GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Aandiling dan het Jaarderslag der Drije Unidersiteit.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Aandiling dan het Jaarderslag der Drije Unidersiteit.

20 minuten leestijd

Toen ons blad in het nummer van 7 Juli 1895 het Jaarverslag van de Vrije Universiteit opnam, oordeelde onze redactie dat het kiescher was, het bezwaarschrift van de heeren Ds. Langhout c. s., hoezeer dit tot het corps van het verhandelde behoorde, wel te vermelden, maar niet in te lasschen.

Thans echter, nu de binnenskamersche onderhandelingen van de Enquête-commissie met den heer Lohman, door hemzelven hangende het onderzoek, publiek zijn gemaakt, en in deze publicatie ook bovenbedoeld stuk is opgenomen, valt weg wat ons dusver van publicatie terughield, en dient derhalve onzerzijds het nog altoos onvolledige Jaarverslag te worden aangevuld.

Het stuk was van dezen inhoud:

Aan de Algemeene Vergadering der Vereeniging voor Hooger Onderwijs op gereformeerden grondslag, te houden te 's-Gravenhage op Donderdag 27 Juni 1895.

De ondergeteekenden, allen leden der vergadering van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op gereformeerden grondslag, zouden het niet zeer natuurlijk achten, indien in deze vergadering geen woord gesproken werd over zeker gerezen vermoeden, dat de naleving van Art. 2 onzer Statuten reden tot bedenking geeft.

Het bestaan van zekere spanning op dit punt, in de Pers reeds uitgesproken, behoeft hier te minder verzwegen te worden, nu de hoogleeraren (zie Verslag blz. XXI) dit zelven erkennen in de woorden: $ ontwaard hebbende, dat in den kring van de vrienden der Vrije Universiteit onzekerheid is gerezen, of wel alk onderwijs in hare scholen beantwoordde aan Art. 2 der Statuten" en nu H.H. Directeuren dit punt uitvoerig in hun verslag behandelen (Verslag bl. XX— XXII),

Nu zullen alle leden onzer vereeniging, en wel allermeest de hoogleeraren, de curatoren en de directeuren onzer Vrije Universiteit zonder twijfel met ondergeteekenden oordeelen, dat onze Hoogeschool op het punt der naleving van Art. 2 der Statuten, hetwelk alle onderwijs bindt aan de gereformeerde beginseien, zelfs niet verdacht moet kunnen worden, dewijl het hier hare eere geldt in den eigenlij ksten zin deswoords; de eere ook der belijders van de gereformeerde religie, aan wier belijdenis Art. 2 der Statuten zich bindt, en die daarom aan deze Hoogeschool hand en hart geven. De eere geldt het hier niet minder van de mannen die aan deze Hoogeschool arbeiden, en die wat hun beginselen en hun ton derwijs aangaat, het vertrouwen van het gereformeerde volk in den lande niet kunnen missen. Maar het geldt hier boven alles de eere van Hem, die ons de gereformeerde beginselen door de opening van Zijn heilig Woord geleerd heeft en wiens eere in de uitwerking dier beginselen in het onderwijs onzer Hoogeschool gezocht moet worden.

De gerezen onzekerheid moet daarom naar het oordeel van ondergeteekenden, op het punt waarop zij bestaat, zóó radicaal worden weggenomen, dat de hoogleeraar, omtrent wiens onderwijs twijfel rees, geheel en volkomen van elke verdenking gezuiverd worde, of wel dat, zoo er eenig kwaad mocht blijken te bestaan, de eisch van Art. 2 der Statuten gehandhaafd worde.

Wanneer dan ook ondergeteekenden in deze vergadering er, hoe noode ook, nochtans om der conscientie wille toe komen, om hunne ongerustheid uit te spreken met betrekking tot het onderwijs van Prof. Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman, plaatsen zij zich daarbij, gelijk het behoort, op het standpunt, dat ook óver het onderwijs van genoemden hoogleeraar geen ander dan een goedkeurend oordeel mag gaan, zoolang het tegendeel niet gebleken is. Maar verschijnselen, dte aangaande het onderwijs van dien hoogleeraar twijfel wekten, behooren dan ook onderzocht te worden, en ondergeteekenden achten, dat de verklaring van hoogleeraren (zie blz. XXI van het verslag) niet van de verplichting tot zoodanig onderzoek kan ontheffen.

Onderscheidene zulke twijfel wekkende verschijnselen nu deden zich naar het oordeel van ondergeteekenden voor op enkele waarvan zij meer in het bijzonder de aandacht hunner medeleden vestigen.

ie. In de jaarvergadering te Groningen in 1892 is door Prof. Lohman blijkens het dertiende jaarverslag blz. XLII woordelijk het volgende beweerd: »de colleges, die men met het oog ïop de examens bezoekt, komen met het geloof »in geenerlei aanraking; daarin wordt alleen »de geschiedenis en het verband van tal van «wetsbepalingen uiteengezet. Evengoed als een »ongeloovige ons de wetten, welke in de physsieke wereld gelden, of de indeelingen, die de jmensch op het gebied van botanie of anatomie «pleegt aan te nemen, kan uitleggen, kan een jongeloovige ons vertellen, welke is het verband »der wetsbepalingen, die betrekking hebben op »het huwelijk, den eigendom, de overeenkomsten ïof grondwettige instellingen." Prof. Lohman «verklaarde blijkens genoemd verslag dan ook »dat er «niets van aan" is, «dat de hoogleeraren «aan de openbare universiteiten zich schuldig «maken aan de bestrijding van den Christus."

Bij een schrijven dd. 4 Oct. 1892, opgenomen in De Heraut No. 773 verklaart de hoogleeraar Lohman van de vakken: eiicyolopaedie der rechtswetenschap, grondbeginselen der StaathiUshoudkun.de, het Strafrecht en het Nederlandsch Staatsrecht het volgende: «Op de vier «door mij genoemde colleges kan zonder eenigen «twijfel ook eenige tijd aan filosofische beschou-«wingen worden gewijd. Evenwel zeer weinig, «juist omdat ook in die vakken het onderling «verband der wetsartikeleii steeds op den voor-«grond treedt. De hoogleeraar moge enkele «colleges wijden aan een zeer cursorische mede-«deeling van enkele rechtsphilosofiën, geheel de «aandacht en bijna al de tijd wordt gewijd aan «de kennis van het positieve recht; de kennis «van onze Staatsinstellingen en van de bepalingen «en beginselen van ons Strafwetboek." En m no. 775 van de Heraut zegt de hoogleeraar: «het is ten eenenmale onmogelijk, de vakken ^waarvan ik in mijn rede en in mijn, brief heb ^gesproken, goed te doceeren, en daarbij reije-«ning te houden met de diepere beginselen des «rechts."

«Op die colleges komt niet het recht, maar «alleen de wil van den wetgever ter sprakereen «zuiver menschelijke ordening, enkel uit positief-«rechterlijke gegevens kenbaar. Voor zoover ons «recht gecodificeerd is, — en dit is met bijna «geheel ons recht het geval, — is op die colleges «de eenige taak van den rechtsgeleerde, de be-«ginselen van die codificatie te vinden en uiteen «te zetten. - "Noch Gods Woord, noch eenige sphilosofische beschouwing kan daarbij van in-»vloed zijn. Brengt men die daarbij te pas, dan «gaat men buiten zijn eigenlijk onderwijs."

Indien ondergeteekenden niet onjuist zien, dan oordeelt de hoogleeraar Lohman dus, dat het op de colleges te geven onderwijs in het verband der genoemde wetten en staatsinstellingen en in de beginselen van het Strafwetboek, het onderwijs dus in het Staatsrecht en in het Strafrecht, — de vakken, die aan Prof. Lohman ter onderwijzing zijn opgedragen, — met de belijdenis of bestrijding van den Christus, met den grondslag van beginselen in het algemeen, en dus ook met den grondslag der gereformeerde beginselen niets te maken heeft. De grondslag der Gereformeerde beginselen heeft volgens Prof. Lohman voor het onderwijs in deze vakken geene beteekenis. Zulke vakken worden naar de verklaring des hoogleeraars in de Heraut van 16 Oct. 1892 aan onze Vrije Universiteit alleen onderwezen' «omdat er anders niet één enkel student in de «rechtsgeleerdheid bij ons zal komen studeeren." En blijkens verklaring in datzelfde nummer van de Heraut is volgens Prof. Lohman «de «mogelijkheid dan ook niet uitgesloten, dat de «stichting van onze juridische faculteit eene ver-«gissing geweest is."

Om al deze redenen meenen ondergeteekenden, dat er grond bestaat voor het vermoeden, dat ook het onderwijs van Prof. Lohman in het Staatsrecht en in het Strafrecht er niet op zal zijn aangelegd, om geheel en uitsluitend op den grondslag der gereformeerde beginselen te staan. En dat daarom onderzocht behoort te worden of onze vereeniging met betrekking tot dit onderwijs in hare Universiteit aan den eisch van Art. 2 harer Statuten voldoet. ,

2e. Blijkens de achtereenvolgende jaarverslagen onzer vereeniging en de regeeringsverslagen over het onderwijs, die ons zeggen, wat op zijne colleges over het Staatsrecht door Prof. Lohman behandeld is, heeft deze hoogleeraar wel onderwijs gegeven in het voor ons vaderland thans geldende Staatsrecht, waarbij tegelijkertijd zekere critiek op onze staatsinstellingen is uitgeoefend; maar colleges in het Staatsrecht, gelijk dit uit de gereformeerde beginselen in algemeenen zin is op te bouwen werden door Prof. Lohman niet gegeven. Dit Calvinistische Staatsrecht is voor de juridische studenten onzer Vrije Universiteit als systeem niet in boeken te vinden. Het is in vroeger eeuw wel practisch beleefd, maar nooit als stelsel uiteengezet. Dit voor het eerst te doen is blijkens Art. 2 der Statuten juist een deel der taak van onze vereeniging. En tot dusverre ontvingen onze studenten in de rechten hierin nog geen onderwijs.

Aan deze opmerking zij nog een tweede toegevoegd. Dat ondergeteekenden zich niet wel kunnen voorstellen, hoe critiek van uit het Gereformeerde of Calvinistische Staatsrecht op het Staatsrecht van ons land'kan worden uitgeoefend, - indien het Staatsrecht, dat tot critiek in staat zal stellen, niet vooraf in samenhang ingedacht en uiteengezet is.

Het ontbreken van zoodanig onderwijs in het Staatsrecht, waarbij het Gereformeerde Staatsrecht als zoodanig en als stelsel in zijn samenhang wordt uiteengezet, doet na zoo tal van jaren naar het oordeel van ondergeteekenden de vraag rij sen, of ten opzichte van h; t .onderwijs in het Staatsrecht wel aan Art. 2 der Statuten voldaan is.

3e. In het jongste jaarverslag op blz. LXV wordt meegedeeld, dat Prof. A. F. de Savornin Lohman in den cursus, die voorafging, behandeld heeft «de beginselen van ons Staatsrecht, szooals die zijn nedergelegd in de Grondwet en «andere organieke wetten en deze steeds getoetst «aan de beginselen van het Antirevolutionair «Staatsrecht."

Dit lezende vragen ondergeteekenden zich af, of Art. 2 van de Statuten het onderwijs dan uitsluitend en geheel wil doen rusten op de Antirevolutionaire beginselen; en daar dit niet zoo is, scheen liet hun vreemd toe, dat in een officieel verslag het woord « Gereformeerde", hetwelk door onze Statuten is aangegeven, vervangen is door het woord t Antirevolutionaire".

Dit zou echter minder bezorgdheid hebben gewekt, indien duidelijk gebleken ware, dat de hoogleeraar Lohman het woord ^Antirevolutionair" zóó. verstond, dat het eensluidend voor hem was met « Gereformeerd" of » Calvinistisch". Het tegendeel schijnt echter eerder het geval te zijn. De hoogleeraar Lohman is hoofdredacteur van het dagblad «De Nederlander", en nog onlangs, zoo vóór als na de verklaring der hoogleeraren van 22 Maart 1895 (in het verslag op blz. XXI abusievelijk als 22 Maart 1894 vermeld), is in het dagblad «de Nederlander" eene vrij warme polemiek gevoerd tegen hen, die «antirevolutionair" hier te lande als eensluidend met «Calvinistisch" wilden doen gelden. Men mocht volgens den redacteur van genoemd dagblad niel zeggen, dat «antirevolutionair" hetzelfde was als «Calvinistisch"; of als men dit zeide, was de vraag wat «Calvinistisch" is, te beoordeelen naar het antirevolutionair program.

Zoo zocht »de Nederlander" de opvatting van «Andrevolutionair" als «Calvinistisch" in haar nummer 420 met een woord van Groen van Prinsterer uit zijne laatste levensdagen te verzwakken.

In No. 426 gaat die verzwakking nog verder door de bewering, dat Groen, als hij op de , Calvinistische reformatie wijst, «eenvoudig wijst «op een historisch feit, op onze geschiedenis, gwaarmeê hier te lande ieder, ook de Lutheraan, «ja ook de Roomsch-katholiek te rekenen heeft, «en — zoo hij verstandig is — ook rekent." Tegenover de revolutie plaatste Groen van Prinsterer niet het Calimiiame maar het Evangelie, zoo spreekt de IVed. in dit no. 426 en citeert daarbij, «dat het antirevolutionair beginsel geen ander is dan het Christelijk beginsel." En in No. 483 (29 April 1895) worden nog eens voor het staatkundig terrein de tegenstellingen «Calvinistisch of niet-calvinistisch", «gereformeerd of niet-gereformeerd" verworpen en geconcludeerd «niet calvinistisch . . . maar anti-revolutionair".

Ondergeteekenden meenen uit een en ander te moeten afleiden, dat, wanneer de hoogleeraar Lohman de wetten toetst aan het «Antirevolutionaire Staatsrecht, " er grond is voor de vraag, of deze hoogleeraar in zijn onderwijs aan den eisch van Art. 2 der Statuten beantwoordt.

4e. Te ernstiger wordt die vraag, wanneer ondergeteekenden letten op sommige publieke uitlatingen van den hoog.leeraar Lohman uit den laatsten tijd, die de bron van hét recht zelve raken.

Zoo gevoelen zij zich gedrongen de aandacht te vestigen op de beschouwing, voorkomende in No. 513 van de Nederlander in een stuk getiteld «Kerk en politiek". Gewezen wordt daarin op het voorbeeld van een landman, die niet aan Gods Woord, maar aan de wetten der natuur vraagt, hoe hij ploegen en zaaien moet, en die nu van achteren, als de koeien op Zondag toch melk geven, de verzorging van die melk met het Sabbatsgebod in verband heeft te brengen. Met een beroep op dat voorbeeld wordt dan de stelling verkondigd, dat zoo ook bij de Staatsrechterlijke en Staathuishoudkundige vraagstukken te werk moet worden gegaan naar de zekere wetten, volgens welke zich eene historische verschijning ontwikkelt, terwijl dan die wetten, nadat ze in staat en maatschappij zelve gevonden zijn, met Gods Woord in verband zijn te brengen. Woordelijk heet het daar: «Maatschappij en «Staat worden niet opgebouwd naar stelsels uit «het menschelijk brein voortgekomen; zij zijn «historische verschijningen, die zich ontwikkelen «naar zekere wetten, en die wetten kunnen, «evenals die der natuur in haar gewone werking «door menschelijk overleg een weinig worden «gewijzigd ; die ter zijde stellen kan men niet... «Hij, die de maatschappelijke wetten opspoort, «heeft ze met de uitspraak van Gods. Woord in «verband te brengen".

De ondergeteekenden spreken niet zonder bekommering, maar toch met bescheidenheid uit, dat deze beschouwing hun voorkomt heel iets anders te zijn dan die van een Staatsrecht en Staathuishoudkunde, die geheel en uitsluitend rusten op den grondslag der gereformeerde beginselen; heel iets anders dan wat onze Vrije Universiteit overeenkomstig Art. 2 onzer Statuten, uit Gods Woord aan de verderfelijke pantheïstisch naturalistische rechtsfilosofie van onzen tijd heeft over te stellen.

Ook nog op een ande^ bepaald punt, waarover de hoogleeraar Lohman in de Nederlander zich uitliet, eischt de conscientie van ondergeteekenden en het recht der gereformeerde beginselen eenige bedenking. Wij bedoelen de artikelen over de ^ö(7/2Jf/ra/in «de Nederlander" van 18 en 19 September 1894. De schrijver verklaart daar, dat hij de beantwoording van de vraag: of God de doodstraf gewild heeft voor alle «volken in alle tijden" wenscht uit te stellen, «totdat eenmaal de Overheid weer tot het rechte «inzicht komt, dat straf is vergelding." Dat antwoord staat volgens den schrijver niet vast. Wel zou hij «op invoering van de doodstraf aandrin-«gen" wanneer deze straf «alleen verdedigd werd «door hen, die gelooven aan goddelijke inzet-«tingen", omdat «die wederinvoering dan toch «bewijzen zou, dat men tot de erkenning en «eerbiediging dier inzetringen terugging". Slechts uit utUiteitsredenen zou de schrijver dan voor weder-invoering van de doodstraf pleiten. Een grond, die ons nu juist niet naar den grondslag der gereformeerde beginselen heenwijst. Uit overtuiging komt de schrijver niet voor de doodstraf op. Die overtuiging bestaat bij hem niet, gelijk blijkt uit de toegevoegde woorden: zelfs al «koesterden wij eenigen twijfel, of God nu juist «deze wijze van strafoefening voor alle tijden en «volken heeft vastgesteld". De Schriftuurplaats Gen. 9 : 6, door de Gereformeerden steeds in verband met Rom. 13:4 erkend als een goddelijk gebod voor de overheden in alle tijden, waarbij de doodstraf verplichtend gesteld is, zet de schrijver op zijde met de opmerking: wij «meenen, dat men het bekende woord uit Genesis «zeer bekrompen opvat, als men daarin eene wijze «van strafoefening (namelijk de doodstraf) wil «lezen, in plaats van den grond der straf".

Ondergeteekenden wijzen er daarbij op, da de Vrije Universiteit en daarmee onze vereeniging er aansprakelijk voor is, wanneer nog pas de heer J. Domela Nieuwenhuis, hoogleeraar in het Strafrecht te Groningen in de Nieuive Sprokkelaar van 21 Juni 1.1. tegen het gereformeerde gevoelen aangaande de doodstraf zich op het gevoelen van zijn geachten i.mbtgenoot Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman hoogleeraar aan de Vrije Universiteit te Amsterdam kan beroepen met deze woorden: »Ik beroep mij in de eerste «plaats op een man, wien door U de naam van «geloovig Christen wel niet zal worden ontzegd."

Het is daarom, met het oog op deze gewichtige uitlatingen van Prof. Lohman, dat ondergeteekenden moeten aandringen op onderzoek naar den inhoud van zijn onderwijs, opdat het blijken moge, wat daarin van de naleving van Art. 2 onzer Statuten te oordeelen zij.

5. Eindelijk zij hier nog bijgevoegd, dat niet slechts sommige uitlatingen van den hoogleeraar Lohman over de bron van het recht, maar ook zijne bespreking van de calvinistische of gereformeerde beginselen zelve naar het oordeel van ondergeteekenden reden tot ernstige ongerustheid geeft.

Reeds wezen er ondergeteekenden er op, dat de hoogleeraar Lohman in de «Nederlander" met meerdere of mindere duidelijkheid een «antirevolutionair beginsel verdedigt in onderscheiding van het Calvinistische. Zij hierbij nog een citaat gevoegd uit no. 215 van dezen inhoud: «Het anti-«revolutionair beginsel sluit de Gereformeerden «niet uit, maar anderen evenmin, misschien nog ijninder" «Op staatkundig gebied nu heeft de «heer Groen steeds het antirevolutionaire begin-«sel verdedigd, en niet het Calvinisme." «Thans «echter schijnt men om goed antirevolutionair «te wezen. Calvinist, of wat feitelijk op 't zelfde «neerkomt. Gereformeerd te moeten zijn."

Spreekt hieruit eer weerzin dan liefde tegenover de Calvinistische of Gereformeerde beginselen — hoe groot de sympathie van den hoogleeraar voor Calvijn is, blijkt uit een teekening in No. 478 van Calvijn gegeven in de volgende trekken: Calvijn geeft (n. b.!) «geleid door het «voorbeeld der Israëlieten" «aan de alleenheerj schappij den voorrang"; terwijl die Calvijn «zijn «begunstiging van de aristocratie dan ook bij «elke gelegenheid in de sterkste uitdrukkingen «uitsprak"; en voorts «steeds op een afstand van «het volk is gebleven; do kunst niet verstond, «om in zijn taal (de taal van het volk) te spre-«ken; en slechts in de hoogere kringen zich thuis «gevoelde".

In no. 480 blijkt dan ook, hoe weinig Prof. Lohman met de gevoelens van Calvijn op Staatkundig gebied vercenigd is, als hij op de vraag: «Calvinistisch of antirevolutionair" r antwoordt: «In Calvijns aristocratische gevoelens deelen wij «niet". «Het door Calvijn gelegde verband tus-«schen kerk en staat is gansch verwerpelijk". «Plet eigenaardige van Calvijn was niet zijn de-«mocratische, maar zijn theocratische richting. «Wenscht men nu dit theocratische element op «politiek gebied op den voorgrond te stellen.'"

Uit no. 483 blijkt verder, dat ook noch de Calvinisten, noch het Calvinisme voor hem in den strijd en de vraagstukken van dezen tijd van groote waarde zijn, als de hoogleeraar daar te lezen geeft: «Is de strijd tegen onzedelijkheid en «ontucht niet het krachdgst aangebonden door «diegenen, die nu juist niet bij voorkeur Calvi-«nisten worden genoemd f" «Bestaat er onder die kringen, die zich bij voorkeur «Calvinistisch" «achten in het algemeen gesproken wel eenige «ijver tegen den jenever? " «Men stelt tegen-«woordig in vele quaesüën belang, vrijhandel of «protectie; muntquaestie; arbeidscontract; pen-«sioneering; woningquaestie ; landnationalisatie; «coöperatie enz Zekerlijk, er bestaat over «elke dier quaesties groot verschil van gevoelen; «maar valt dat verschil samen met Calvinistisch «of and calvinisrisch ? "

«Laat men dan ook op dit terrein zijn kr-acht «niet zoeken in eene leuze, die op dit terrein «geene beteekenis heeft. Door dat te doen zou «men politieke bedoelingen van wereldlijken aard «hechten aan een kerkeiijken naam."

Gelijk hier duidelijk blijkt, heeft het Calvinisme voor den schrijver op heel het gebied der staathuishoudkunde geene beteekenis; slechts kerkelijk kunnen de Gereformeerde beginselen verstaan worden, maar daarom juist moeten ze van het staatsrechtelijk en staathuishoudkundig terrein als contrabande geweerd worden. En de schrijver besluit dan ook: «Niet Calvinistisch maar antirevolutionair."

In No. 495 wordt door de Nederlander zelve gewag gemaakt van den indruk door No. 483 teweeg gebracht, als zou de schrijver «zich het Calvinisme schamen, " en de beginselen «daarin opgesloten, niet als de zijne aanvaarden." De redacteur verklaart echter, dat «niets verder van zijne bedoehng lag. Hij erkent, dat het Antirevolutionair, program uit de Calvinistische beginselen is voortgekomen; en «de beginselen «van Calvijn achten wij voor de ontwikkeling «van Neerlands volk vooral van de grootste «beteekenis." «En juist daarom verdedigen wij «ook de noodzakelijkheid eener Vrije Universiteit «op Gereformeerden grondslag. Want ook «/«/^wischappelijk moeten die beginselen tot ontwik-«keling worden gebracht. Op elk gebied moet «de hracht van Gods Woord openbaar worden. «En onder dat Woord Gods verstaan wij het-«zelfde wat Calvijn daaronder verstond, al komen «wij op grond van datzelfde Woord tot enkele «conclusiën, die van Calvijns gevoelen afwijken."

Mogen al deze laatste woorden naar veler hart zijn, ondergeteekenden meenen het niet onopgemerkt te mogen laten, dat de schrijvjsr hiermee noch-zijn oordeel over Calvijn, noch dat over de Calvinisten, noch ook dat over de beteekenis van het Calvinisme voor de staatsrechterlijkc en staathuishoudkundige vraagstukken herroepen heeft. Zoowel voor de historische ontwikkeling van ons volk, als voor de wetenschap heeft de schrijver denzelfden Bijbel als Calvijn, maar zijn eigen conclusiën, terwijl hij voor de v^etenschap niet van het licht, maar van de kracht van Gods Woord die openbaar worden moet, gewaagt.

Al meenden dan ook ondergeteekenden hier op de uitspraak in No. 495 van de «Nederlander" te moeten wijzen, toch mogen zij het niet verhelen, dat hunne ongerustheid ten opzichte van de overeenstemming van den hoogleeraar Lohman met de calvinistische of gereformeerde beginselen voor de staatsrechterlijke en staathuishoudkundige wetenschappen en vraagstukken niet is weggenomen; waardoor vanzelf hun oordeel over de voldoening van het onderwijs van genoemden hoogleeraar aan Art. 2 der Statuten onzer vereeniging zeer gedrukt wordt. Een gedruktheid, die te sterker wordt, wanneer zij de onvastheid opmerken, waarmee de hoogleeraar zich over het beheerschend principe uitdrukt dat als richtsnoer voor de Staatkunde en dus ook voor het Staatsrecht gelden moet. Nu eens wordt dit richtsnoer gezocht in het «algemeen Christetelijke", dan in het «Protestantsch-Nationale, " dan in het «Evangelie", dan weer in het «Gereformeerde" of «Calvinistische" (zie no. 420, 483, 439 en 495 van de Nederlander). Een t onzekerheid, die nog klimt, als in de Nederlander no. 501 en 416 eenerzijds verklaard wordt, dat aan Art. 36 der Gereformeerde belijdenis onvoorwaardelijk is vast te houden, nadat het in no. 44S was voorgesteld als kon dit niet, en verder in die artikelen zelven de letter en geest van t een zeer bekende zinsnede in dat artikel wordt weersproken. Wel ontkennen ondergeteekenden niet a priori, dat hier vastheid van overtuiging naar den eisch der gereformeerde beginselen zijn kan, maar zij zien die niet en achten het daarom zeer gewenscht, dat hierover helderheid ontstaan moge, dewijl het naar hun oordeel voor het geven van hooger onderwijs naar den eisch van Art. 2 der Statuten onzer vereeniging een eerste vereischte is, dat hij, die dit onderwijs geeft, vastheid van overtuiging bezit, omtrent hetgeen in dat art. onder gereformeerde beginselen te verstaan zij.

Het is om al deze redenen, en op de aangevoerde gronden, dat ondergeteekenden, zonder in het minst te willen miskennen, dat de heer Prof. Jhr. A. F. de Savornin Lohman ook op staatsrechterlijk gebied veel uitnemends gesproken en gedaan heeft, ook naar den eisch van onze beginselen en naar hun hart, — dat zij meenen gebruik te moeten maken van het recht hun bij Art. 11 van het Reglement voor de Algemeene Vergadering toegekend,

om voor te stellen, dat eene Commissie van Enquête benoemd worde, om onderzoek te doen naar de zaak, waarvan zij achten hiermede de vereischte schriftelijke en nauwkeurige opgave gedaan te hebben.

^s-Gravenhage, 27 Juni 1895.

P. A. TUKKER, te Delft. J. HERMANS, Amsterdam. C. L. F. V. SCHELvEi^, Wageningen. W. BOOKER, Zaandam. J. DE HAAS, Amsterdam. J. DIRKMAAT WZ., Broek op Lan-[gendijk. JAN WAGENAAR KLZN., idem. J. TEVES TZN., Wetsinge-Sauwert. Ds. NiÉBORG, Reeuwijk. J. BouwES, Appingedam. W. MULDER, Maassluis. G. A. DIEPENHORST, Strijen. J. C. SIKKEL, 'S Gravenhage. C. W. BoLMAN, Leeuwarden, H. H. VAN DIJK, Utrecht. R. W. J. RUDOLPH, afgevaardigde [van den Kerkeraad van Leiden C. W. A. VROLVK, Rotterdam. H. M. DERCKSEN, Gouda. D. VAN LONKHUYZEN, Wageningen. R. LE COINTRE, Middelburg. R. VERSLUVS JR., Amsterdam. J. OsiNGA, Gouda. JN. VAN ZANTEN, Zeist, W. LvBERSE, Arnhem. G. J. HARMSEN, Arnhem, W. VAN DETH, Brussel. G. VAN DoBBEN, Alien. M. VAN MUISWINKEL, Zwammerdara. A. G. HONIG, Zeist. C. BATELAAN, Bodegraven. J. P. CHARDON, Delft. J. J. F. v. D. BERGH, Den Haag. C. W. J. VAN LUMMEL, Delft. ARIE VERDUYN, Oudshoorn. Ds. J. LANGHOUT, Haarlem.

Daar hier ter plaatse slechts aanvulling an het Jaarverslag bedoeld wordt, voegen e hieraan niets toe.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 november 1895

De Heraut | 4 Pagina's

Aandiling dan het Jaarderslag der Drije Unidersiteit.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 november 1895

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken