijen was juist of er zulk een algemeene goedheid of genade ('t zij dan als gezindheid in God, of als genoten doorden zondaar) bestaat, ja of neen."

Hiermede meen ik genoegzamen grond te hebben aangevoerd voor mijn verklaring boven gegeven.

Zelfs toen de Synode (van 1926) geplaatst werd voor het onderscheid tusschen genade als een gezindheid in God en genade als een gave door den zondaar genoten (een onderscheid, dat natuurlijk overigens volkomen juist is), heeft ze verklaard, dat dit punt niet in geding was.

Zij ging er eenvoudig van uit, zooals ik boven reeds zei, dat, als het waar is, dat God in het schenken van een gave EEN ZEKERE gunst of genade betoont, het ook waar moet zijn, dat daarin EEN ZEKERE gunstige gezindheid tot openbaring komt.

Ik dank ds Zwier voor zijn breede beantwoording der gestelde vraag.

Een volgenden keer (zie Kerkelijk Leven), hoop ik op een en ander nader in te gaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 oktober 1939

De Reformatie | 8 Pagina's

PERSSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 oktober 1939

De Reformatie | 8 Pagina's