GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Bezwaarden over en onder de Synodocratie»

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Bezwaarden over en onder de Synodocratie»

14 minuten leestijd

3

Van 1902 af tot September 1944 heeft de oude Wachter geleefd en gewerkt. Meermalen was het ongetwijfeld het meest gelezen kerkelijk orgaan. Steeds koerste het - al geschiedde dit nu eens met grooter dan weer met geringer stuurmanskunst - in dezelfde richting. Na het heengaan van den solieden Bos kwam de redacteursstaf in de handen van den vromen en geleerden Doekes. Zooals vanzelf sprak, verscheen hij, evenals Ds Bos-van-na-1902, nooit op een Generale Synode. En eindelijk, als laatste, nam Ds Rietberg plaats in den . redacteursstoel van den voor-oorlogschen Wachter.

Hoe de houding van „De Wachter" was in den aanvang van de kerkelijke crisis van de laatste tien jaren is bekend. Ds Rietberg voerde vlot zijn pen. Nimmer boog hij toen den nek onder Kuyperiaansche heerschappij van-wat-voor-soort-ook. En naast hem werkte Ds Feenstra. Had hij niet als een der eersten den reformatorischen kijk op doop en verbond gepropageerd?

Maar nu is „De Wachter" „vrijgemaakt"!

En zéér, zéér velen van de Wachter-mannen eveneens. Was na jarenlang geconcentreerd Wachter-onderwijs iets anders te verwachten?

Wat nu? Ja, er is een gereïncarneerde „Bazuin". Daar schrijven ook allemaal „SchooF'-menschen in. Maar nóch Ds Rietberg, nóch Ds Feenstra zitten in de redactie en ze hooren ook niet tot de medewerkers.

Niet gevraagd?

Geweigerd?

Hoe dit ook zij — het hoeft niet te verwonderen, dat de oude redacteuren van „De Wachter" niet op „De Bazuin" mogen of willen of kunnen blazen. Zeker, „De Bazuin" wil „liefde" voor de , , school" onder de broederen opwekken. Ze doet daartoe trouw haar best. Maar als men een paar nummers gelezen heeft, merkt men het heel goed: het lukt niet erg, er zit geen „vuur" in. Het blad is een tikje zeiu-ig en ook een beetje „would-be". Van spontaneïteit is geen sprake. Het vonkt niet!

Nu is dat „De Bazuin"-mannen niet kwalijk te nemen. Ik geloof dat ze wel beter willen, maar dat ze niet anders kunnen en mógen! Men voelt dat zoo aan, als m.en let op het comité dat in him buurt werd opgericht tot steimverleening aan de nieuwe Theologische Hoogeschool in Kampen.

Wonderlijk is dat eigenlijk! Ja, vroeger was er ook wel zoo iets. Maar ja, toen waren er een massa menschen — men zegt: zelfs ondef de Curatoren! — die de School liever vandaag dan morgen wilden opheffen. ^) Zou dat nu misschien nóg zoo zijn? Ja, het is wonderlijk! Natuurlijk moesten de met moederlijke liefde bezielde en vaderlijk krachtig beschermende curatoren (dat woord wil immers, overgezet zijnde, zeggen: verzorgers) de School zóó steunen, dat van zoo'n „extra steun" geen sprake hoefde te zijn. Ik geloof, dat, als ik curator was, ik me een beetje in mijn wiek geschoten zou voelen, als ik van zoo'n comité hoorde. Maar goed: het comité is opgericht en het heeft zich bij de Curatoren aangediend. Men heeft natuurlijk vriendelijk met elkaar gesproken, bedoelingen gewaardeerd, liefde geprezen, enz. Maar toch, — een kind merkt het — héélemaal boterde het niet. Na „indringende en langdurige" besprekingen heeft namelijk het Curatorium het volgende besluit genomen:

„Het Curatorium der Theologische Hoogeschool heeft met belangstelling kennis genomen van het initiatief der broeders van het bovenvermeld Comité, is zeer gevoelig voor de blijken van him liefde voor de Hoogeschool, beveelt hun aan ernstig rekening te houden met de bezwaren, die in de curatorenvergadering met de comitéleden werden besproken, en zou gaarne zien, dat de broeders zich bij hun arbeid beperken tot zakelijke doeleinden, als de vermeerdering van het aantal studenten, eventueel de financiering van hun studie, het steun verleenen aan „De Bazuin", enz.".

Als men dit stukske overleest voelt men onmiddellijk: hier wringt wat. Dit is niet spontaan, niet enthousiast. Dit komt niet lijnrecht uit den grond van het hart. Er waren „bezwaren" bij de curatoren tegen de voorgenomen steunplannen. En de broeders hebben de boodschap meegekregen daar „ernstig" rekening mee te houden. Men zou bijna, ondeugend, willen vragen: zouden die mannenbroeders het gewaagd hebben om nu, nu dat gevaar — met vele andere — voorgoed bezworen scheen, tóch nog weer

over het promotierecht te beginnen? Zouden ze zóó naïef en dom en recalcitrant zijn geweest? Het is bijna niet te gelooven. Ja, als dat zoo was, dan is het geen wonder, dat de curatoren en hoogleeraren in hun hart heel erg en in hun woorden een béétje boos wer­den!

Hoe dit ook weer zij: de steun-biedende broeders mogen nu hun best doen om de school aan studenten, de studenten aan geld en „De Bazuin" aan abonnementen te helpen. Ongetwijfeld een loffelijke bezigheid. Maar ik vrage: kan men nu daarvoor in vuur raken ?

En daar komt nóg wat bij! Er zijn onder de Schoolmannen geloof ik, óók nog wat bezwaarden. En wees in dat geval maar eens enthousiast vóór het huidige „nieuwe" Kampen! Want waar men ook bezorgd over moet zijn in de gebonden Gereformeerde Kerken — niet hierover, dat de studenten van „de Oldestrate" in Kampen niet gepokt en gemazeld zouden worden in de praeadvisiale theologie en de hiërarchische kerkregeering! Althans — laat ik dit er aanstonds bijvoegen •— wat het hun gegeven onderwijs betreft! Wat dat betreft is de zaak volkomen gezond! De geest van Lindeboom en Greijdanus, om er maar een paar te noemen, is daar werkelijk grondig verdwenen.

Hoe dit ook alles weer zij: er zijn nog Wachtermannen onder de synodocratie. En onder hen staan, krachtens hun antecedenten. Ds Rietberg en Ds Feenstra vooraan. Het echte „Kampen" zijn ze kwijt. Volkomen en voorgoed. En de gang van zaken in hun kerken is zóó geweest, als ze het in hun benauwdste nachten nimmer konden droomen. De meesten van him oude medestanders zijn bovendien „vrijgemaakt". Ze zijn nagenoeg de laatsten der Mohikanen onder de synodocratie.

Een geheel andere nuance onder bezwaarden vormt de breede phalanx dergenen, die gegrepen werden door de Wijsbegeerte der Wetsidee.

Ik wil eerlijk zeggen, dat mij, nu ik over hen in dit verband moet schrijven, een diepe weemoed vervult!

Want de oprichtingstijd van die Vereeniging leeft in schitterenden glans in mijn herinnering.

Wat was het toen heerlijk!

Overal werkte Gods Geest.

Och neen, er gebeurde eigenlijk niets „bijzonders". Alleen sprong voor heel velen de Schrift open! Het was alsof Gods liefdevolle hand het stof der Scholastiek en mystiek, piëtisme en allerlei ander subjectivisme en individualisme op zijn Woord had gehoopt, wegvaagde, zoodat het weer begon te klinken in klare klank en te lichten als een vuurtoren in een donkeren nacht.

Overal werkte de HEERE.

In Groningen verwekte God den onvergelijkelijken Anko Scholtens. In zijn innigen omgang met de Schriften was voor hem gaan leven wat gelóóven is: het directe steunen óp en leven uit het woord van God. En hij verstond weer, dat Gods woord een belofte woord, een genade woord is, dat steeds actueel en direct door God wordt gesproken. Hij ontdekte toen als vanzelf dat een zelfonderzoek, dat zich tusschen het gelooven en de zekerheid des heils, tusschen het gelooven en Christus of diens woord inwringt, een onding is, dat èn het geloof én het woord Gods denatureert en het leven des geloofs in den wortel aantast. Door zijn trouwen dienst zijn de oogen van velen in het Noorden opengegaan voor het reformatorische sola fide. En vooral de machtige stem van Douwe van Dijk droeg dezen ouden en altijd nieuwen schat in de harten van duizenden!

In Biggekerke werkte Janse rusteloos en in stilte. God opende zijn hart voor de concrete taal van de Heilige Schrift. Hij hoorde inderdaad den Heiligen Geest spreken midden in het leven en de worsteling — de „concrete situatie" — zijner dagen: actueel, aan-grijpend, oordeelend, verlossend. Hij ontving in groote mate de gave van de onderscheiding der geesten. In één ruk, met een bonzend hart lazen we „Van de Rechtvaardigen" en we wisten het feilloos zeker: Ja, zoo spreekt de Schrift, zóó wil zij zijn verstaan. Met vaste hand schetste hij figuren als Karl Barth, Mussolini, Ghandi, Lenin, — eerder, scherper, raker en vooral: geestelijker dan iemand anders in Nederland.

En in Amsterdam preekte De Graaf! Van hem ging misschien meer en dieper invloed uit dan van een der Amsterdamsche professoren in de theologie. Hij preekte in en uit en over Cïods verbond. Hij preekte de universeele verlossing in Jezus Christus. Hij preekte het léven, het waarachtige leven, zooals dat in Christus mogelijk en werkelijk is geworden. Door zijn dienst wierp God inderdaad „vuur op de aarde". We verslonden zijn preeken!

En dan was er Schilder. Wij, jongeren, volgden hem, in adembenemende spanning, als een gids, die ons in stomme verbazing liet staren in diepten van Gods openbaring, als waarvan we nimmer hadden gedroomd. Hij bracht — we ervoeren dat als een bevrijding — het hopeloos verstarde denken over kerk, verbond, gemeene gratie en cultuur weer met forschen greep op gang. Bovenal brandde hij het in onze gewetens in, dat we in kerk en koninkrijk Gods leven in het klimaat van de Bergrede! Dat dus ons ja ja, en ons néén, néén moest zijn, omdat wat boven die uitgaat van den Satan is. Hij bezwoer ons, dat we de kerk van Christus en het kerkelijke woord weer ernstig zouden nemen. En — wat méér is — hij leefde ons dat vóór. Scherp. Recht op den man af. Nooit met een slag om den arm. Nooit met nevenbedoelingen. Wars van alle diplomatie en camouflage. Met al zijn liefde en haat, kennis en scherpzinnigheid, stond hij fel, brandend, hartstochtelijk in het gespannen en bewogen leven van die dagen. Signaleerend, kritiseerend, electriseerend. En we wisten het: wat hij zegt is oer-gereformeerd. We geloofden Dooyeweerd, wanneer hij ons telkens weer verzekerde, dat Schiders werk voluit reformatorisch was!

En — last not least — spraken, leerden en schreven Vollenhoven en Dooyeweerd. Niemand, niemand van hen, die de jaren 1926 niet doorleefden, kan zich een voorstelling vormen van wat hun arbeid, speciaal voor de toenmalige studentengeneratie, beteekende.

We leefden toen in een tijd waarin het criticism.e en relativisme in theologie en philosophic nog hoogtij vierden. De besten worstelden er tegen in, want ze voelden: het gaat voor de kerk en ons zelf om leven of dood! Maar ze konden er in hun wérk, hun studie, niet tegenop. De leiders peilden het gevaar niet. Ze waren, geheel onbewust, dikwijls zelf geducht in de strikken van allerlei synthese met de ideeën van hun doodsvijanden, verward geraakt. Een verlammend defaitisme maakte zich van groote groepen meester. Geraffineerd psychologisme verwoestte in velen de kracht en de glans van het kinderlijk geloof. Historisme, zich concretiseerend in allerlei pluriformiteitstheorie, relativeerde de majesteit van het woord en . den ernst van de kerk. De ethicistische religiositeit van de N.C.S.V. infecteerde de geheele studentenwereld. Men schaamde zich bijna gereformeerd te zijn. We hebben toen bovendien een Saul-en-David-affaire beleefd! Het kon voorkomen, dat een groote massa V.U.-studenten in vuur raakte en demonstreerde voor het negativisme, dat de inzet was van het Geelkerken-conflict. Op een congres werd in die dagen onder auspiciën van een zich gereformeerd noemende studentenbeweging het levenswerk van Kuyper afgekraakt en Hartogiaansch idealisme uitgevent. Bovendien stootte toen reeds een opkomende geest van verburgelijking, verstarring en politiseerende verwereldlijking in de leiding der Gereformeerde wereld fijne en scherpe geesten van zich af.

En midden in die crisis traden VoUenhove en Dooyeweerd pp. Wat moet het geweest zijn tóen aan hun voeten te mogen zitten. Wij, Kamper studenten, „maakten" hen van uit de verte „mee". We grepen naar alles wat we van hen, mondeling of schriftelijk, te pakken konden krijgen. We hoorden hen en werden geheel voor hen gewonnen op de studentencongressen van Lunteren. Ik zal God altijd dankbaar zijn voor wat Hij daar aan ons heeft gegeven! Een nieuwe wereld ging voor ons open. Het nummer van Antirevolutionaire Staatkunde — het eerste van het jaar 1928, ik weet het uit het hoofd, — waarin Dooyeweerd de prolegomena van de Wijsbegeerte der Wetsidee voor het eerst publiceerde, staat nog stuk gelezen in mijn kast.

Wat was het alles wonderlijk, heerlijk, bevrijdend. We hadden niet begrijpend, angstig opgekeken naar een Gods Woord en Zijn Kerk intens vijandige wereld. We doorzagen haar niet. We doorleefden in benauwenis haar felle dreiging. We wisten in haar wirwar geen weg! En toen trok op eens een nevel op. Het schouwspel bleef aangrijpend ernstig, angstaanjagend, vol verholen en openbare vijandschap tegen God en Zijn Christus. Maar nu zagen en doorzagen we wie die vijand was en waar zijn zwakke plekken zaten. We aanschouwden de leugen in zijn werk, zijn systeem. We ontdekten daarbij in ontroering en vreugde niet maar alleen de mogelijkheid — die hadden Kuyper en Bavinck ons reeds getoond — maar ook de werkelijkheid van een waarlijk christelijke, schriftuurlijke filosophie. En we ervoeren welk een groote kracht en rijkdom zij vormde in de worsteling der geesten.

En toen zijn we aan 't werk gegaan, wij jongeren. We preekten en spraken en schreven wat we konden! We erkenden het als onze roeping dat, wat God ons had laten zien, aan zijn volk bekend te maken. Om dat te steunen in zijn strijd! Om het de werkelijke vijanden te toonen! Om het te verlossen van de verstikkende banden van scholastiek, mystiek, piëtisme en zooveel meer! We worstelden om het te leiden tot het blijde en overwinnende leven des geloofs.

Aan „macht", „bezetten van posten", „invloed" — we dachten er niet aan! Aan gekonkel, geknoei, conspiratie — wat werd en wordt het ons vaak in de schoenen geschoven — hebben we ons. God weet het, nooit schuldig gemaakt. We waren wat dat betreft volkomen argeloos. We vonden het alleen een onzegbaar wonderlijk voorrecht zóó den HEERE en zijn Woord te mogen kennen, de situatie van Kerk en wereld zóó scherp te mogen doorzien en dan dat alles te mogen doorgeven aan een dankbaar en dankend volk!

Het was wel zwaar de — ik zeg dat in vollen ernst — goddelooze polemiek van H. H. Kuyper c.s. te moeten verduren. Het was bitter door Hepp te worden gewond. En het was nog bitterder dat velen hen nog serieus namen! Maar: there was a job to be done! We wisten ons geroepen.'En we baden om maar één ding: trouw te mogen zijn in onze roeping in de alles doordringende, geestelijke crisis, welke toen reeds een bijkans planetair karakter begon te vertoonen. Wat heeft het ons aangegrepen zoo vele eerlijke broeders in een scholastieke plunje, verlamd door allerlei subjectivistische invloeden hulpeloos te zien rondscharrelen in een schokkende wereld en een in haar grondvesten krakende en bewogen kerk.

Ja, wat was het toen heerlijk. Wat is er rijker dan in ware „gemeenschap" Gods genadegaven te mogen ontvangen en verwaardigd te worden daarvan de „bedienaars" te zijn „ieder in zijn eigen orde".

Aan al deze dingen denk ik, hu ik over de mannen van de Wijsbegeerte-der-Wetsidee in hun kwaliteit van , , bezwaarden" moet schrijven.

Ze werden en waren en zijn dat op een geheel andere wijze dan de Wachtergroep. „Bien étonnés de nous trouver ensemble", hebben ze over en weer dikwijls, innig gemeend, tegen elkaar gezegd. Toch begrepen ze elkaar wonder goed enkele jaren geleden. Leefde in de Wachter-mannen vooral de traditie der Afscheiding, welke zich steeds tegen kuyperiaansche en aanverwante speculaties had verzet, in de menschen van de Wijsbegeerte der Wetsidee groeide dit verzet tengevolge van een doorbraak der calvijnsche

schriftuurlijkheid ook in het wijsgeerige denken. En zoo kwamen de Afgescheidenen en VoUenhovianen wonderlijk dicht bij elkaar. En de ontmoeting was hart-elijk. Ik heb het zelf beleefd en me er innig over verheugd. Er was geen zweem van berekening bij. Een groot deel der Wijsbegeerte-der-Wetsidee-ërs is evenwel „bezwaard" gebleven. Het zal de moeite waard zijn ook deze bezwaardheid wat van naderbij te bekijken. We vragen vanzelf: hoe is ze ontstaan; hoe wordt ze doorleefd; welke perspectieven heeft ze?

En tenslotte is er de gesloten colonne der friesche predikanten. Het was een formatie stoottroepen — zorgvuldig blijvend binnen de demarcatie-lijn van het bezwaarden-territoir! Maar ze waren daarbinnen zonder twijfel de matadors. Toen anderen de wapens strekten en de bezwaardheid pro-memorie in hun levensboek opnamen, bleven zij doorvechten. Gelukkig voor hen is hun colonne zeer gedund! Velen hunner werden uit den staat van bezwaardheid bevorderd tot dien der vrijheid! Quis non gaudet?


1) Er zijn steeds mannen geweest, aldus Ds Bos, die er „op uit waren, om de Theol. School te verzwakken" „Dat is een feit. Weten wij uit de geschiedenis der opleiding sedert 1886 tot en na 1892 daarvan niet genoeg ? Was het niet altijd door het streven van die mannen, om de Theol. School weg te krijgen? " De Wachter van 6 Febr. 1906.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 21 juni 1947

De Reformatie | 8 Pagina's

Bezwaarden over en onder de Synodocratie»

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 21 juni 1947

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken