GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Eene roepstem uit Solo, die de Zending onzer Kerken rechtstreeks aangaat.

Bekijk het origineel

Eene roepstem uit Solo, die de Zending onzer Kerken rechtstreeks aangaat.

12 minuten leestijd

Gelijk men weet, hebben onze Kerken, sedert hare Generale Synode van Middelburg in 1896, als regel aangenomen, de betrekkelijk kleine kracht, die zij voor de Zending kunnen in dienst stellen, niet over heel Midden-Java te verdeden, maar aldaar op een kleiner arbeidsveld te concentreeren. En in overeenstemming daarmede besloten zij dan ook, op de Generale Synode van Arnhem in Augustus 1902, met betrekking tot Midden-Java ten Noorden, „overwegende dat zij nog een schier al te uitgebreid Zendingsterrein overhouden, en in langen tijd geen missionaire Dienaar voor dat terrein beschikbaar zal wezen, zich uit de residentie Pekalongan terug te trekken" (Acta, art. 99).

Terstond na deze beslissing kwam in genoemde Synode aan de orde: „een verzoek om wijziging van het Zendingsterrein door toevoeging van Solo", welk verzoek kwam „van de Classen Leiden, Woerden en 's-Gravenhage, die deze plaats dan als hun Zendingspost zouden willen bezitten" (Acta, art. 100).

Schijnbaar was die aanvrage in strijd met den bovengenoemden regel, en dus niet voor inwilliging vatbaar. Toch was dit niet het gevoelen van de meerderheid der Commissie, in wier handen zij ten fine van prae-advies gesteld was, bestaande (volgens art. 15 der Acta) uit de B. B. Prof. Biesterveld. Ds. Adriaanse, Dr. Scheurer, Dr. Hania, Ds. van der Munnik, Dr. Wagenaar, Ds. Breukelaar, Ds. Dijkstra, Ds. Elzenga, Ds. Mulder, Ingwersen en Velthuis. Immers, uit naam van deze Commissie rapporteerde Ds. Dijkstra aan de Synode: „Uwe Commissie kan over dit verzoek niet tot eenstemmigheid geraken. De meerderheid stelt voor op verschillende gronden het verzoek toe te staan ; de minderheid kant zich tegen uitbreiding van het Zendingsterrein. Uwe vergadering zal derhalve tusschen deze twee adviezen hebben te beslissen" (Acta, art. 100).

Wie de Synode heeft bijgewoond, herinnert zich nog wel, hoe het voorstel van de meerderheid der Commissie toen beslist en krachtig verdedigd is door iemand, die in die Synodale vergadering wel het meest tot beoordeeling bevoegd was, nl. door Dr. Scheurer : den man, die niet slechts voor het werk der Zending zich geheel heeft overgegeven, maar wiens Zendingsijver ook gepaard gaat met eene grondige kennis van de menschen, de toestanden en de behoeften op Midden-Java, en met een helder oordeel over de aldaar door de Zending te volgen gedragslijn; die ook over Solo uitnemend kan oordeelen, daar hij een geruimen tijd als arts aldaar heeft gearbeid, en daar Solo door nabijheid en verkeer ook nu nog gedurig met ons Zendingshospitaal te Jogja in betrekking staat; en die voorts volkomen instemt met de Zendingsregelingen van de Middelburgsche Synode van 1896, ook in zake de noodzakelijkheid, om de krachten, die onze Kerken vooralsnog voor de Zending kunnen beschikbaar stellen, op een betrekkelijk klein Zendingsterrein te concentreeren.

Met betrekking tot dit laatste werd door hem o. a. in het licht gesteld, hoe de hofstad Solo met de hofstad Jogja tezamen de twee groote hoofdsteden zijn van Midden-Java, en dat het dus inderdaad concentratie van krachten is, in die beide steden, zoo het maar eenigszins mogelijk is, een Zendingspost te hebben, 't geen voor heel Midden-Java veel meer vrucht zou kunnen opleveren, dan de vermeerdering van Zendingsposten in de bergstreken en op het platteland, of in afgelegen en kleine plaatsen van weinig beteekenis.

Desniettegenstaande heeft toen de Synode gemeend, zij het ook met eene slechts kleine meerderheid, anders te kunnen en te moeten besluiten. „Na ampele besprekingen" (zoo berichten de Acta, art. 100) „wordt de conclusie van de minderheid met 22 stemmen vóór en 18 stemmen tegen aangenomen."

Indien door deze afwijzing van het voorstel der Zuid-HoUandsche Classen onveranderlijk vaststond, dat van nu af onze Kerken van allen Zendingsarbeid in Solo moesten afzien (althans officieel en formeel, want feitelijk is er van Jogja uit toch ook nu reeds eenige Zending, door de plaatselijke ligging en door de relatiën met ons Zendingshospitaal), dan zou het doelloos en zelfs schadelijk zijn, daarop thans nog terug te komen. Maar de zaak staat hier natuurlijk geheel anders. Zulk een Synodaal besluit is uit den aard der zaak geenszins onherroepelijk; vooral niet, wanneer de omstandigheden, waaronder het genomen is, daarna onmiskenbaar gewijzigd zijn.

En dit laatste is hier inderdaad het geval. De reden, waarom de Synode het voorstel van hare adviseerende Commissie verwierp, was wel in de eerste plaats, dat de meerderheid het in strijd achtte met het denkbeeld van concentratie. Maar voorts is zonder twijfel ook van invloed geweest, dat tot nog toe in Solo geene Christelijke Zending werd toegelaten, terwijl daarentegen Wonosobo, dat aan de Zuid-Hollandsche Classen reeds vroeger was aangewezen, gelegen is in eene residentie, die voor onze Zending geheel openstaat. Dat zulks ook voor Solo te verkrijgen zou zijn, kon in het vorige jaar alleenlijk als mogelijk gesteld worden. En nu is juist te dien aanzien in de laatste maanden de toestand zóó veranderd, dat de mogelijkheid tot eene groote waarschijnlijkheid en zelfs bijna tot zekerheid is geworden.

Dit toch valt af te leiden uit een stuk, dat is afgedrukt in het te Jogja verschijnende dagblad Mataram, in zijn nummer van 19 Februari 1903, Tweede Blad. Dit stuk, een „Request, dezer dagen door het bestuur der Solosche Landhuurders-Vereeniging aan Z. Exc. den Gouverneur-Generaal verzonden", is voor onze Zending van zooveel belang, dat zijn inhoud wel verdient ook in onze kerken bekend te worden. De sedert 1882 als rechtspersoon erkende „Vereeniging van Solosche landhuurders" wijst daarin eerst, in een achttal alinea's, op „den nood der op hunne ondernemingen gevestigde bevolking", bepaaldelijk doordat „de bevolking van elke geneeskundige hulp verstoken bleef, en derhalve deskundig toezicht op de zieken en op de verstrekking van medicijnen ten eenenmale ontbrak", hierbij ook nog mededeelende, dat „de stichting, door Z. H. den Soesoehoenan in het leven geroepen ter verpleging van melaatschen. [eene gelijksoortige stichting als het hospitaal van den Sultan van Jogjakarta, dat ook bezig was te verloopen, maar dat thans onder leiding van Dr. Scheurer uitnemend werkt], geheel verloopen was door gebrek aan geneeskundig toezicht." En na dan nog vermeld te hebben, dat op de aanvrage om Regeeringshulp, door „de desnoods tijdelijke beschikbaarstelling van eenige [voor de twaalf honderdduizend inwoners van het gansche vorstendom minstens zes] dokter djawa's" (van Regeeringswege tot geneesheer opgeleide Javanen), „de Regecring slechts ten antwoord geven kon, dat geen voldoend personeel voorhanden was", geeft het request in zijn verder beloop het volgende te kennen :

dat, ingeval zij [nl. de bedoelde dokter djawa's] op de verschillende standplaatsen aan het

hoofd konden gesteld worden van op weinig kostbaren voet in te richten hospitalen voor inlanders, waarin geregelde behandeling en verpleging mogelijk zou zijn, alsdan de kosten, voorzoover de Regeering daarin niet voorziet, voor een deel door den Soesoehoenan en voor een ander deel door de Europeescha landbouwondernemers zouden kunnen worden gedragen ;

dat dezelfde weg zou kunnen gevolgd worden bij de vestiging van êén of meer zendingshospitalen in deze Residentie, doch dat de pogingen in die richting door de medische zending bereids beproefd, stuitten op het bestaande Gouvernements Besluit, waarbij het rijk van Soerakarta van zendingsarbeid is uitgesloten, welk besluit, naar het schijnt, in hoofdzaak in het leven geroepen werd wegens de door den Vorst geopperde bezwaren tegen de toelating van zendelingen in zijn rijk;

dat echter de te Djokdjakarta op dit gebied opgedane ervaring, niet wijst op eene eenigs zins belangrijke toename van Christenen als een rechtstreeksch gevolg der medische zending, en dat adressanten bovendien reden hebben voor de veronderstelling, dat de hierboven aangestipte bezwaren thans vermoedelijk niet meer in die mate bestaan en in elk geval niet meer van zoo overwegenden aard kunnen geacht worden om, ter wille daarvan, het langer voortbestaan van den ellendigen toestand waarin de bevolking op geneeskundig gebied verkeert, te wettigen;

dat de adressanten zich geenszins ontveinzen, dat de geschetste toestanden in meerdere of mindere mate voor geheel Java van toepassing zijn, doch dat, waar de Regeering in de Gouvernements Residenties uit eigen hoofde daarin [verbetering] vermag te brengen, zulks in de Vorstenlanden slechts ten deele het geval kan worden geacht, waarom de landbouwondernemers dan ook volkomen bereid zijn om aan elke, in welken vorm dan ook, te verkenen hulp, finantieelen steun toe te zeggen;

Redenen,

waarom adressanten zich tot Uwe Excellentie wenden met het eerbiedig verzoek, eerstens: Tot zoo mogelijk, plaatsing van zes dokters djawa in deze Residentie, onder gehouden heid van de landbouwondernemers, om een door de Regeering te bepalen, bijdrage in de kosten dezer maatregel te dragen; en tweedens:

Om, waar gehouden besprekingen reeds uitdcht geven op medewerking van Z. H. den Soesoehoenan, het daarheen te willen leiden, dat het Besluit, waarbij Soerakarta voor zendingsarbeid gesloten is, worde opge heven, waarmede het tot stand komen van een of meer zendingshospitalen krachtig zal worden bevorderd.

’t Welk doende:

Namens het Bestuur der Solosche Landhuurders Vereeniging. W. D. VAN NISTEN, President.

F. TH. VAN SUCHTELEN, Secretaris.

Het is niet te denken, dat de Solosche landhuurders in dit request te veel gezegd hebben over de goede gezindheid van den Sultan, of over de medew^erking van den Resident, of over de van henzelven te verwachten ondersteuning. Evenmin is te denken, dat nu onze Hooge Overheid bezwaren zal gaan in den weg leggen. En zoo is dan bijna zeker, dat in Solo de deur voor de Zending zal opengaan: in dat zelfde Solo, waarop van Gereformeerde zijde nu leeds zooveel jaren lang in de eerste plaats de aandacht gevestigd was, waarvan men de openstelling voor de Zending reeds zoo vaak te vergeefs beproefd had, en waar men Dr, Scheurer zelfs een tijdlang als geneesheer heeft laten arbeiden, hopende, maar te vergeefs, dat daardoor de weg voor de Zending zou gebaand worden. Indien dit op de laatste Synode had kunnen bekend zijn, het zou, en terecht, door velen beschouwd zijn als in vollen zin eene Providentieele beschikking, eene onmiskenbare aanwijzing van den Heere der Zending zelven. En indien er nu dit jaar eene Generale Synode gehouden werd, zou zij zeker niet besluiten, Solo buiten ons Zendingsterrein te houden, al zou men dan ook in de bergen of op het platteland de grens nog iets nauwer moeten maken. Eerder zal wel menigeen nu reeds zeggen: hoe ontzaggelijk jammer, dat, nu Solo blijkbaar voor de Zending zoo goed opengaat, juist terzelfder tijd door onze Kerken besloten is, van die opengaande deur zich geheel af te wenden !

Inderdaad mag dan ook verwacht worden, dat door onze Kerken in dat eenmaal genomen besluit niet berust zal worden; allerminst door de Classen van Zuid-Holland, die de zaak ter Synode brachten. Niet, alsof deze nu wel eigenmachtig tegen de beslissing der Synode zouden kunnen ingaan. Maar zij kunnen op Solo het oog blijven richten, en de plaats, die zij tot de volgende Generale Synode bezetten, als een tijdelijk arbeidsveld beschouwen; waarbij Wonosobo dan zeker zeer geschikt is, om haar missionairen Dienaar aan klimaat en taal en bevolking te gewennen. En in de twee jaren, die nog vóór de eerstvolgende Generale Synode verloopen moeten, kunnen zij dan alles voorbereiden om haar voorstel, uitgewerkt en gemotiveerd, te herhalen. Althans, wanneer het dan niet reeds te laat is; wat voor onze gansche Zending zeer zou te betreuren zijn.

Hierbij zal intusschen van den aanvang af te bedenken zijn, dat vooral in Solo de Zending nu niet moet optreden, zonder dat er tegelijkertijd, of reeds van tevoren, een Medische dienst is. In Wonosobo is dat niet zóó noodig, en het is aldaar zelfs niet eens mogelijk, daar dit plaatsje, dat van al onze Zendingsposten en van alle spoorlijnen ver verwijderd is, ook van Jogja veel te ver af is, om in verband met het Hospitaal aldaar te kunnen geholpen worden. Het is nog het dichtst bij Poerworedjo; maar van daar duurt de reis, die per rijtuig moet gedaan worden en dan f25 kost, toch nog altijd ongeveer 9 uren, dus bijna een ganschen dag; en van Jogja naar Poerworedjo zou dan bovendien nog 2 a 3 uren te sporen zijn. Voor geregelde hulp uit Jogja is eene dergelijke reis natuurlijk veel te kostbaar, en vooral, omdat er 3 a 4 dagen mede gemoeid zijn, veel te ver. Solo daarentegen is dichter bij Jogja dan één onzer andere Zendingsposten; want terwijl men van Jogja naar Poerworedjo spoort in 2 ; i 3 uren, en naar Keboemen in bijna denzelfden tijd, is de spoortijd naar Solo slechts I i'n a 2 uren ; zoodat men (daar er minstens 5 treinen heen en weer gaan) van Jogja uit gemakkelijk een dag in Solo kan gaan doorbrengen ; 't geen dan bovendien niets kost, daar de missionaire artsen en de Hollandsche hoofdverpleegsters op alle Javaansche spoorwegen altijd kosteloos vervoerd worden. Natuurlijk zou al wat op den Medischen dienst betrekking heeft, in verband met het reeds bestaande Zendingshospitaal zijn voor te bereiden, en dus overleg noodig zijn met den Amsterdamschen kerkeraad, en vóór alle dingen met Dr. Scheurer zelven, om advies en medewerking van hem te ontvangen. Maar hieraan zou het zeker niet ontbreken; en finantieele overwegingen zouden ook wel niet behoeVen terug te houden.

Indien mettertijd in Solo ook maar de helft ondervonden werd van den zegen, dien de Heere nu reeds aan het Hospitaal te Jogja geschonken heeft, zou er zeker ruime stof zijn om er Hem voor te danken. Naar onze schatting (eenigszins in tegenstelling met die van de stellers van bovenstaand request) „wijst de te Djokdjakarta op dit gebied opgedane ervaring" wel degelijk op eene „belangrijke toename van Christenen als een rechtstreeksch gevolg der medische zending"; daar Gereformeerden niet verwacht hebben, dat nu allen, die met het Hospitaal in aanraking kwamen, ook terstond zouden bekeerd zijn, zoodat in slechts 2 a 3 jaren vele honderden zouden gekerstend zijn. En, behalve dat, is, naar onze overtuiging, de geestelijke werking, die er van ons Zendingshqspitaal uitgaat, wat de hoofdzaak aangaat, niet in cijfers uit te drukken. Veel, ja ontzaggelijk veel is er reeds gewonnen, wanneer in groote steden als Jogja en Solo, middelpunten van , verkeer en van invloed voor heel Midden-Java, de Christelijke Zending in alle kringen, en vooral bij de inlanders zelven, crediet krijgt, de Christelijke naam tot een goeden klank wordt, de Christelijke religie weer met eerbied bejegend wordt, en de Christelijke kring, hoe klein ook, bij Javanen en Hollanders beide, in alle hunne rangen en standen, niet wordt geminacht, maar een element is, dat in de samenleving medetelt en waarmede gerekend wordt. Dat dit nu reeds te Jogja verkregen is, blijkt wel bij vernieuwing ook uit den geheelen inhoud van het bovenstaande request.

F. L. RUTGERS.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 april 1903

De Heraut | 4 Pagina's

Eene roepstem uit Solo, die de Zending onzer Kerken rechtstreeks aangaat.

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 april 1903

De Heraut | 4 Pagina's