GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Klandizie.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Klandizie.

4 minuten leestijd

Men vraagt ons, of het geen plicht van alle Gereformeerden is, om hun klandizie uitsluitend aan Gerefomeerde neringdoenden te schenken.

Op die vraag nu is geen algemeen bevredigend antwoord te geven, en het argument, waarmee deze algemeene stelling door hem, die het ons vraagt, wordt aangedrongen, houdt geen steek.

Hij schreef toch:

Van uit onze gemeente heb ik dikwijls van neringdoenden gehoord (hetgeen ook mijn eigen ervaring is) dat men juist van eigen geloofsgenooten het minst wordt begunstigd. Zoo menigeen van hen zegt, dat men mag gaan waar het voordeeligst wordt gekocht. Alsof elk lid der gemeente er niet rekening mede heeft te houden, dat ook zijn geld en goed slechts gegeven goed is, en dat hetgeen hij door inkoop bij kruidenier of bakker uitgeeft, juist bij dien bakker en dien kruidenier behoort besteed, die ook met hem den predikant, de kerk, de armen enz. heeft te onderhouden.

Daarbij, wordt ons duidelijk in Galaten 6: lo gezegd, meest wel te doen den huisgenooten des geloofs.

't Is waar, ook in dezen weg wordt het dikwijls ervaren, dat de Heere barmhartiger is dan de mensch, en moeten tegenstanders dikwijls gebruikt worden, om genoemde neringdoenden te onderhouden.

Maar hoewel 't door 'sHeeren zegen is, onverschillig van welke zijde men begunstigd wordt, voor de gemeente des Heeren toch is en blijft het roeping, elkander in nering en hanteering te helpen.

Nu is erin Gal. 6 : 10 geen sprake van klandizie, maar van aalmoezen, iets wat geheel iets anders is, en alzoo niet onder denzclfden regel valt.

Alleen ware hieruit af te leiden, dat men in het gemeen, nauwer banden heeft onder huisgenooten des geloofs, en alzoo, indien overigens alle dingen gelijk staan, verplicht is, aan hen in de eerste plaats te denken.

En wat het zeggen aangaat, dat men door geloofsgenooten, dat zijn dan hier kerkgenooten, te begunstigen, indirect de middelen sterkt, waaruit hulpe voor kerk en armen kan komen, zoo is dit slechts ten deele waar, en mist voor het andere deel zekerheid.

Zekerheid ontbreekt, want het is volstrekt niet bewezen, dat elk neringdoende pro rato zooveel meer voor kerk en armen geeft als hij meer ontvangt. Er zijn neringdoenden, die, toen ze ƒ 1000 'sjaars verdienden, voor kerk en armen samen ƒ 30 gaven, en die later, toen ze f 1500 'sjaars wonnen, precies hetzelfde bleven geven.

En ook is het slechts ten deele waar, dat men door zulk een begunstiging het inkomen der kerkgenooten stijft.

Er zijn toch voorbeelden genoeg, die toonen, hoe meer dan één, zonder zulk een begunstiging, ziende dat hij hierop noch leunen noch rekenen kan, juist daardoor geprikkeld IS, om zelf de handen uit de mouwen te steken, zijn fabrikaat en zijn bediening te verbeteren, en alzoo gekomen is tot een veel ruimere conditie, dan hij door die begunstiging zou verkregen hebben.

Al geven we dus in het gemeen toe, dat het geraden is, waar alle deze dingen gelijk staan, bij voorkeur de gunst van zijn klandizie aan zijn kerkgenooten te schenken, we keuren het af, zoo de neringdoenden zelven dit als eisch gaan stellen.

Tweeërlei denkbeeld staat hier tegenover elkander.

Eenerzijds de voorstelling dat we een aparten kring in de maatschappij vormen, en door over en weer elkander te steunen, in hoofdzaak uit eigen boezem ons bestaan moeten hebben.

Maar ook anderzijds de overtuiging, dat fabrikanten en neringdoenden hun aanbeveling in de uitnemendheid van hun producten, in de goedkoopheid van hun prijzen, en in de vlotheid van hun bediening moeten zoeken, opdat langs dien weg onze kerkgenooten het terrein hunner werkzaamheid verre buiten onzen kring kunnen uitstrekken, alzoo hoe langer hoe meer geld buiten onzen kring hebben te winnen, en daardoor onzen kring ook geldelijk hebben te verrijken.

Dit laatste nu was het stelsel onzer vaderen, en is stellig ook nu nog het eenig probate sys.teem.

Maar al kiezen we beslist voor dit laatste, veel meer belovende en veel sterker prikkelende stelsel, toch geven we tweeërlei toe.

Ten eerste, dat met name op dorpen de kring zoo klein kan zijn, dat het passeeren van zijn eigen geloofsgenooten stuitend wordt en zeer doet.

En ten andere, dat er gevallen zijn, waarin op dorpen onze geloofsgenooten, tSt wille van hun geloof, hun brood verliezen, en dat alsdan de roeping duidelijk spreekt, om hun dit lijden niet nog anderzijds te verbitteren.

Slechts zorgen de neringdoenden dan tevens, dat zij ook hunnerzijds hun klanten uit hun eigen kerk als geloofsgenooten behandelen, en niet denken gaan: Nu, die moeten vanzelf bij mij komen, voor hen komt het er dus minder op aan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 november 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Klandizie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 november 1897

De Heraut | 4 Pagina's