GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Maria, de moeder van onzen Heere Jezus Christus

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Maria, de moeder van onzen Heere Jezus Christus

5 minuten leestijd

(VIII)

VI. DE VOORZEGGING VAN SIMEON.

Jozef en Maria gaan op den 40sten dag na de geboorte van Jezus naar Jeruzalem, „opdat zij Hem den Heere voorstelden" (Luc. 2 : 22).

Jezus moest daar als eerstgeborene worden gelost en voor Hem moest het reinigingsoffer worden gebracht.

Bij die gelegenheid heeft Simeon zijn bekenden Lofzang gezongen.

Na dien lofzang heeft hij over hen den zegen uitgesproken.

En dan valt het op, dat hij speciaal het woord richt tot Maria, Zijn moeder: „Zie, deze wordt gezet tot een val en opstanding van velen in Israël, en tot een teeken dat wedersproken zal worden (en ook een zwaard zal door uw zelfs ziel gaan) opdat de gedachten uit vele harten geopenbaard worden (Luc. 2 VS 34 en 35).

De vraag kan worden gesteld: waarom heeft Simeon met deze voorzegging zich alleen tot Maria gewend?

Prof. Greijdanus merkt op: Waarschijnlijk omdat Jozef reeds overleden zou zijn, wanneer gebeuren zou, wat Simeon hier profeteerde. Bij 's Heeren optreden na Zijnen doop (3 : 21—23) hooren wij nimmer melding maken van Jozefs aanwezigheid of doen, doch wel van die Zijner moeder"^).

Ook maakt hij hierbij nog de opmerking:

„Bij Maria's naam nog weer: Zijn moeder, omdat het juist in die hoedanigheid was, dat zij getroffen zou worden" 1).

In het voorafgaande hebben we er al den nadruk op gelegd, dat Maria haar plaats heeft in de geschiedenis des heils in den staat van Christus' vernedering. De miskenning van Jozef en de achteruitzetting in Nazareth waren daar al het bewijs van. Maar hier wordt dit voor het eerst aan Maria in het Woord gezegd. Zij wordt er bij bepaald, dat het leven van haar Zoon zal staan in het teeken van strijd. Daarvan had Maria ook in haar lofzang al gesproken. „Hij heeft machtigen van de tronen afgetrokken en nederigen heeft Hij verhoogd. Hongerigen heeft Hij met goederen vervuld en rijken heeft Hij ledig weggezonden" (Luc. 1 : 52, 53). Maar de Messias wordt hier enkel gedacht als overwinnaar. En bij de vijanden wordt alleen gedacht aan vreemde verdrukkers. Evenwel nu blijkt, dat ook lijden over den Messias komen zal. En de tegenstelling, die Hij oproept, zal door Israël zelf heengaan. Hij zal niet alleen zijn tot een opstanding voor velen, maar eveneens tot een val. Hij zal tot een teeken zijn, dat wederspróken zal worden.

Simeon spreekt er van, dat er een zwaard door haar ziel zal gaan.

De vraag is, hoe we dit moeten uitleggen. Zal datgene, wat Jezus wordt aangedaan, Maria op het diepste wonden? Of moeten wij denken aan wat Jezus zelf door Zijn woord Maria zal aandoen? Zooals wij lezen in Hebr. 4 : 12: Want het Woord Gods is levend en krachtig en scherpsnijdender dan eénig tweesnijdend zwaard, en gaat dóór tot de verdeeling der ziel en des geestes en der gewrichten en des mergs, en is een oordeeler der gedachten en der overleggingen des harten".

Ds B. W. Ganzevoort zegt o.m.: „Maria zelf zal meer dan eens moeten ondervinden, dat zij in Jezus' werk zich niet als Zijn moeder mag doen gelden, maar alleen de Vader dat werk bepaalt*).

Daarentegen zegt Godet: „Het beeld van het zwaard komt beter overeen met een plotselinge en hevige smart als die van het schouwspel van het kruis" *).

smart als die van het schouwspel van het kruis" *). Het lijkt me toe, dat het een van het ander moeilijk gescheiden kan worden. Ongetwijfeld zal Maria groote smart hebben, als ze ziet, wat haar Zoon wordt aangedaan, maar eveneens zal zij moeten leeren haar plaats en taak in het koninkrijk Gods. Zij wordt in haar leven telkens en telkens weer herinnerd, dat de wegen van haar zoon anders zijn dan haar wegen. Zijn gedachten hóóger dan haar gedachten.

Het zal goed zijn, dit nu reeds, in verband met de plaats, die bij Rome aan Maria wordt toegekend, scherp in gedachten te houden. Het zal ons blijken, dat Rome zich voor haar Marialeer inzonderheid op de overleyering beroept. Een beroep op de overlevering kan niet zonder meer worden afgewezen. We weten niet uit den Bijbel b.v. dat Lucas de schrijver is van het Evangelie en de Handelingen. Dat bö dit is weten wij uit overlevering. Maar dat is geen reden om zijn auteurschap disputabel te stellen. De instelling van den Zondag en den doop der kinderen worden ons niet met zooveel woorden in de Schrift geleerd. Maar uit de geschiedenis blijkt, dat deze spoedig een plaats hebben ontvangen in de Kerk des Heeren.

Daarin is geweest de leiding van den Heiligen Geest. Evenwel trekt de Heilige Geest de lijnen nimmer buiten het Woord. De overlevering moet altijd hieraan gemeten en hiernaar beoordeeld worden, of zij zich verdraagt met de lijnen, die in de Schrift worden getrokken. Als het blijkt, dat de overlevering feiten noemt, instellingen geeft, die met het Woord niet in overeenstemming zijn te brengen, dan moet de overlevering wijken voor het Woord, dat is het zwaard des Geestes. De geschiedenis van de Kerk is niet alleen de geschiedenis van de leiding des Geestes, maar verhaalt ons ook van het bedroeven van den Geest. Daarom moet men zeer voorzichtig zijn met het beroep op den Geest. In het laatste kerkelijke conflict hebben we nog weer eens gezien hoe gevaarlijk dit is. Wij zullen in de behandeling van de plaatsen, die in de Schrift over Maria spreken, zien, dat deze plaatsen steeds tot inhoud hebben, het onderscheid van Maria's gedachten en Jezus' arbeid te markeeren. Heel de gedachtengang van Rome, dat Maria als moeder van den Heere Jezus eerder toegang heeft tot Hem, dan de gewone geloovigen is aan het Evangelie ten eenenmale vreemd. De Mariabeschouwing van de Roomsche Kerk is in het licht van de Heilige Schrift niets anders dan de systematiseering van Maria's zwakheid en zonde. Het zwaard, dat Maria's ziel heeft doorboord, kwam niet slechts van de vijanden, maar ook van den Heere, was niet slechts een beproeving van haar gelóóf, maar ook een kastijding voor haar zonde.

K. MEIMA.


1) a.w. I, p. 132.

2) a.w. I, p. 132.

3) a.w., p. 25.

4) a.w. I, p. 117.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 3 februari 1951

De Reformatie | 8 Pagina's

Maria, de moeder van onzen Heere Jezus Christus

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 3 februari 1951

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken