GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Het feit, dat enkele

Bekijk het origineel

Bladeren
+ Meer informatie

Het feit, dat enkele

10 minuten leestijd

Het feit, dat enkele leerlingen en oudleerlingen van het Gereformeerd Gymnasium te Amsterdam besloten hadden een min of meer publieke vertooning te geven in den Stadsschouwburg van het bekende stuk van Shakespeare Julius Caesar heeft niet weinig opspraak verwekt.

o Van liberale zijde werd dit pogen met n zekere warmte toegejuicht. Men zag er het bewijs in, dat het Calvinisme bezig was tegenover het tooneel van front te veran­ o deren. Werd vroeger de comedie als uit u den Booze verafschuwd, thans ging men zelfs in Gereformeerde kringen tooneelstukken opvoeren. Zoo werden de oude be­ c ginselen overboord geworpen, gelijk de Middelburgsche Courant schreef, en zette het scheepke een nieuwen koers in. Voor een deel was dit feit te danken, naar men meende, aan de vermeerderde belangstelling voor de kunst in Calvinistische gezinnen, voor een deel ook aan de poging om „alle terreinen des levens" te veroveren. We hadden thans een Gereformeerde tooneelkunst te wachten, en als de slagboom van het kerkelqke maar wegviel, was men van deze zijde tot hartel^ke saamwerking bereid.

En omgekeerd was er droefheid en ergernis in vele Gereformeerde kringen en liet pok de kerkelijke pers het niet aan zeer scherpe critiek ontbreken. Men sprak van Demas, die de wereld gelijkvormig werd; van een breken met de Gereformeerde puriteinsche zede; van een bedenkelijke beginselverzwakking in onze Gereformeerde kringen. En niet alleen het gymnasium, maar ook de Vrije Universiteit, ja de Gereformeerde Kerk te Amsterdam werd in deze zaak betrokken.

Nu ware het zeker beter geweest, teneinde een juist en billijk oordeel in deze zaak te vellen, dat men niet op een los krantenbericht ware afgegaan, maar eerst de feiten onderzocht had.

Men zou dan in de eerste plaats ver nomen hebben, dat de personen van wie het bedoelde plan uitging, zeker leerlingen en oud-leerlingen van het Gereformeerd gymnasium zijn, maar dat , daaruit geheel ten onrechte is afgeleid, dat het gereformeerde gymnasiasten zijn. Zooals men weet, staat ons Gereformeerd gym nasium open voor leerlingen van allerlei gezindheid en wordt zelfs geen roomsche of jood er afgewezen. Nu maakt de uitnemende naam, dien het gymnasium onder leiding van Prof. Woltjer verwierf, dat ook tal van niet-Gereformeerde ouders aan dit gymnasium de voorkeur geven. Vandaar dat het percentage van niet-Gereformeerde leerlingen zeer hoog is, in sommige klassen zelfs dat der Gereformeerden overtreft. Iets wat natuurlijk zeer te waardeeren is, om den goeden invloed, dien op deze jongelui kan worden uitgeoefend, maar ook tot groote voorzichtigheid manen moet, om niet wat enkelen dezer leerlingen doen, op rekening van het gymnasium te stellen Zijn we nu wel ingelicht, dan is het plan tot opvoering van dit tooneelstuk opgeko men in een vereeniging, die juist voor verreweg het overgroote deel uit deze nietgereformeerde jongelui bestaat.

E a in de tweede plaats spreekt het wel van zelf, dat noch de Rector noch de Cura toren aansprakelijk kunnen gesteld worden voor hetgeen de leerlingen van het gym nasium buiten de schooltijden doen; de verantwoordelijkheid daarvan berust bij de ouders. Het is dan ook zeer de vraag, of Curatoren het in hun macht zouden hebben gehad, een dergelijke opvoering te verbieden; ze konden alleen aan de ouders melden, dat zij zulk een opvoering afkeurden en de bijwoning ervan ontrieden, maar verder gaan konden ze niet.

Metterdaad is dit dan ook door Curatoren geschied, want zoodra hun bekend werd, dat deze gymnasiasten, tegen het hun gegeven advies in een publieke tooneèlvoor stelling in den Stadsschouwburg wilden geven, hebben Curatoren zich gehaast daarover publiek hun afkeuring uit te spreken. En dat zulk een zedelijke critiek vaak nog meer helpt dan een machtsverbod, is ook hier gebleken. De pers bracht toch toch reeds het bericht, dat de publieke uitvoering ntet zal doorgaan. De zaak is hiermede dus feitelijk de wereld uit.

Nu de feiten hiermede in juister licht zijn gesteld, zal men erkennen, dat noch van fróntverandering van het Calvinisme tegenover het tooneel, noch van bedenkelijke beginsel verzwakking in Gereformeerde kringen hier kan gesproken worden. De Rector en de Curatoren hebben openlijk het plan afgekeurd, zoodra het hun ter oore kwam. Onze bezwaren tegen het publiek tooneel zijn dus nog even ernstig en beslist als vroeger. En dank zij de critiek, juist van Calvinistische zijde geoefend, gaat de uitvoering niet door. -

Alleen zou de vraag kunnen opkomen, of Curatoren juist hebben gehandeld met aan deze gymnasiasten wel toe te staan, dat de opvoering van zulk een historisch drama in besloten kring zou mogen geschieden. Is hiermede niet afgeweken van de Gereformeerde zede, die het tooneelspel in eiken vorm veroordeelt.

Bij de beantwoording van die vraag mag m niet uit het oog worden verloren, dat onze L Gereformeerde vaderen steeds scherp h onderscheid hebben gemaakt tusschen s comedierertooningen in eigenlijken zin door c beroepsspelers gegeven, en tusschen de zoo­ b genaamde „schoolsche oefeningen", waarbij H leerlingen op een Latijnsche school tot oefening in de welsprekendheid een of ander m historisch stuk opvoerden. Het eerste werd! G ls ep zich zelf zondig en verkeerd beslist eroordeeld, maar het tweede achtte men p zichzelf niet ongeoorloofd, ook al was en niet blind voor de gevaren er aan erbonden.

Te Gecève werden zulke schoolstukken an ook meermalen gespeeld door de leer: ingen van de Latijnsche School, en gelijk it de registers van den Raad blijkt, weren deze stukken eerst naar Calvijn ter nzage gezonden, om den inhoud goed te euren. Dat Calvijn, die zeker niet vóór et publieke comediespel was, en zelfs het pvoeren van een Brjbekch drama door en der predikanten te Geneve vervaardigd, eslist afkeurde, tegen deze „schoolsche efeningen" bezwaar heeft gemaakt, blgkt iet.

Ook de Gereformeerde Kerken in Frankrijk ordeelden er niet anders over, gelijk blijkt it Art. 28 Cap. XIV van haar Kerkenurde, welk artikel aldus luidt: „Het zal ook niet geoorloofd zijn aan de geloovigen, omedies, tragedies enz. bij te wonen, .aan gezien dat van alle tijden onder de Christenen verboden is geweest, dewijl het eei bederf der goede zeden meeebrengt, inzon derheid wanneer de H. Schrift er in misbruikt wordt; evenwel, wanneer op een gymnasium het nuttig geoordeeld wordt vüor de jeugd, om een historisch stuk voor te stellen, zal men dit kunnen toelaten, mits ds stof daarvoor niet aan de Hei'ige Schrift ontleend is, die niet gegeven is om gespeeld, maar om gepredikt te worden, en voorts di!: ook zelden geschiede en alleen met advies van de Classis, die het stuk voorai zal inzien".

Maar ook al werden deze „schoolsche oefeningen", gelijk men ze noemde, niet „aU op zich zeiven kwaad en zondig" veroordeeld, toch toont reeds dit besluit dei E. ansche Gereformeerde Kerken, dat met hier groote voorzichtigheid noodig achtte. O > k onze Nederlandsche Synoden, die zicb meermalen met deze zaak hebben bezig gehouden, hebben het houden dezer oefeningen daarom eerder af-dan aangeraden Z JO bepaalde de Noord-Hollandsche Synode van Edam, 1586 gehouden, dat het gebruik der heidensche en schriftuurlijke comedies der Schoolmeesters van een iedere kerk, daar ze zijn of in gebruik mochten komen, zullen geweerd worden, en de Synode van Zuid-Holland in 1634 antwoordde op de v! aag of een rector van een triviale school onder voorwendsel van goede oefeningen de kinderen comedie mag leeren spelen, dat ze dit afkeurde, omdat in de comedies doorgaans Gods naam misbruikt en perso nen over den hekel gehaald worden. Utt deze btide besluiten blijkt, dat de afkeuring der jSy nodes niet zoozeer deze schooloefeningen op zich zelf gold, als wel de verkeerde stukken, die er opgevoerd werden.

Ook Voetius, die zeker meer dan iemand tegen de comedie gestreden heeft, verklaart zich in zijn beroemd tractaat de Comoediis, te vinden in zijn Disp. Sel. t IV p. 365, dat het opvoeren van historische drama's, welke de daden van dappere mannen en voorbeelden van heroïsche deugden als gerechtigheid, dapperheid enz. ons voor oogen stellen, wat den inhoud betreft, niet op zich zelf verkeerd of ongeoorloofd is, mits de dramatische wijze van opvoeren maar veranderd worde, d.w. z. dat er geen maskers bij gedragen worden, niet bij gedanst wordt, geen mannen in vrouwenkleederen optreden enz. Op deze wijze hebben sommigen, zegt hij, het drama op de scholen toegelaten als oefening der welsprekendheid.

Dat onze Gereformeerde practicijns in Ne derland toch, gelijk men bij Voetius en WittC' wrongel zien kan, deze schoolspelen in het algemeen ontrieden, was dan ook niet omdat ze op zich zelf zondig waren, maar deels om den verkeerden inhoud der stukken, die destijds op de scholen werden opgevoerd, deels om het gevaar van verleiding, dat er in school. Wie eenmaal, zoo merkten ze terecht op, door deze schooloefeningen den smaak beet kreeg van het tooneel, liep zoo licht gevaar, , later ook naar de publieke comedies te gaan. Het was daarom, gelijk zij het uitdrukten, veiliger en voorzichtiger deze sc!> .ooloefeningen achterwege te laten. Wilde men zich oefenen in de welsprekendheid, dan deed men beter met saamspraken of redevoeringen voor te dragen. Hierdoor werd aan niemand ergernis gegeven en het beoogde doei evengoed bereikt. Een raad, die zeker ook nu nog ernstige behartiging verdient. Al wat er toe zou kunnen leiden, dat onze Christelijke jongelui later tot het tooneelbezoek verlokt werden, dient liefst te worden gemeden.

Maar hoezeer ze hierbij ook tot voorichtigheid maanden, ze hebben er nooit an gedacht, deze schoolsche oefeningen et het gewone comediespel op één lijn e stellen. Wel is dit geschied — de historie erhaalt zich steeds — door de openbare voorstanders der comedie, zooals bijv. door ondel in zijn bekenden strijd met de predianten over het tooneel, waarbij men zich an op deze studentenspelen aan Gereforeerde scholen opgevoerd en soms zelfs oor Synodeleden van Gereformeerde kerken ijgewoond, beriep, om daaruit af te leiden, at het tooneelspel toch eigenlijk niet erkeerd was. Maar Petrus Wittewrongel ees dit argument terecht af met de vraag : Neemt al dat in eenige Scholen of Acaemiën cenige daden van voortrefTelijke orsten en hunne deugden tooneelsgewijze oor de studenten zijn vertoond geworden n dat de vermaarde professor Blondcl et de leden der Synode te Castres in inguedoc dit spel der Latijnsche scholieren eeft kunnen zien en hooren, wat gemeenchap heeft dit met de hedendaagsche omedies en tragedies, die op onze schouwurgen worden gespeeld ? " (Christelicke uqshoudiage ed. van 1661 Bd. IIp. 1091).

Deze enkele historische herinneringen ogen dienen om te doen zien, hoe onze ereformeerde vaderen over deze „school che spelen" hebben gedacht. Natuurlijk zou over de zaak zelve nog veel meer te zeggen zijn, wanneer we principieel op het vraagstuk van het tooneel wilden ingaan, maar dit laten we thans rusten. Ons doel was alleen om de historie te laten spreken. En in het licht van de historie gezien, schijnt het ons niet toe, dat er rechtvaardige aanmerking valt te maken op de handelingen van de Curatoren van het Gereformeerd gymnasium. Dat ze het publiek opvoeren van een tooneelstuk in een publieken schouwburg, al geschiedde dit niet door beroepsspelers maar door gymnasiasten, afkeurden, was volkomen juist; de grens tusschen „schoolsche oefening" en publieke comedie werd daardoor uitgewischt en de publieke opinie nam hieraan terecht ergernis. Maar' aan den anderen kant zal het ook begrijpelijk zijn, waarom'ze de opvoering in besloten kring van een historisch drama, tegen welks inhoud noch moreele noch religieuze bezwaren bestonden, niet hebben willen verbieden. Zulk een „schoolsche oefening" toch heeft met de eigenlijke comedie niets te maken en is door onze Gereformeerde Kerken nooit als op zich zelf zondig veroordeeld.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 september 1910

De Heraut | 4 Pagina's

Het feit, dat enkele

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 september 1910

De Heraut | 4 Pagina's

Bladeren