GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

KERKELIJKLEVEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKLEVEN

21 minuten leestijd

„OP DE GRENS VAN TWEE WERELDEN". (!.)

Onder dezen titel heeft dr H. Colijn onlangs een brochure gepubliceerd. Zien wij het wel, dan heeft dr Colijn in den zwaren tijd, dien wij doorleven, met deze brochure leiding willen geven aan ons onder harde klappen beduusd gev/orden volk.

Reeds als zoodanig moet ze ons welkom zijn. Het doet goed, een vaste en loyale hand te voelen; er zijn handen genoeg, die aan het gewonde lichaam van ons volksbestaan rukken en sjorren, om uit de verwarring winst te halen voor hun speciale bevireging of partij.

Ook om een andere reden verdient dr Colijn's stem gehoord te worden. In hoofdtrekken baseert dr Colijn zich op de feiten, maar dan met behoud van wat staatsrechtelijk bindt, en leiding geven moet.

Zoowel die nuchtere werkelijkheidszin, als die band aan het geldende staatsrecht, ontbreekt in deze onrustige dagen maar al te vaak.

Wat het eerste betreft, — wat wordt er al niet gesold met den nederlandschen „werkelijkheidszin"! Men moet, zoo hooren we van allerlei kant ons toevoegen, de feiten onder het oog zien. De feiten! En daarop ziende, zoo vernemen we dan, is het maar het beste, dat wij, nederlanders, zelf ons in allerlei opzicht gaan schikken naar buitenlandsch model. En met huid en haar ons laten steken in een fascistisch pak.

Maar wat z ij n die feiten dan toch ? Zeker, wij hebben moeten zwichten voor militaire overmacht. Maar zijn we ook in den geestelijken oorlog bezweken? Zijn er geen gereformeerde jongelingen en meisjes, die oVer de ieer van fascisme en nationaalsocialisme grondiger en derhalve beter ingelicht zijn en met meer succes zouden kunnen debatteeren, dan menigeen, die onder onze volksgenooten voor het forum, optreedt als leider van nederlandsche jeugd, die naar den naam van het duitsche staatshoofd is genoemd, — reeds in den tijd, waarin — ook volgens officiëele formules — ons land met Duitschland in oorlog is. Men roept van zekere zijde om „de besten" van ons volk. Feit evenwel is, dat van diezelfde zijde zullen worden uitgesloten, ja, vervolgd, belijders van den Christus, die, al of niet dragers van een wetenschappelijken titel, toch te goed onderlegd zijn, dan dat ze wetenschappelijke blunders konden slaan op de vnijze der jongste Nostradamus-reclam-e. Feiten? De grondslag der feiten? Maar onze intellectueele ongereptheid, onze vrijheidszin, onze liefde voor een behoorlijke courant, onze geloofsv/orsteling, onze spankracht in het afwikkelen van godsdienstige, wetenschappelijke en kosmopolitische taken, dit zijn óók feiten. Wie dit alles negeert, en ons verleiden wil, om nu maar den nationaal-socialistischen doop aan te vragen, terwijl de vrede nog niet geteekend is, die sluit zijn oogen voor de feiten. Hij wil ons geblinddoekt in het doopbassin geworpen hebben. Ik ben er zeker van, dat hij met ons niet bidt. Tegenover hem züUen wij óns „tenax-pakket" hebben te stellen, ik bedien me van dit woord onder verwijzing naar hetgeen we schreven over dr v. d. Vaart Smit. „Tenax" beteekent: vasthoudend, taai, koppig, volhardend, niet loslatend. Maar dan willen we tenax zijn niet ten aanzien van de onlangs van Koninginnegracht 70, Den Haag, uit gepropageerde opvattingen, doch „Tenax", vast-houdend, aan onze geloofsbelijdenis. Werkelijkheidszin!

En nu dat tweede: band aan het geldend volkerenen oorlogs- en staatsrecht! Waar moet het heen, als VK niet met beide handen, desnoods tot bloedens toe, ons vastklemmen aan het beschreven recht? Dat recht op eigen gelegenheid loslaten, ik zeg het weloverwogen, is in den grond der zaak verraad. Want dat recht is mede door onze Koningin geponeerd, die haar handteekening plaatste onder het bekende verdrag, waaraan nog onlangs de „Frankfurter Zeitung" zich bleek te refereeren. Dr Colijn merkt in zijn brochure op (bl. 51/2), dat „contact met de naar Londen uitgeweken Nederlandsche Regeering" er thans niet is. „Ook ontbreekt het orgaan daarvoor op het oogenblik."

Het zal niet kunnen betwist worden.

Maar wie zich ten strengste aan het geldend oorlogsrecht houdt, die heeft toch daarin contact bev/aard met de Koningin, en met het haar toekomende overheidsgezag.

Bij het volgen van déze lijn zal hij bewaard worden voor de fout van iemand, die, naar ik meen, verder niet hier in bespreking behoeft te komen, dan voorzoover zijn voornemen betreft, om den corporatieven staat in Nederland te importeeren; we hebben onlangs over dat begrip „corporatief" reeds een en ander opgemerkt. Dit voornemen werd door bedoelden schrijver uitgesproken in verband met een op zichzelf sympathieke poging, om leiding aan ons volk te geven. Hij wilde dit doen in onverbrekelijke trouw aan onze Koningin. Maar naar onze meening zal, wie Haar werkelijk trouw is, slechts dan in overeenstemming zijn met letter en geest van het Haagsche Verdrag, waaronder de naam der Koningin staat, indien hij thans geen enkelen anderen staat hier zoekt te bevorderen, dan dien wij hadden op 10 Mei 1940, toen vi-eemden ons land binnenrukten. Want juist tegen het gevaar der aantasting van het staatsverband, een gevaar, thans ondersteld als van buiten komende, heeft óók de Koningin, voor haar deel handelende, bij voorbaat beschutting gezocht in het Haagsche Verdrag. Wij zullen in de huidige veriegenheidssituatie moeten weerstand bieden aan elk st r e- ven tot staatsverandering, zelfs, al zouden wij meenen, de Koningin daarmee welgevallig te zijn. Zij moet, zoover het aan ons ligt, het huis-van-staat terugvinden, zooals ze het verlaten heeft, noodgedwongen. Moeten er veranderingen komen, goed, m.aar dan langs den legaten weg, en na het herstel der orde.

Hoe goed doet het, daartegenover de stem van dr H. Colijn te hooren. Hij v/il geen anderen staatsvorm bepleiten, laat staan forceeren. Hij wil evenmin de politieke verdeeldheid negeeren. „Alleen een stap, die spontaan door het geheele volk zou worden gesteund, zou er toe kunnen bijdragen, dat de Duitsche Regeering rekening hield met den eenparigen wensch van Nederland, om, na den vrede, weer een Oranje te zien aan het hoofd van een herboren, zelfstandigen Nederlandschen Staat". (53.) En daarom gaat dr Colijn niet als Leider zich opwerpen, doch wil hij, „dat de leiders van de groote politieke partijen van weleer de handen ineen slaan". Teneinde langs dien volkomen legaten weg, dien men ook vóór 10 Mei 1940 op eiken willekeurigen dag zou hebben kunnen en mogen inslaan, ieder in eigen kring het besef te doen verdiepen van waar het om gaat, en vervolgens een nationaal front te vormen, „gerepresenteerd door personen, die met recht kunnen spreken namens een overweldigende meerderheid van het Nederlandsche volk".

Hier wordt met het woord „nationaal" niet revolutionair gesold, doch legaal gewerkt.

We stellen ons voor, enkele opmerkingen te geven aangaande dr Colijn's brochure. Ze is zóó geschreven, dat ieder haar bedoeling vatten kan. Waarmee niet gezegd is, dat ieder haar ook beoordeelen kan. Ondergeteekende althans vermag dit niet, voorzoover ze het economisch leven betreft. Die kennis is hem te hoog, dat terrein te vreemd, die problematiek te ingewikkeld.

Maar er zijn enkele andere punten, waar we bij willen stilstaan.

Tot zoover hadden we geschreven op Zaterdag 20 Juli. Bovenstaande copie was dan ook bestemd geweest voor ons vorig nummer, doch bleef wegens plaatsgebrek toen liggen. Thans zijn we weer een week verder, en inmiddels is de klok doorgeloopen.

In nauw verband met de bedoeling van dr Colijn's brochure is deze week komen staan de oprichting der z.g. „Nederlandsche Unie", geleid door een drietal mannen, die ons persoonlijk veelszins sympathiek zijn. Zij willen ons volk vereenigen op enkele programpunten. Voorzoover zij zullen kunnen duidelijk maken, dat zij aanstonds veel grooter mensehenmassa achter zich aan kunnen krijgen dan de N.S.B, ooit heeft vermogen te trekken achter haar vaandels, zal deze beweging ongetwijfeld verhelderend kunnen werken. Het staat voor ons vast, dat de groep, waarvan Mr Rost van Tonningen woordvoerder is, de man, die óns desnoods „naar den strot wil grijpen", veel zwakker is dan degenen, die achter het bedoelde driemanschap zullen gaan staan.

Toch komt voor ons de vraag op: wat te doen? In de wenschen van het driemanschap ligt naast veel sympathieks ook een en ander, dat ons onaanvaardbaar schijnt, b.v. het opheffen van politieke tegenstehingen. Uit godsdienstig oogpunt is dit verlangen ons onaannemelijk: wij zijn te lang in de school van Groen en Kuyper gev/eest.

Maar dat is het eenige niet, wat ons bezwaart. Niet slechts een deel van wat het driemanschap w e 1 noemt, Vi^ekt onze bezorgdheid. Deze wordt voor een ander deel ook opgewekt door de omstandigheid, dat de drie-mannen een paar punten niet noemen, die dr Colijn wèl te berde brengt!

V/ij noemen: a. het Oranje-huis; b. onze onafhankelijkheid.

Wij laten ons niet in met de vraag waarom het driemanschap deze punten heeft weggelaten van zijn program-van-samenbinding. We hebben wel vermoedens, die zich gronden op vertrouwelijke mededeelingen, maar mogen, zeer tot onze spijt, daarover onzerzijds geen persbespreking openen. Het staat eventueel aan anderen, in dezen het zwijgen te verbreken.

Wat wij wel mogen, dat is, nu geen enkele overheidsinstantie ons het spreken over dr CoUjn's bro-

(Zie vervolg op blz. 334)

334 chure verboden heeft, simpelweg spreken oyer de gevaren, die wij liier duchten. We hopen, dat dr Cohjn te eeniger tijd, hoe dan ook, ons zijn inzicht wil, kenbaar maken. Zien we verkeerd, dan zullen we ons alleen maar verblijden.

Het gevaar is o.i. dit:

Ieder weet, dat wij thans volksgenooten hoeren optreden, die op revolutie aansturen. Het blad van den heer Mussert voerde dit vreeselijke woord onlangs aan den kop. Deze volksgenooten zullen dus noch ons Vorstenhuis, noch onze onafhankelijkheid op prijs stellen. Daarentegen zal de overgroote meerderheid van ons volk, als zij maar vrij spreken mag, deze beide punten wel degelijk op het hart dragen.

Stel nu eens, dat dr Colijn de beide punten Koningshuis en onafhankelijkheid zou willen blijven op den voorgrond plaatsen, overtuigd, dat verreweg de meesten ze van heeler harte overnemen, — maar dat, door wat oorzaak dan ook, de openbare getuigende belijdenis omtrent de gezindheid der natie ten aanzien van deze beide punten achterwege blijft, omdat in den drang der contemporaine geschiedenis der actie van het driemanschap zónder deze punten het wint, zal dan dat deel der nederlandsche burgers, dat op revolutie aanstuurt, niet zeggen: ziet ge wel, de natie stelt daarop geen prijs! ? En zal dan aan deze, aldus deels kunstmatig, deels argeloos verkregen uitkomst van den „verkenningstocht" niet als volkswil worden uitgeroepen wat heelemaal de volkswil niet is ? Wij weten niet, langs welken weg men straks definitieve beweringen aangaande dien volkswil zal pogen te formuleeren. Gelet op de houding van revolutionair-gezinde nederlanders zijn wij daarop evenwel niet gerust. Wij voor ons meenen, om maar iets te noemen, dat een volksstemming over de vraag: Oranje of geen Oranje? zelf reeds revolutionair is, zoolang wij n.l. leven onder de vigueur van het Haagsche Verdrag (zie Frankfurter Zeitung). Onderdanen stemmen over de overheid niet, tenzij de overheid zelf het vordert, — en het Haagsche Verdrag laat geen twijfel over de vraag, wie in het huidige staatsbestel de souvereiniteit draagt. Wij vreezen, dat, indien het driemanschap, hoezeer ons veelszins sympathiek, ook onze menschen achter zich krijgt, het zv/ijgen over beide genoemde, zeer belangrijke punten, z a 1 worden uitgelegd in een heel anderen zin, danwijalleneraan zouden willen gehecht zien. Wie weet, wat daarvan de gevolgen zouden zijn bij een min of meer als officieel aangemerkte registratie van den wil van het volk? Liever accentueeren wij heel scherp, dat een groot deel van ons volk op deze punten „i n d o 1 e a n t i e" is, als het n. 1. zou móéten, dan dat onze eigen houding onklaarheid zou scheppen. Voor ditmaal zullen wij het hierbij laten. Misschien kan dr Colijn ons raad geven. Onze lezers — wij leven zeer snel — gelieven te bedenken, dat dit artikel, voor wat den kop betreft, op 20 Juli en voor wat den staart aangaat, op 27 Juli is geschreven.

Volgende week het slot.

„NEDERLANDSCHE JEUGDBEWEGING".

Een toren moest ergens verrijzen. Steenen, kalk, balken, spijkers, binten, klokken, een haan moesten op hun plaats komen in het reusachtige bouwwerk. Terwijl nu de metselaars, timmerlieden, architecten rustig sliepen, kwamen de steenen vanzelf zich op elkaar stapelen, de kalk zoog spontaan zich tusschen de steenen in, de balken en binten zochten en vonden op eigen gelegenheid' hun passende plaats, de spijkers dreven gansch automatisch zich in het hout, de klokken beklommen uit eigen kracht hun hoogen stoel, en het haantje kwam per slot van rekening eigener beweging den top bezetten. Klaar was de toren.

Uit mijn jeugdjaren herinner ik me, dat alzóó de merkwaardige doopsgezinde predikant H. Bakels in zijn „Bouquetje Dogmatiek" de evolutieleer kwam bespottelijk meien, 't Kan ook zijn „Bouquetje Polemiek" geweest zijn. Stel u voor, dat in het heel-al zonder den Bouwheer alles vanzelf op zijn plaats gekomen was

Ik moet nog al eens aan dezen populairen passus denken, als ik de kersversche concentratie-klokken over Nederland hoor luiden. De klanken zijn niet van de lucht. Wat wordt er al niet geconcentreerd! Eén voor één rukken ze aan. De steenen van de individueele leden, en van de afzonderlijke bonden en federaties. De concentratiekalk. De spijkers van de onderen overkoepelaars. De balken en binten van de koplichamen. De klokken van de eenheidszangen en volksopstandings-perscommuniqué's. En de haan, die koning kraait, en van den eenheidsconcentratiebouw af den morgen begroet, meteen aangevende, uit welken hoek de wind waait.

Zijn ze gedwongen? Brengen architectenbevelen en sjouwershanden ze allemaal, huns ondanks, op de door die architecten aangewezen plaats?

Neen, ze komen zelf. Vanzelf, — vanwege de nationale wedergeboorte. Ze zijn, zeggen ze, volkomen vrij. Hun eigen concentratie wil beweegt ze, en stuurt ze ook. Ze stapelen en stuwen zichzelf op tot één lichaam, en als het klaar is, kan desverlangd het stadsbestuur het geheel van den trotschen wóndertoren zóó maar in bezit nemen. Niet, dat het zóó bedoeld is, verre van dien. Want u moet de concentratiewilsvorming niet verwa; rren met politieke wilsvorming. Maar ja, dat stadsbestuur, dat den torenbouw kón annexeeren, is toch een werkelijkheid. Het kan een bestuur zijn van een bepaalde politieke over­ tuiging. Het kan — in 't afgetrokkene gesproken — óók wel een bestuur zijn van een tegenovergestelde politieke overtuiging. Want de concentratiewil is geenszins politiek gekenmerkt; al de steenen, balken, spijkers, mitsgaders de haan verzekeren dit om 't luidst. De concentratiewil is alleen maar „nationaal" bepaald, of bepalend, — dat weet hij zelf niet al te scherp te onderscheiden. Is de bouw eenmaal kant en klaar, dan kan hij zich dienstbaar stellen, laat ons zeggen, aan het politieke beginsel van het nationaal-socialisme. Eventueel kan hij het ook doen aan het politieke beginsel van het communisme, en marxisme. Schreef niet destijds de Nederlandsche N.S.B.staatsleer, dat haar ethiek „zuiver formeel" gehouden was? Wij zeggen van deze medeburgers, van deze mede-spijkers, mede-balken, mede-hanen geen woord, dat zij niet hóóren willen. Zuiver formeel, — welke hand het mechanisme eventueel aanvat, is tot daar aan toe.

En alzoo is het geschied, dat dezer dagen óók al is opgesteld een „Plan voor " den Arbeid, wou u zeggen? O neen, dat is met één radiorede van een volksgenoot aan kant gezet. Gauwer, dan wij, gereformeerde antimarxisme, het destijds konden klaarspelen. Neen, ditmaal is er een „Plan voor de N e d e r- landsche Jeugdbeweging".

Concentreer de nationale jeugd! De antithese van Abraham Kuyper? Verwaaide klanken!

Er is een „Nederlandse Studievereniging voor vrije jeugdvorming" geboren. Een vlot verloopen geboorte, zooals er meer zijn tegenwoordig. Maar heelemaal vrij! „ V r ij e jeugdvorming."

Gelukkig maar, dat d a t er bij staat. Zoolang dat „ V r ij " blijft staan, doen w ij alvast niet mee. Want we hebben van vrijheid wel dit ééne onthouden, dat ze ons moet toekomen van den Zoon des menschen, die hier totaal gemist wordt. Ook hebben we van „vrijheid" dit begrepen, dat ze is een sterke gebondenheid, door ons om Christus' wil aanvaard, gebondenheid aan Christus' Woord. Een vrijheid dus, die zich moet uitspreken tegen alles, wat dit Woord weerstaat, ook door het — te negeeren.

Maar goed, die „Studievereniging" dan wil onze jongens en meisjes van 8—18 jaar op „nationale n " grondslag zien bijeengebracht. Net de gewichtigste leeftijd. Maar op nationalen grondslag. Een nationale grondslag evenwel deugt alleen voor nationale optreksels. De jeugdactie nu i s geen nationaal bouwsel. Want dwars door alle naties heen loopt de scheiding tusschen wie God vreest, en wie het niet doet. „Onze" jeugd, die verbondsjeugd, is immers „uit" alle geslacht, en „uit" alle taal, en „uit" alle natie bijeengebracht — van boven, door den hemelschen Architect, die nimmer sluimert, en Zijn bouwlieden nooit laat slapen.

Reeds hierom zullen wij niet mee mógen doen. Het zou verloochening van ons geloof zijn. En in strijd met het Haagsche Verdrag, dat o.m. de rechten van het gezin uitdrukkelijk eerbiedigt, ook in een bezet gebied.

Als dus deze Studievereeniging — naar eigen mededeeling — „de overheid vraagt" stappen te doen in de richting, die zij aangeeft, dan brengt zij verdeeldheid onder het volk. Het is gevaarlijk, verdeeldheid te brengen in oorlogstijd. Dan dient men zeer speciaal bedacht te zijn op orde en rust. Hier evenwel vraagt men de overheid, stappen te doen in een richting, die óók een offensief tegen de vrije kerk en het vrije gezin zou moeten inslaan. Wij nemen deze Studievereeniging haar vraag dan ook zeer k w a 1 ij k . En ónze steenen, balken, binten, spijkers, komen zéker niet vanzelf. De Studievereeniging meent, zegt ze, dat „op de kortst mogelijke termijn gehandeld — en niet onderhandeld! — dient te worden". Nu, — onderhandelen met haar doen we zeker niet; daarvoor zijn de principiëele overtuigingen over en weer te zeer elkaar vijandig. Maar overigens — waarom die haast? Wij meenden, dat in een interimsperiode, vol van spanning, alle haastwerk uit den booze was. Ook meenen we, dat we nog steeds een parlement hebben, — het is niet afgeschaft. De Studievereeniging verzekert, „besef van de ontzaglijke verantwoordelijkheid tegenover de toekomst van ons volk" te hebben. Zij komt daarmede echter wel wat laat voor den dag; de eenvoudige Zondagsschoolonderwijzers, jeugdleiders, kerkelijke instanties zijn al jaren en jaren lang bezig, „besef" van „verantwoordelijkheid" te toonen. Als ik dan lees, dat men met de gerechtvaardigde verlangens der ouders wil rekenen, dan is dat èf welgemeend, óf een paskwil. Het laatste onderstellen we niet als direct bedoeld. Maar die „vraag aan de overheid" is dan toch maar geweest: een streep halen door de gerechtvaardigde verlangens van die duizenden ouders, die beleden hebben, dat de Staat moest afblijven van de rechten van het gezin. Vooral een gedesorganiseerde, tijdelijk ontmantelde Staat in noodtoestand. Heeft niet de N.S.B, ettelijke malen plechtig verzekerd, dat, ook volgens haar, kerk en gezin „univoca" waren? Dat mooie latijn kan ik nog maar niet kwijt... Kerk, en gezin, formaties van „eigen recht" stond er zoo ongeveer.

En als nu de N.S.B., die nederlandsche beweging, die a 11 ij d beweerd heeft, dat ze geen buitenlandsche import was, werkelijk hebben wil, dat we haar oprechtheid niet gladweg loochenen, dan moet ze hardop zeggen: niet meedoen. Want wat hier staat: een beweging met één leiding, dat is en blijft onaannemelijk voor hen, die de jeugd aan de ouders willen overgelaten zien. Ook aan de den Christus belijdende ouders. Wat gemeenschap heeft Jeruzalem met Athene, Christus met Belial? „Een sterk godsdienstig leven" bevorderen? Maar daar hebben we de vrije kerk voor, en het vrije gezin, en de confessioneele jeugdbonden, „Volkse cultuurgoederen"? Wat is uw „cultuur"? En wat neemt ge op, al of niet onder de grootheid „volksch"? Drie menschen, onder wie één dame, zullen heel het apparaat leiden? Al die vogels van diverse pluimage leiden? Maar de Overheid zal, krijgt ge uw zin, die drie benoemen en ontslaan. De hand, die het bouwwerk van steenen, balken, binten, in beslag neemt, — daar hebt ge ze dus al.

Ja, maar ook de kerk mag invloed oefenen, lezen we. De drie lieden der Nationale Jeugd-Leiding, dat overheidsapparaat dus, krijgen b ij s't a n d (meer ook niet) van twee lieden: één heer, en één dame. Zij worden benoemd door de Drie Lieden, „op voordracht van het betrokken kerkgenootschap", dat hier ineens als deus ex machina ten tooneele gevoerd wordt. Wij vragen: welk kerkgenootschap? Studievereeniging, Du sprichst een grosses Wort gelassen aus! Ik zie al die kerken al, ik zie ze samen: één damevan-bijstand en één heer-van-bijstand benoemen, —• die toch niets te vertellen hebben, als puntje bij paaltje komt

Werkploegen? Maar ze hebben toch straks een baas, zullen we hopen ? Werk- ploegen ? Of misschien propagandagelegenheden?

Ik had nog meer willen schrijven over de détails. Maar gelukkig heeft dr C. N. Impeta me van de moeite ontslagen. Deze publiceert in „Kamper Kerkbode" dienaangaande eenige gegevens, die ik in dit nummer opneem onder Persschouw; zie aldaar. Zij raken de z.g. Jeugd-Unie — een maaksel, dat in de hierboven aangegeven richting al vast voorbereidend concentratiewerk wil doen. De grootste balken, de stevigste binten, de reeds gesmede zwaarste klokken zouden daarbij al vast in beweging moeten komen. Wij evenwel doen niet mee! Onder geen beding.

Dus — alweer een negatief advies? Hoe komt men aan den onzin?

Wij werken in ónze jeugdacties al lang positief. Thans roepen ettelijke bloedgenooten: laat uw positieve werk varen, geef van uw positieven arbeid de hoofdzaak prijs, de tijd dringt, en als ge neen zegt, dan doet ge negatief! Maar dat is eenvoudig de dingen op hun kop zetten. Wij willen ons positieve werk blijven behouden. Dien dans (zie het stuk van dr Impeta) doen we graag cadeau. — En dat „diploma burgerzin" (!) óók. Want zelfs de heeren van de Studievereeniging zouden onzentwege nog voor het diploma moeten studeeren. Ze hebben onzen burgerzin gekwetst door de overheid te vragen, tegen ons in te gaan (zie boven). Vader Staat blijve af van de rechten van ons gezin, dat niet revolutioneert, doch positief bouwt, als 't christelijk is.

En als men ons soms zou komen aandragen met het meer gehoorde argument: doe het nu maar, want anders wordt ge toch gelijkgeschakeld, dan antwoorden wij:

a. de kans voor gelijkschakeling wordt juist ongemeen vergroot, als wij alles er voor pasklaar gaan maken. Als de balken, spijkers, binten opereeren a la Bakels, dan krijgen we een apparaat, dat als 't ware roept om een erkenning, de jure; van de gelijkschakeling, die de facto dan reeds voldongen feit zal zijn;

b. de nederlandsche overheid zal niet gelijkschakelen, want het parlement komt in deze dagen niet bijeen;

c. de duitsche bezettingsmacht zal het óók niet doen, want ze heeft, gelijk uit de duitsche bladen zelf blijkt, zich willen richten naar het Haagsche Verdrag. Dat wil dus zeggen: zij dénkt er niet aan, onze nederlandsche volsstruetuur te veranderen. Wie dat niet gelooft, kwetst haar.

Wat er na den vrede van Europa gebeuren kan, dat weet God. Maar wij zelf loopen op geen ding vooruit. Wij zijn niet van die belachelijke vredesconferentiebeleggers-in-zakformaat. Men zal ons trouwens heusch niet een plaatsje aan de groene tafel gunnen.

We hebben dus een positieven raad: steenen, kalk, balken, spijkers, binten, klokken en ook gij, haan,

op uw plaats — rust! Geen revolutionair gedoe, met één enkel memoriepostje voor de ondefinieerbare grootheid: „het betrokken kerkgenootschap", ingeschakeld in een staatsmechaniek.

Wij gereformeerden, orthodoxen, ook in de Hervormde Kerk, wij hebben niet voor niets sedert 1816 met eerbied, ja, maar óók met vasthoudendheid, onze bezwaren ingebracht tegen de staatscreatie van Koning Willem I. En wat heeft die „positieve" houding al niet tot stand gebracht in ons goede, vrije Nederland! De negentiende, twintigste eeuw zijn er grootendeels door beheerscht!

Derhalve: nog eens:

Op de plaats rust. En voorts, in vollen ernst: Efeze 2 : 20—22, 1 Cor. 3 : 10—16, 1 Petrus 2:4, 5. Daar is geen Bakelsfantasie, geen nationalistische revolutiebouw, doch christelijke werkelijkheid aan het woord. In die plaats rust.

K. S.

„DE HERAUT" OVER HET BEGRIP „SCHEPPINGSMIDDELAAR".

We noemden, 2 weken geleden, de bestrijding van ons door „De Heraut". Zonder de eigenlijke kolommen van ons blad zelf met ons antwoord thans te willen vullen, leek het ons goed, in deCatechismusbijlage (opeen passende plek) reeds thans antwoord te geven. Reeds thans; — het is nu de zóóveelste maal, dat prof. Kuyper ons bestrijdt juist vóór zijn blad in vacantiegewaad verschijnt. Bovendien is het binnenkort synode. Daar komen cm. de „meeningsversehillen" de aandacht vragen. Juist hierom willen wij thans antwoorden: onze lezers kunnen dan zien, hoeveel ze soms om het lijf hebben. Wij achten tot opscherping vau het begrip dienaangaande de aan-de-orde-stelling van prof. Kuyper's bedenkingen uiterst nuttig.

K. S.

BIJBELS, PSALMBOEKEN, DAGBOEKEN ENZ. VOOR DE GETROFFENEN.

Met den wagen van de „Autozending" te Amsterdam, die in Rotterdam is ingeschakeld in gewondentransport en evacuatie, zijn vele duizenden nieuwe en goede gebruikte Huis- en Zakbijbels, Psalm- en Gezangboeken van allerlei soort. Dagboeken en andere goede lectuur verzameld, die in de Gereformeerde en Hervormde Kerken van vele plaatsen in groeten getale beschikbaar gesteld zijn.

Alle getroffen personen, gezinnen en vereenigingen in heel het land kunnen gratis alle Bijbels, Psalmboeken enz., die ze noodig hebben, ontvangen. De bedoeling is dat heel Christelijk Nederland, zooals dat in Rotterdam reeds geschiedde, weer het noodige in bezit krijgt. Opgaven worden, liefst zoo snel mogelijk, ingewacht bij A. de Bruin, Theol. Stud., Nieuwenhoornstraat 63 b, Rotterdam-Z. De verzendingen worden dan ten spoedigste uitgevoerd. Ter besparing van kosten is gezamenlijke opgave, door den plaatselijken predikant b.v., de meest gewenschte methode. Individueele opgaven worden echter eveneens uitgevoerd.

Correspondenten van het Bijbelgenootschap in de getroffen gebieden worden namens den secretaris verzocht zich met bovengenoemd adres in verbinding te stellen, tot nader overleg inzake snelle voorziening in hun ressort.

Bovenstaand bericht geef ik gaarne door.

K. S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 augustus 1940

De Reformatie | 8 Pagina's

KERKELIJKLEVEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 augustus 1940

De Reformatie | 8 Pagina's