GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

DE „VALSE LEERUITSPRAKEN” (I)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE „VALSE LEERUITSPRAKEN” (I)

20 minuten leestijd

In verband met de beslissing van de synode van Kam. pen om niet door middel van synodale deputaten samen te spreken met de gebonden leerken doet een bewering opgeld, waaromtrent we nog een paar opmerkingen willen maken.

Die bewering is deze: De synode der vrijgemaalcten spreekt van „valse leeruitspraken". Maar dat is dwaasheid. Dat kan ze niet menen. Want toen de leerultspraken In 1942 waren uitgevaardigd schreef Prof. Veenliof een zeer waarderend artikel daarover in „De Wachter"! En zou nu opeens vals zijn wat vroeger werd geprezen? Dat kan eenvoudig niet. De kerkelijke ellende is daarom ook niet door die leeruitspraken ontstaan. De oorzaaJc Ugt ergens anders. Die leeruitspraken heeft men er maar bijgesleept. Het is onwaarachtig als men die er nu bij haalt en ze zó typeert.

In deze geest spreekt men. Speciaal Prof. Grosheide liet zich in „Belijden en Beleven" op deze wijze uit.

We willen graag op deze kwestie ingaan. We zijn zelfs zeer dankbaar, dat het schrijven van Prof. Grosheide ons de gelegenheid biedt de hier In geding zijnde feiten te memoreren.

Om evenwel in deze de waarheid goed te leren zien moeten we beginnen met een beetje geschiedenis. En wel met die van „rondom , , 1905" ".

Het is bekend, dat Prof. Lindeboom zich heel zijn leven scherp verzet heeft tegen de leer van de veronderstelde wedergeboorte!).

Wil men deze professor in dit opzicht goed verstaan, dan moet men nauwkeurig overwegen welke motieven hem daarbij leidden.

Het is immers zó, dat Lindeboom streed op twéé fronten.

Enerzijds had hij te maliën met de in sommige kringen der afgescheidenen heersende verregaande miskenning van de doop. Deze speelde immers bij zeer velen in het leven des geloofs practisch geen rol.

En anderzijds vocht Lindeboom tegen de theorie van

Kuyper, dat de belofte des verbonds alléén aan de uitverkorenen toekomt; dat dus alleen de uitverkorenen In het verbond zijn opgenomen; dat de doop een specifieke „genade" schenkt; dat de doop ook verzegeling is van wat reeds in het hart van de dopeling is gewerkt; dat de veronderstelde wedergeboorte de geestelijke grond voor de doop is; dat de wedergeboorte zonder het gepredikte woord wordt gewerkt en dat we het er nu voor moeten houden, dat de kinderen des verbonds reeds wedergeboren zijn.

Tegenover de miskenning van de doop bij velen accen. tueert Lindeboom dan met klem het grote voorrecht, de grote genade, welk in de doop aan de dopelingen wordt geschonken. Hij wijst er met nadruk op, dat de doop de verbondsbelofte welke aan alle bondellngen wordt geschonken, ook aan allen verzegelt. In dit verband spreekt hij er ook wel van, dat men de kinderen moet houden voor wedergeborenen, voor gelovigen enz. Maar bij dit „houden voor" wil Prof. Lindeboom ledere gedachte aan een werkelijk veronderstellen van een werkelijk reeds geschiede wedergeboorte radicaal afsnijden. Deze constructie wijst hij steeds met scherpe woorden af. Zijn spreken over „houden voor" is niet meer dan een formulering van een practische gedragsregel, dus van dat wat men wel „bejegeningsnorm" noemt.

Tegenover Kuyper poneerde Lindeboom met alle kracht, jaren en jaren lang, vooral deze stelling, dat de doop niet betekent en verzegelt, , , wat in den doopeling aanwezig is df voorondersteld wordt aanwezig te zijn, maar de beloften van het Genadeverbond, in het Evangelie geopenbaard" 2) Zoals bekend is heeft Lindeboom met zijn collega Prof. Noordtzij en vele predikanten en ouderlingen deze stelling aan het gereformeerde volk bekend gemaakt als de 'kern van zijn bezwaren tegen de leerconstructie van Dr Kuyper en de zijnen.

Met alle nadruk wil ik nu er op wijzen, dat we in deze stelling met het hart van Lindeboom's sacramentsopvatting hebben te doen. En deze sacramentsopvatting, waarin hij trouw zijn leermeester in de dogmatiek Prof. Helenius de Cock navolgde, heeft Ltadeboom gedurende geheel zijn leven vastgehouden en beleden 3). En wie met dit feit niet rekent komt steeds tot een mistekenlng van wat Lindeboom wilde.

Zoals we reeds zeiden richtten Prof. Lindeboom en de zijnen zich publiek met hun bezwaren tegen Dr Kuyper's opvattingen. Hij deed dat in de hoop, dat de kerken er daardoor toe zouden gebracht worden haar bezwaren tegen Kuyper's constructies bij de synode van 1905 in te dienen.

Dit geschiedde.

En Lindeboom roerde zich in deze zaaJc geducht. Op 29 Augusfpus 1905 — men houde deze datum goed vast — schreef Lindeboom b.v. aan deze synode: „In de „Vijf Stellingen" heb Ik met 41 andere broeders de Kerkeraden en de leden der gemeente opgewekt, tegen de daarin bestreden leeringen op te komen. Mochten wij dat niet doen? Moeten wij zwijgen, omdat zij die eene leer voorstellen, welke o.i. niet in de Belijdenisschriften wordt geleerd, verzekeren, dat hunne gevoelens liggen binnen de grenzen der Belijdenisschriften? Dat mogen wij niet; omdat naar onze overtuiging die leeringen anders zijn dan de leer, welke door de Gereformeerde Kerken wordt beleden, van andere grondstellingen uitgaan, en tot een van de confessioneel-Gereformeerde leer verschillend stelsel behooren." •*)

Ik geef hier dit lange citaat om goed te laten voelen met hoe krachtige overtuiging en hoe grote ernst Lindeboom Kuyper's standpunt bestreed en het eigen, alleen confessionele, inzicht verdedigde.

Op 1 Sept. 1905 — men lette weer op de datum — begon de synode van Utrecht met de bespreking der „leergeschillen". De synode komt dan evenwel niet verder dan tot het aanhoren van het rapport en ze besluit dat te laten drukken s) De bespreking van het rapport zal 6 September beginnen. S) Op die dag stelt Prof. Lin-

deboom voor enkele wijzigingen in het concept vsm de voorgestelde „Korte verklaring" aan te brengen, om het „ook hem mogelijk te maken, met een goede en onbezwaarde conscientie en een blij en dankbaar hart de verklaring aan de Kerken voor zijn rekening te nemen en daarnaar zich te gedragen".

De zaak wordt dan weer naar de Commissie verwezen. Bij de hervatting van de bespreking in de avondvergadering blijkt, dat de commissie aan de wensen van Prof. Lindeboom zéér ver is tegemoet gekomen en als nog een paar wijzigingen zijn aangebracht, verklaart Prof. Lindeboom zich thans met hetgeen de commissie voorstelt te kunnen verenigen. ')

Met deze feiten voor ogen overwege men nu nog eens de situatie.

Jaren en jaren lang had Prof. Lindeboom gewaarschuwd, gepleit, geageerd tegen de genoemde Kuyperiaanse stellingen. Jaren en jaren lang had hij het tiitgeroepen met alle macht: de sacramenten verzegelen niet iets dat in de sacramentsgebruikeTS aanwezig is of verondersteld wordt in hen aanwezig te zijn, maar aUeen de belofte des verboncls die aan aUe Idnderen des verbonds toekomt.

Ten slotte. was het Prof. Lindeboom gelukt de zaak op de synode te krijgen. Prof. Lindeboom was daar de aanklager, de beschuldiger, de verontruste.

Op de synode komt een verklaring welke ten doel heeft de verontruste consciëntien gerust te stellen en om alle eenzijdigheid in het voorstellen van sommige leerstukken te voorkomen.

Prof. Lindeboom hoort dat aan.

Met grote spanning wacht men af wat hij nu zeggen zal.

De kerkelijke pers uit 1905 wijst daar met alle nadruk op!

Zal Lmdeboom bevredigd zijn?

Neen, dan moet het ergste worden gevreesd! Hij sprak duidelijke taal, een goede week geleden nog, op 29 Augustus!

Eln dan staat Lindeboom op en zegt: dat en dat zou ik gaarne veranderd hebben. Dat zegt hij op 6 Sept. Op diezelfde dag beraadslaagt de commissie nog. En nog tn de avondzitting van diezelfde dag, als men Lmdeboom is tegemoet gekomen valt de beslissing, s)

Nu willen wij aan iedere eerlijke beoordelaar van dit gebeurde vragen:

Is er zo iets van wat Lindeboom jarenlang had gepredikt door deze synode veroordeeld?

Bestaat het, dat met name Llndeboom's hoofdstelling Inzake de verzegeling der sacramenten door de Synode zou zijn afgewezen?

Zou dat geschied zijn na een discussie van een paar uur, waarin die stelling zelfs niet ter sprake Itwam? Zou dat gebeurd kunnen zijn één week nadat Lindeboom plechtig aan de synode bezwoer, dat hij om Gods wil bezwaar moest maken tegen Kuyper c.s. ?

Indien dit zou gebeurd zijn door de Korte Verklaring van „1905", indien enkele figuren dit zouden hebben bedoeld, mdlen zij listig de korte verklaring z6 zouden hebben geformuleerd, dat deze veroordeimg feitelijk toch wèl zou zijn geschied, zou dat zo'n verachtelijke kerkpolitieke manipulatie zijn geweest, dat ze de bedrijvers als immorele mdivlduën zou diskwalificeren.

Maar, als men dit zou hebben gewild en feitelijk gedaan, zou Lindeboom dan gezwegen hebben?

Is Lindeboom een man geweest van zulk een kaliber, dat, als hij veroordeeld was geworden en als hij die veroordeling had moeten incasseren, Iiij die zou geaccepteerd hebben met de pose van: „als dat en dat veranderd wordt ; ben ik gecontenteerd" ? Is Lindeboom een exemplaar van dat dubieuze mensengenus, dat de kunst verstaat van het faire bonne mine a mauvais jeux?

We weigeren op grond van de duidelijke feiten, op grond van het respect voor de synode, er ook maar één moment aan te geloven, dat Lindeboom ook maar in één opzicht — en dus zeker Met in zijn hoofdstelltag — door de synode van 1905 zou zijn aangetast, laat staan veroordeeld.

En we concluderen, dat de stelling, dat de sacramenten NIET iets verzegelen dat ia de sacramentsgebruikers aanwezig Is, of verondersteld wordt ta hen aanwezig te zijn, maar de aan alle bondellngen gegeven belofte, volledig door de synode van 1905 in prediking en onderwijs werd vrijgelaten.

Dat zó mderdaad de door de synode van 1905 geschapen situatie was, blijkt bovendien overduidelijk uit een massa andere, onweerspreekbare feiten.

Immers ook na 1905 wordt Llndeboom's hoofdstelling in de Gereformeerde Kerken open en duidelijk en onweersproken geleerd.

Een man als Ds Th. Bos, die aan de zijde van Prof. Lmdeboom vooraan stond ia de strijd rondom „1905", schreef na 1905 woorden als deze: De doop „verzegelt niet wat in ons Is maar hij verzegelt de beloften, aan ons en aan onze kladeren gegeven. Wie zegt, dat de Sacramenten verzegelen wat in ons is, en de waarheid en nuttigheid van den Doop dsiarvan laat afhangen, wordt Doopersch, en zou veiliger gaan, met den Doop te wachteni tot dat voor het aanwezig zijn van de Inwendige genade meer bewijzen werden gegeven "^). Uit de omschrijvingen van de belijdenis, catechismus en doopsformulier blijkt volgens Ds Bos „duidelijk genoeg, dat de Gereformeerden naar de Schrift gelooven en belijden, dat (in den doop) beteekend en verzegeld worden de beloften van het genadeverbond. Dus wat de Heere ons toezegt in het Evangelie. Niet dus wat in ons is, maar wat aan ons toegezegd is"io). gn ^^je de els stellen „dat leder die gedoopt zal worden wedergeboren moet zijn, of (zoals de Synoden van 1942/43 dat deden — CV.) althans van ieder gedoopte ondersteld moet worden wedergeboren te zijn" leidt volgens Ds Bos aan „misverstand" of draaft door „in eenzijdige richting" n).

In de voorgaande artikelen wezen we er voorts op, dat wat Lindeboom als kern van de sacramentsleer zo na aan het hart lag, ook na 1905 door mannen als Ds C. Lindeboom, Ds v. de Vegt, Dr Zuidema, Ds Feenstra en Ds J. W. de Jager werd voorgestaan en geleerd. En vroeger deden we hetzelfde ten aanzien van Ds Rietberg, Prof. Vollenhoven, Dr Sietsma, Ds J. H. Spier, Ds Dolleman, Ds A. S. Timmer 12).

Ea er is evenwel nog meer te noemen.

Een boek als de Gereformeerde Geloofsleer van Prof. Heyns, waarin met klem en zéér breedvoerig wordt betoogd dat de verbondsbelofte volkomen gelijkelijk aan alle bondelingen wordt geschonken en dat de doop alléén, maar tegelijk ook ten volle, aan alle dopelingen Gods verbondsbelofte verzegelt, virerd met een warm gestelde voorrede als , , gezond gereformeerd" door Prof. Bouwman bij het gereformeerde volk mgeleidis). En Prof. Grosheide recenseerde het als een boek dat , , Inderdaad Gereformeerde Geloofsleer" geeft zonder een woord van crltiek op dat punt^*). Prof. Bouwman verklaarde later: „Van een kind, dat uit geloovige ouders, d.w.z. in de kerk van Christus, geboren wordt, weten wij dat de beloften Gods ook hem gelden, en daarom behoeven we niets te veronderstellen bij den doop, maar wij weten, dat het kind onder de belofte ligt, omdat God ons daarvan de verzekering gegeven heeft. Niet alleen aan sommige kinderen, maar aan alle kinderen komt de belofte toe" 15).

De conclusie uit het bovenstaande is onweerlegbaar deze, dat de hoofdstelling van Lindeboom: de doop ver. zegelt niet wat in de dopeling aanwezig is, maar de beloften van het Genadeverbond, die in het Evangelie wordt geopenbaard, welke belofte aan alle dopelingen toekomt — ook na 1905 volkomen vrijheid hield op het Gereformeerde erf!

Nu is er reeds dikwijls van verschillende zijden terecht op gewezen, dat de formule van 1905, als men haar strikt logisch interpreteert, Inderdaad de veronderstelling van een in de dopelingen aanwezige wedergeboorte leert. Men leest immers in de aanvang daarvan , , dat volgens de Belijdenis der Kerken het zaad des verbonds krachtens de belofte Gods te houden is voor wedergeboren en in Christus geheiligd".

En voorts werd er ook op gewezen, dat deze formule behoorlijk rammelt, omdat in de „kop" daarvan wordt betoogd, dat men de kinderen moet houden voor wedergeboren, terwijl in „de staart" wordt opgemerkt, dat het volstrekt onbekend is wanneer God de uitverkoren kinderen des verbonds wederbaart. Waaruit natuurlijk moet voortvloeien dat men daaromtrent dan ook geen enkele veronderstelling moet maken.

Het is goed om met het oog op deze kwestie, welke voor de bepaling van de strekking van de verklaring van 1905 zo belangrijk is te luisteren naar wat Ds J. van Dijk en Ds G. Janssen in hun fijne, helaas weinig bekende brochure: „De lijn der Afscheiding verlaten" meedelen.

Wij lezen daarin het volgende:

, , Nog kort voor zijn dood deelde Dr S. O. Los in Schildwolde op een bijeenkomst mede, hoe hij den avond na de vergadering der Synode in 1905, waar deze verklaring was aangenomen, had doorgebracht bij Prof. Bavüick en hoe hij Bavinck gevraagd had: „hoe konden jullie je toch laten verleiden, om zulk een verklaring aan te nemen? " „Och, je begrijpt wel: vergaderingsmentaliteit", had Bavinck geantwoord, , , je wordt op het laatst vermoeid en geeft dan wel eens meer toe, dan je achteraf had willen toegeven. Maar die eerste clausule over dat houden-voor-wedergeboren is ook niets anders dan bejegeningsnorm: wij willen bij het opgroeien wel wat goeds van onze kinderen denken, en zij bezitten de wedergeboorte immers in de belofte. Maar wat die inwendig-ontvangen-genade-theorie betreft, die is immers geheel verworpen in de tweede clausule: het is minder juist, dat de grond van den doop is de veronderstelde weder, geboorte; de grond van den doop is het bevel en de belofte Gods. Bovendien: het is ook niet meer dan een verklaring, een pacificatie!""!'').

Deze mededeling heeft daarom te meer waarde omdat zij, wat de materiële inhoud betreft, geheel en al klopt met wat Prof. Bavinck vlak vóór de synode omtrent de veronderstelde wedergeboorte geschreven had in zijn , .Roeping en Wedergeboorte"!'). En met wat door Prof. Bavinck geleerd wordt inzake de objectiviteit en de realiteit der sacramenten. Deze handhaaft Bavinck Immers met alle kracht. Al hangt de werking van de sacramenten zo betoogt hij, van het geloof der sacramentsgebruikers af, de objectiviteit en de realiteit daarvan staan steeds onwrikbaar vast. Die zijn volkomen onaantastbaar. Noch de gesteldheid van de bedienaren, noch die van de gebruikers der sacramenten kunnen daar iets af of toe doen.

„Objectief blijft de band voor woord en sacrament met Christus bestaan; want die band is door God zelven gelegd". „Wie het sacrament geloovig ontvangt, ontvangt den ganschen Christus met al zijn weldaden en goederen. Wie daarentegen het sacrament versmaadt, versmaadt daarmede Christus zelven". Christus wordt „wel ter dege objectief, waarlijk en ernstig aan alle gebruikers van het sacrament aangeboden" is).

Van belang is ook wat de genoemde predikanten in hun brochure meedelen omtrent het oordeel van Prof. Honig over de verklaring van 1905. Een oordeel dat zeer vele leerlingen van Prof. Honig uit zijn mond hebben gehoord.

Zij vertellen, hoe Prof. Honig , , op het dogmatiekcollege op onze vraag: „Professor, hoe konden ze toch in 1905 zulk een dwaae verklaring aannemen: je moet de kinderen houden voor wedergeboren, totdat het tegendeel blijkt, aan het begin, maar aan het eind: die wedergeboorte kan plaats hebben voor, onder of na den doop? Dat is toch een Innerlijke tegenstrijdigheid? " — antwoordde: „Och, mijne heeren, het is ook maar een pacificatie-formule, niet meer. Men wilde bij elkaar blijven". „En", zoo vroegen wij verder, „waarom staat daar in die tweede clausule dan: het is minder juist, dat de doop geschiedt op grond van de onderstelde wedergeboorte, dat moet toch zijn „onjuist" ? Het antwoord van Prof. Honig luidde: „Zeker, dat had er ook moeten staan. Maar vergeet niet, in welk jaar deze formule geconcipieerd werd. Het was 1905. De groote Kuyper was juist gevallen als minister, en werd met laster en hoon achtervolgd. En de Synode wilde hem nu niet nog meer in een hoek zetten door te verklaren: het is onjuist" li"). Dat de Korte verklaring van 1905 taderdaad niet als

een confessionele uitspraak, doch slechts als een pacificatie-formule werd gezien, blijkt misschien wel het allerduidelijkst uit het volgende.

In het begin van de tweede wereldoorlog nodigde Prof. Dr H. H. Kuyper een paar Chr. Geref. predikanten uit om met hem en Prof. Grosheide te beraadslagen over een eventuele hereniging van de Geref. en Chr. Geref. Kerken. Zoals vanzelf spreekt, betoogden de Chr. Geref. predikanten, dat van zo'n hereniging nooit sprake zou kunnen zijn, indien de korte verklaring van 1905 gehandhaafd bleef.

Wat toen geschiedde beschrijft Ds R. E. Sluiter, één van de Chr. Geref. predikanten, welke aan deze samenspreking deelnamen, in een brief aan Ds A. P. Lanting d.d. 17 October 1945, aldus: „Ongeveer drie a vier jaar geleden heeft Dr H. H. Kuyper tot mij gezegd bij een samenkomst te zijnen huize in Den Haag: , , Als de Chr. •Gereformeerden met ons Gereformeerden vereenigen willen dan behoeft „1905" geen struikelblok te zijn, want •dan nemen wij dat direct terug, aangezien wij daar heelemaal geen belang meer bij hebben". Prof. Grosheide, daarbij tegenwoordig, heeft dit toen mede bevestigd".

Men moet de betekenis van deze uitspraak van de Professoren Kuyper-Grosheide niet onderschatten!

In de laatste jaren werd zeer zeker wel meer beweerd, •dat de verklaringen van 1905 en 1942 hun betekenis hadden verloren en dat de gereformeerde kerken zich daarvan konden distanciëren. Maar men zei dat op grond van de overtuiging, dat de materiële inhoud daarvan door alle leden van die kerken werd aanvaard en dat iedereen overtuigd was, dat die „materiële inhoud" reeds ten volle in de belijdenis was uitgedrukt. Een expresse fixatie daarvan in een aparte leeruitspraak was dus niet langer noodzakelijk.

In de bewering van de genoemde professoren hebben we evenwel met iets geheel anders te doen!

Deze werd immers uitgesproken voor vertegenwoordigers van kerken, die zich van de aanvang af met alle macht tegen de verldaring van 1905 hadden verzet en deze als in strijd met de confessie steeds radicaal hadden verworpen! "Wanneer deze professoren daarom tegen de christelijke gereformeerden en hun kerken de boven geciteerde verklaringen afleggen, heeft deze een gans andere strekking! Zij betekent — indien ze oprecht gegeven werd en daar mogen we niet aan twijfelen — een duidelijke verzekering, dat men de daarin geformuleerde , , leer" niet als confessioneel-bindend beschouwt. Zij betekent niets minder dan een formeel en materieel prijsgeven van „1905"!

Maar zouden deze hoogleraren zo hebben gesproken, indien zij van oordeel waren geweest, d3, t „1905" ten volle een confessioneel.bindende uitspraak was? Zouden een paar hoogleraren soms zo maar, op eigen houtje, 'n stuk belijdenis prijsgeven?

Natuurlijk niet: zij spraken zó, zij konden zó alleen spreken, omdat ze in de overtuiging leefden: de korte verklaring van 1905 is g-een belijdenis-geschrift, ze is alleen een pacificatie-formule, die kan worden weggedaan, indien een pacificatie niet meer nodig is! En die zelfs MOET worden weggedaan, indien ze een pacificatie — b.v. tussen Gereformeerden en Chr. Gereformeerden b.v. •—• in de weg zou staan!

Is het met al deze feiten voor ogen niet volkomen gerechtvaardigd, als we beweren, dat de verklaring van 1905 niet als een confessionele verklaring werd opgevat en dat de mhoud daarvan niet als allen bindende kerkleer werd beschouwd?

Hoe een paar jaar later, mede onder leiding van de genoemde professoren, door een synode van de gereformeerde kerken van dezelfde verklaring van 1905 kon worden uitgesproken, dat ze een vertolking was van een „goddelijke waarheid" en dat ze tot ledere prijs moest worden gehandhaafd, blijft één van de vele raadselen, waarvan de afschuwelijke historie van het kerkelijk conflict van 1943/46 zo vól is.

Wat we zo omtrent de verklaring van 1905 vonden kunnen we als volgt samenvatten:

lo. Wie de kerk-historische situatie rondom 1905 objectief en eerlijk beziet moet toegeven, dat de stelling van Prof. Lindeboom, de echt-reformatorische stelling, deze n.l. dat de sacramenten niet iets verzegelen dat in de sa«raments-gebrulker aanwezig is —• wedergeboorte, inwendige genade o.i.d. •— MAAR de aan de kinderen der gelovigen gelijkelijk geschonken belofte van het genadever. bond, volledig rechtsgeldigheid behield in de gereformeerde kerken.

2o. Dat van een strikte eis om de kinderen des verbonds te houden voor kinderen die reeds wedergeboren zijn of anders zeker wedergeboren zullen worden ook geen sprake was. Men leze slechts de oordelen van Ds Th. Bos en Prof. Bouwman dienaangaande.

3o. Dat het voor wedergeboren houden der kinderen, waarover „1905" spreekt, algemeen als de formulering van een gedragsregel, van een bejegeningsnorm werd opgevat, zonder dat men dit voor wedergeboren-houden accepteerde als de exponent, de consequentie, de concretisering van de leer, dat de doop aanwezige inwendige genade, of een alleen aan de uitverkorenen toekomende belofte verzegelt.

4o. Dat de Korte Verklaring van 1905 algemeen niet als een in de kerken langzaam gegroeide, na langdurige voorbereiding emdelijk zorgvuldig geformuleerde belijdenis-uitspraak werd opgevat, doch alleen als een pacificatie-formule ter geruststelling van conscienties, ter afsnijdmg van eenzijdigheid in de voorstellmg van tepaalde leerstukken en zo tot bewaring van eenheid en rust 20).

5o. Dat deze verklarmg wel is waar zacht, maar tegelijk ook nadrukkelijk een aantal specifiek kuyperiaanso opvattingen afwees.

6o. Dat men evenwel, bij eeu niet met de historie rekenende, strikt logische, mterpretatie van de uitspraak van 1905 inzake de onderstelde wedergeboorte, daarta inderdaad de eis tot een werkelijk houden van alle kmderen der gelovigen voor reeds wedergeboren kinderen kon lezen. In dat geval dook evenwel onafwendbaar de scherpe tegenstrijdigheid op tussen „kop" en „staart" van deze uitspraak, waarover boven werd gesproken.


1) Zie hierover , .Rondom „1905" ", Hoofdstuk I, 3. G en II, 5, 7, 8.

2) „Vijf stellingen", p. 17.

3) Reeds in 1895 schreef Lindeboom: „Dit is de vraag: Of het sacrament des Doops een teeken is van Gods Verbond, óf van iets dat tn den doopeling is". IJndaboom kiest dan resoluut voor toet eerste. Zie „De Roeper", 18 April 1895. , ..., .

4) Acta, p. 184.

s) Acta, art. 124.

0) Acta, art. 132.

^) Acta, art. 149.

8) Acta, art. 157. De discussie over deze zaak moet wel zeer kort zijn geweest, want op dezelfde dag wordt n.b. ook de zaak van het bekende gravamen tegen Art. 36 aan de orde gesteld en , , na een uitvoerige en ernstige bespreking" afgehandeld!

9) De Wachter, 14 Jan. 1910.

10) De Wachter, 9 Dec. 1911.

11) De Wachter, 16 Aug. 1907.

12) Zie „Om de Unica Catholica" passim.

13) W. Heyns, Gereformeerde Geloofsleer^, Sneek 1927, voorrede.

") De Heraut, 4 Dec. 1927. 15) Christelijke Êncyclopaedie, Kok, Kampen, I, p. 631.

16) a.w. p. 19.

i') zie: p. 132 v.v.

IS) Gereformeerde Dogmatiek 3, IV, p. 532/5.»

19) a.w. p. 19.

20) Ook Dr B. Wielenga wijst er nadrukkelijk op, dat de verklarmg van 1905 m werkelijkheid een compromis is geweest. Br zijn z.i. duidelijk sporen van een toegeven uit liefde, zonder gelijkwaardige overwinning van het waarheidslicht, Gewenschte Vertroosting, p. 20/1.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 12 januari 1952

De Reformatie | 8 Pagina's

DE „VALSE LEERUITSPRAKEN” (I)

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 12 januari 1952

De Reformatie | 8 Pagina's