GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Een Rostelijk woord.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Een Rostelijk woord.

7 minuten leestijd

Weinig konden we vermoeden dat ons artikel Kentering in de vaderlandsche pers reeds vooraf zou gegaan worden van een zoo kostelijk woord, als Ds. Proosdij, van Leiden, over hetzelfde actueele onderwerp bij Donner te Leiden uitgaf.

En toch, nog eer ons artikel de wereld inging, lag het referaat van dezen Leidschen redenaar reeds op onze tafel.

Welkom is ons dit referaat en kostelijk woord, zoo wat vorm als inhoud betreft.

Het is met zorg en keurig gesteld, gespeend aan elk bitter woord. En tegelijk is het wat den inhoud aangaat, even principieel als conciliant.

Ook deze referent is van oordeel, dat er aan onzen kant geen oogenblik sprake van kan of mag zijn, om in onzen wijn water te doen. Zelfs aan de broeders in de Herv. kerk zijn we het verplicht, dat we voortdurend hun consciëntie opscherpea.

Ons zelven op te werpen als kerk^ijke adviseurs en leidslieden van hunne beweging schijnt ons niet geraden. Ongevraagd advies wordt zelden gevolgd. En daar wij — dank zij den Heere — in ons leven een levend protest zijn tegenover hen, behoeft het niet te verwonderen, dat er aan de zijde onzer broederen eens zekere geprikkeldheid is tegenover ons. Dit behoeft ons evenwel niet te verhinderen om ook een sprekend protest te zijn. Kunnen wij niet leiden, het getuigen mogen wij niet nalaten. Om hunnentwil, maar evenzeer om onzentwil, mag de prikkel van ons woord niet ontbreken. Wij Gereformeerden treden op in onze kerkelijke vergaderingen, synodes, classes, kerkeraden; treden op in de prediking en in de catechisatie; treden op in geschriften en in de periodieke pers. Nu ligt het niet op onzen weg om in dit referaat stuk voor stuk de verrichtingen van elk dezer te omschrijven; maar wel het uit te spreken, dat het onze roeping is overal en immer, mits met wijsheid, onze gereformeerde leer aan te prijzen voor de praktijk der Kerk, ons te verdedigen tegenover de aanvallen, onzen broederen buiten onze gemeenschap geen verpoozing te gunnen, maar steeds tot getrouwheid in het kerkelijke leven hen te vermanen.

Maar juist daarom moet onze actie op dit terrein het karakter van nobelen zin dragen.

Te meer hebben wij daarom ons te hoeden in onze gesprekken, in onze prediking, en bovenal in onze kerkelijke bladen voor uitdrukkingen en namen, welke geene wonden heelen, maar wonden maken. De naam ïsynodalen", een strijdnaam, een represaillenaam, heeft zijnen tijd gehad en heeft het ten volle verdiend om met denamen Jafgescheidenen" en »doleerenden" op nonactiviteit gesteld te worden of geconserveerd te worden in het museum van kerkelijke historie of kerkelijke antiquiteiten. Laten wij hunne beginselen aantasten en veroordeelen, doch hunne personen ongerept houden. Beter is het te lang geloofd dan te vroeg getwijfeld aan de eerlijkheid onzer broeders; beter is het te meenen dat zij in blindheid handelen dan van hen te denken dat zij heulen met de vijanden, omdat zij vrienden van het geld zijn; laten wij liever twijfelen aan de helderheid van hun inzicht dan aan de oprechtheid van hun hart; laten wij zooveel en zoolang mogelijk vasthouden aan hunne goede trouw en eerst dan wantrouwen, als ons vertrouwen meermalen geschokt en bedrogenis.

Meer nog, de waardeering mag niet ontbreken.

Laten wij bij den strijd, dien wij tegenover hen moeten voeren, niet vergeten te waardeeren wat zij doen. En men zegge niet: hunne daden zijn alleen woorden, want zij doen door prediking, catechisatie en andere werkzaamheden meer dan praten; en ook hunne woorden zijn in den vijandigen kring, waarin zij spreken, tevens daden; zij vooral hebben, zoo hun getuigenis getrouw is, hun deel van den smaad, waarmede de gereformeerde leer en het gereformeerde volk altijd beladen is en nog beladen wordt. Laten wij medelijden hebben met hunne personen, want wie in de frissche lucht raag ademen, heeft het beter dan wiens borst benauwd en wiens keel toegeschroefd wordt in bedompte atmosfeer. In de vrije lucht van het gereformeerde kerkelijke leven, al is er soms een klein onweder, ademt het ruimer dan in de lage lucht van het hervormde kerkelijke leven, al is het daar stil. En bovenal vergeten wij niet voor hen te bidden tot Hem, die eerlijkheid van hart, helderheid van inzicht, kloekheid van belijden en getrouwheid in daden schenken moet.

Bovendien mag nooit ons eigen kerkelijk erf de grens van onze actie bepalen. Niet sectarisch het onze verdedigen, maar de eenheid zoeken van allen, die God in de ééne belijdenis der Gereformeerde beginselen, d. i. van zijn gezuiverde waarheid saambindt.

Altijd hebben wij te waken, dat de stroom van het Gereformeerde leven niet dood loope in de bedding van het sectarisme. Dat gevaar bedreigt iedere Kerk om de Kerk te besluiten in den engén kring van wie met ons wandelen, om onszelven voor al de Kerk te houden, om de erkentenis van eigene historie te maken tot een stuk der belijdenis, om vormen en gewoonten als het wezen te vereeren. Was dit gevaar er niet bij de Christelijke Gereformeerden, waar zij de erkentenis van de historie van 1834, den eigenen naam en bovenal het eigene reglement gevaar liepen als voorwaarden van kerkelijk samenleven te stellen; en evenzeer voor de Ned. Gereformeerden, waar zij het sgeen seperatie, maar doleantie" op den voorgrond schoven en hunne methode, die voorzeker de laatste en de nieuwste was, niet alleen de beste, maar de eenig ware keurden ?

De secte is zoo stil, een vijver gelijk. De boorden zijn naar keuze uitgegraven en de diepte der bedding hangt van onzen wil af. Daar komt geen water in dan alleen wat men zelf wil binnenlaten. Daar is zoo weinig deining, daar schuimt geen golf. Maar daar is ook zoo weinig groote visch en wat er leeft sterft er zoo spoedig.

De Gereformeerde Kerk is aan de zee gelijk, waarvan de grenzen niet door de menschelijke spade, maar door de goddelijke macht zijn bepaald, welker bedding zoo diep is, waar de storm zoo fel kan woeden, waar de golven zoo hoog rijzen, waar groote en kleine visschen plaats vinden ; waar geene visschen en vorschen samen kunnen leven; waar alleen de visch leeft. Laten wij altijd blijven in dien breeden stroom en nooit het spelevaren in den vijver verkiezen boven het echte varen op de zee.

En juist daarom moet steeds het onderzoek naar de Gereformeerde beginselen in de historie op den voorgrond staan.

Aan die beginselen is de toekomst. Zij alleen zullen stand houden, als al het overige in het oeverzand wegzinkt.

Een primum vernm van ons geloof, dat Ds. Proosdij ons nogmaals op het hart bindt met verwijzing naar dit schoone getuigenis van Busken Huet.

De tijd, gevolgd op Van Oldenbarneveldt en De Groot tot het overlijden van Wülem III in 1702 en den vrede van Utrecht in 1713 is in Nederland geweest de bloeitijd der Gereformeerde Kerk, der gereformeerde theologie en van al het overige.

Met het aanbreken der i8e eeuw slaat het uur der remonstrantsche revanche. De heterodoxie van weleer wordt dan meer en meer de heerschende denkwijze; en wanneer de eeuw ten einde gaat spoeden, dan ziet men in de romans der jufvrouwen Wolff en Deken den rechtzinnigen predikant Heftig eene caricatuur vertoonen, den arminiaanschen professor Maatig een ideaal. Maatig is niet alleen verlicht en vroom, hij is bovendien hoogleeraar, terwijl de arme Hefug het vooreerst niet verder dan leeraar brengen kan. Het tij is verloopen, de bakens zijn verzet.

Uit chauvinistisch of nationaal oogpunt echter was dit eene schrale vergoeding; Kever het was eene waarschuwing, dat wij ons hadden voor te bereiden op het gaan vervullen eener andere rol in Europa. Sedert 1572 had Nederland medegegeten aan de tafel der grooten; na 1713 zou het telkens nadrukkelijker zich naar die der kleinen zien verwijzen.

Het is een feit, in welks verklaring ik mij thans niet te verdiepen heb, dat na den dood van den laatsten rechtstreekschen afstammeling van Willem den Zwijger tot 1795 toe ons land heeft opgehouden vrouwen en mannen van den eersten rang voort te brengen. Geen zeehelden meer, geen stedendwingers of kolonieveroveraars, geen groote ministers, groote diplomaten, groote letterkundigen, niet één groot schilder."

En dan zegt men nog, dat wie voor de Gereformeerde beginselen het pleit voert, het pleit voor ons volksleven prijs gaf.

Reeds wij, eer we sterven, en onze kinderen na ons zullen het anders toonen. De weeropleving van het Calvinisme is voor het Nederlandsche volk een retour a sa jeunesse, een terugkeer naar den bloei zijner jeugd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 oktober 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Een Rostelijk woord.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 oktober 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken