GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Niet zonder droefheid bespeurt

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Niet zonder droefheid bespeurt

6 minuten leestijd

Niet zonder droefheid bespeurt men, hoe het schorsen, afzetten, ontzetten en uitzetten nog altoos zonder sparen of verpoozen in het Hervormd kerkgenootschap doorgaat.

Van 1816 af heeft dit genootschap aide macht bezeten, om tot zulk een klopjacht over te gaan, en al deze zeventig jaren heelt het hier nooit of nimmer aan gedacht

Hoe schriklijk ook de wereldzin uitbrak en de ongerechtigheid en bandeloosheid hand over hand toenamen, nooit achtte men het oogenblik gekomen, om tegen dezewereldgelijkvormigheid en ontheiliging der kerk het zwaard der Tucht te wetten.

Dat alles liet men gaan.

En toen het ongeloof en de ketterij en de afval zoo hand over hand toenamen, dat er letterlijk geen enkele regel in onze Belijdenis staat, die niet betwist en bestreden wierd, heeft men op elke aanmaning om de Tucht tegen zulk een aanval aan te wenden, steeds geantwoord, dat men daartoe het zedelijk recht miste en dat dit niet ging. En nu, nu het geen zedeloosheid en geen afval van den Heere Jezus Christus, maar integendeel trouw aan zijn Woord en zijn Eere geldt, nu laat men zich door geen motieven van zedelijk rechtsbesef terughouden, men kan alles, men halveert en decimeert nu desnoods een geheele gemeente, zoo de Hiërarchie maar meester blijft van het terrein.

Dit stemt droef.

Waarlijk niet omdat het ons Gereformeerden tot allerlei opoffering en moeite noopt en ons in tal van plaatsen ongelegenheden berokkent.

Wij althans zouden den zin van Gods kinderen niet verstaan, indien ze, eenmaal in dezen strijd voor Koning Jezus opgaande, niet met blijdschap deze schade droegen en niet juichten in de verdrukking, die hun wordt aangedaan.

Als men maar weet, dat msn met zijn Heere optrekt, is desnoods het vluchten in de woestijn en het uitgaan naar Pella zoo zoet.

In dat opzicht klagen we dus niet.

. Maar, en hierop kan niet genoeg gewezen, onze tegenstanders bezondigen zich zoo schriklijk.

Wie jarenlang met het opgestoken zwaard in de scheede tegen de zedeloozen en de loochenaars van zijn Heer heeft gestaan en nog staat, eri het nu opeens trekt tegen zijn broederen, en met haat in het oog en met een boozenlach om de lippen en met een schimpwoord op de tong, er op zijn broederen en zustercn meê inslaat, die handelt tegen den s; eest des Idndsckaps.

Die weet wel, dat, zoo de Heere Jezus eens door de gesloten deur in de samenkomsten van Classicale en Provinciale Besturen binnentrad, niet een enkele van deze mannen, die nu zoo voortvaren in hun dreigen, zijn naam onder zoo schandelijk soort vonnissen zou durven te zetten.

Die verstaat het wel aan zijne ziele, hoe de Heere Jezus aan een Verhoefif, aan een Creutzberg en wien niet al meer, al deze papieren uit de hand zou rukken, en hün bestraffend zou toeroepen: „Heb ik, toen ik mijn jongeren de voeten waschte, u zulk woeden tegen uw broederen geleerd I”

We zeggen daarom niet, dat ze dit nu aan hun consciëntie gevoelen!

Integendeel, we willen gelooven, dat bun consciëntie op dit oogenblik .slaapt.

Gelooven zelfs, dat ze op dit oogenblik zich inbeelden „een moeielijken plicht" te vervullen.

Ja, dat ze op de knieën bidden, om moed en kracht en volharding, om zich door geen werkelijk gevoel te laten weerhouden.

Enkele booze naturen zijn er, helaas, onder deze vervolgers. Geheel natuurlijke menschen, die geheel leven uit hun haat.

Maar zoo is de massa niet.

o. Neen.

Verre de meesten hebben zich ingezet in een systeem, waarin alles is goedgepraat en alles alzoo aan hen voorkomt als door hooger gezag van hen geëischt.

Maar ook al is dit zoo, gaan ze daarom vrij uit.^

Herinneren ze zich dan niet de oogenblikken in hun verleden, toen zij juist hetzelfde tegenover Kerkbesturen geklaagd en geroepen hebben, als thans wij?

Weten ze dan niet meer, hoe ze in '"Ji en '74 even druk bezig waren, om op allerlei wijs verzet tegen de Synode te organiseeren!

Brengen de ouderen het zich niet te binnen, hoe zij ons jongeren, dien harden plicht tegenover de Synode hebben geleerd.' Weten dat niet de heereu Bax c. s. toen ze groot waren in den kring van de Vrienden der waarheid.

Weten dat de heeren Vos c. s. niet uit de dagen toen ze het vuur openden in de batterij der Confessoneele Vereeniging.'

Weten dat de heeren Doedes c. s. niet, hoe ze in '78 dreigden met verbreking van het Kerkverband en het smadelijk verwijt van revolutie verre van zich wierpen.”

Meer nog!

Heugt het dezen mannen niet meer, hoe ze, toen pas dit Conflict uitbrak, worstelden in hun consciëntie, om een betere stem die in hen sprak tot zwijgen te brengen? Staat het niet in hun dagboek, hoe ze gaandeweg deze zestien maanden al meer alle Christelijke schaamte kwijt raakten; eerst haast niet durvend; toen met anderen meêloopend; straks voorop gaande; nu zelfs met luidruchtigheid jubileerend.

o, Die demoralisatie van zoo menig karakter !

Er wordt zooveel geweld aan de consciëntiën aangedaan.

Zie het nu weer aan Ds. Van Walsem van Alphen.

Eerst een kloeke inspraak van het hart: ., yNeen, ik mag niet tegen mijn broederen optreden", en moedig alle dreigement van

van het Classicaal Bestuur weerstaan. Toen berispt, en nog weerstand geboden!

Nu eindelijk voor de keuze gesteld, om te bukken of afgezet te worden, en zie, nu geeft hij toe.

Nog wel niet om zelf op te treden; dat ware te veel; maar om de beurt voor zijn . I rekening te nemen, zijn verzet op te geven; straks komt Ds. Pijzel; en is de moeic-| lijkheid uit.

Wat dunkt u? Is hier nu de zedelijke standaard gerezen of gedaald ?

En zoo is het heel het land door!

Herinner u nog eens de fiere kloeke brieven die een naar Hilversum beroepen predikant aan Dr. Vos dorst richten.

En toch, is in de maanden die sinds verliepen, van die kloeke taal door u een nagalm vernomen?

En dit nu stemt droef.

Deze mannen en broederen hebben toch ook hun eere, hun karakter; hun rekening met den Kenner der harten, en als men dan zoo voor oogen ziet, hoe zulk een Hiërarchie er toe drijft, om zelfs de besten te demoraliseeren, wie klaagt dan niet?

Want vergeet niet, nu zoo gehandeld wordt door mannen die den Heere Jezus Christus belijden, nu lijdt de Belijdenis van den Heere Jezus zelf er onder.

Men hoort vragen, of dat dan nu de mannen zijn, die van een aannemen van den Christus alle heil voor land en volk verwachten.

Men fluistert, of dit dan nu de liefdebanden zijn, die het belijden van éénzelfden Heer om de harten moest vlechten!

Men spot met u en vraagt, of dat nu de tolken der waarheid zijn, die wat gerechtigheid in rechten is, beter dan de heidenen en tollenaren verstaan.

o, De toestand is ontzettend!

Niet voor ons, maar voor een kerkgenootschap waarin zoo booze demon rondwaart; voor de broederen die er zich door. verleiden laten; en niet minder voor ons volk en vaderland, dat door de prediking van zulk een Evangelie moet gered.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 april 1887

De Heraut | 4 Pagina's

Niet zonder droefheid bespeurt

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 april 1887

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken