GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Voor Kinderen.

Bekijk het origineel

Bladeren
+ Meer informatie

Voor Kinderen.

7 minuten leestijd

OOST EN WEST.

XXXII.

IN GROOTEN NOOD.

De eerste gedachte die bij Karel opkwam, was, of hij ook in den maneschijn wat takken, dik met bladeren voorzien, zou gaan halen, ten einde daarop althans wat makkelijker te liggen. Want zijn ledematen deden hem geducht zeer.

Maar nog eer hij deze geda'; hte tot uitvoering kon brengen, vernam hij iets dat hem met schrik vervulde, en voor erger dan stijve ledematen deed vreezen. lu de verte hoorde hij brullen. Dat moest een leeuw zijn. Hij had vóór eenige dagen eenzelfde geluid gehoord.

Wat te doen? Het best docht hem maar in het hol te blijven. Doch, o schrik, weder hoorde hij het gjbrul, maar nu veel naderbij. Blijkbaar kwam de leeuw dichter bij de plek, waar Karel zich bevond.

De angst sloeg dezen om het hart. Hij richtte den blik naar boven en riep in stilte tot God, die leven en dood in Zijn hand heeft. Nu wachtte hij of wat volgen zou.

Weer klonk het vervaarlijk geluid; thans vlak bij. En in het volgende oogenblik zag Karel met ontzetting een leeuw, bij het licht der maan, op het hol aankomen.

Zonder het te weten, had hij zijn toevlucht genomen in het hol van een wild dier! Een koude rilling liep hem over het lichaam. Eensklaps herinnerde hij zich, meermalen gehoord te hebben, dat menschen uit het gevaar van door wilde dieren verslonden te worden, gered zijn, doordat zij zich dood hielden. Vele wilde dieren toch voeden zich niet, of althans slechts gedwongen, met vleesch van lijken. In alle geval, zoo begreep hij, was het best, «ich zeer rustig te houden. Zoo strekte hij zich dan uit, sloot de oogen bijna geheel, en hield zooveel mogelijk den adem in, al kon hij dit natuurlijk niet volkomen doen.

Wat Karel gevreesd had gebeurde. De leeuw ging het hol, zijn woning, binnen en bespeurde onmiddellijk, dat er zich een indringer op zijn gebied bevond. Een leeuw doet in zulk een geval juist andersom, dan wij, die indringers liefst buiten werpen. Waarom het dier zoo handelt begrijpen we.

Wat nu volgde, kan ik u 't best verhalen min of meer met de woorden van den man, die

het ons heeft opgeteekend, en die vele jaren later aan Karels graf gestaan heeft. Echter zal ik 't niet doen in de taal door dien man gebruikt, wijl niet allen die zouden begrijpen:

De leeuw kwam het hol binnen. Karel voelde den heeten adem van het dier. De leeuw belekte hem met zijn ruwe tong, en Karel dacht dat het geduchte dier nu wel niet lang wachten zou met hem te verslinden.

De arme soldaat bewoog zich niet, liet geen geluid hooren, doch in zijn hart bad en riep hij tot God den Almachtige, dat die hem uit de klauwen van den leeuw mocht verlossen, en door Zijn machtige hand den muil van het ondier toesluiten.

Het smeeken van den krijgsman werd verhoord. God hield de kaken van het dier gesloten. Wellicht had de leeuw reeds een goeden buit gehad, en gevoelde hij op dat oogenblik geen honger. Maar hij legde zich vlak naast den man ter ruste neer. Daarbij strekte hij een voorpoot over Karels borst en legde de klauwen op diens schouder, als wilde hij zeggen: Ik zal u morgen tot ontbijt gebruiken, maar zal wel zorgen dat gij mij in den nacht niet ontsnapt. p

In doodsangst bleef de arme man een lange poos roerloos liggen, steeds vreezend, door de minste beweging den leeuw te wekken, die scheen in te slapen, en wiens snuiven duidelijk werd gehoord. Dat de man niet slapen kon is duidelijk, doch des te meer riep hij den Heere aan, biddende om uitkomst en verlossing.

Toen eindelijk de leeuw blijkbaar vast in slaap was, beproefde Karel, uiterst voorzichtig, een zijner armen vrij te maken. Na veel moeite en tijd gelukte dit. Nu begon hij even voorzichtig den eenen klauw van den leeuw en daarna den anderen van zijn schouder te verwijderen. Het hart klopte hem daarbij hoorbaar. Want hij wist, indien het roofdier ontwaakte, kon 'them met één slag het hoofd verpletteren of de borst inslaan.

Maar gelukkig — zijn zonderlinge slaapkame ïaad ontwaakte niet. Dezelfde God, die de klauwen en tanden van het dier had bedwongen, hield het ook in diepen slaap. Thans dorst Karel het wagen, wat misschien wel het moeilijkst en gevaarlijkst van alles was, den poot van den leeuw een weinig op te lichten, van zijn borst te schuiven en heel zacht naast zich neder te leggen. Nu was hij althaiis in zoover vrij, dat hij zich met groote behoedzaamheid bewegen kon.

Doch was het zaak weg te komen. Wel echter diende hier toegepast: Haast u langzaam, hoe moeilijk dit ook voor iemand gaat, die in vrees en spanning verkeert. Toch bedwong Karel zich zooveel doenlijk. Langzaam, met zoo weinig beweging als mogelijk en zoo stil als een muis, schoof hij tusschen den rotswand en den leeuw door, die gelukkig vast door bleef slapen. Zeker heeft Karel nooit in zijn leven ooit weer een weg van zoo weinig schreden, zoo langzaam en onder zooveel stil gebed afgelegd. Al verder kwam hij. Eindelijk was hij zijn gevaarlijke buurman geheel voorbij. Nog enkele oogenblikken en heel zijn lichaam bevond zich buiten het hol! Hij was vrij!

Ik ben blij, zoo merkt hij die ons dit verhaal bewaard heeft, niet zonder reden op, dat ik niet tegenwoordig was, toen heer leeuw den volgenden morgen ontwaakte, en bemerkte dat zijn prooi in den nacht was ontsprongen. Hij zal wel gebruld hebben dat alle vogels in hun nesten sidderden. Doch toen was Karel al ver weg.

De laatste had wijselijk wel gezorgd — hoe veel lust hij er ook toe gevoelde — geen vreugdekreet aan te heffen, toen hij zich weer buiten bereik van den koning der dieren bevond. Hij wist reeds, hoe fijn van gehoor en reuk de roofdieren zijn en begreep, dat elk geluid hem verraden kon. Gelukkig scheen de maan zoo helder, dat heel de vlakte verlicht was, en hij althans zien kon, welke richting hij nemen moest, om zich zoover en zoo snel mogelijk van het gevaarlijke hol te verwijderen. Zoo stil hij kon stapte hij voort. Toen hij een eindweegs ver was, bedacht hij dat de reuk hem kon verraden als soms de leeuw mocht ontwaken en hem achterna gaan. Kort beraden deed hij een sprong van het vlakke veld op een hoogte van een voet of drie van daar en weer op een andere. Zoo hoopte hij zou de reuk zich verspreiden en zijn spoor zelfs voor zulk een besten snuiver als een leeuw, niet zijn te vinden.

Een halfuur misschien verliep en van den leeuw werd niets meer vernomen. Karel, die zoo snel mogelijk was voortgeloopen, zette zich, want de vermoeidheid begon zich weer te doen gevoelen, voor een oogenblik neder, en dankte God uit den grond zijns harten, die hem zoo wonderlijk had bevrijd uit het dreigend doodsgevaar. Na al den doorgestanen angst en de overspanning gevoelde hij zich zeer afgemat. Toch, dat gevoelde hij, was aan slapen niet te denken. Mochten hier al geen slangen zijn, leeuwen waren er zeker meer dan de gindsche slapende. Hoe licht kon straks weer in de verte het gebrul van een roofdier hem verschrikken. Zoo beval hij zich dan met lichaam en ziel den W Heere aan, en stapte toen voort, in de hoop de goede richting te hebben genomen, zoodat hij den volgenden morgen zijn makkers zou aantreffen. L W

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 9 oktober 1904

De Heraut | 4 Pagina's

Voor Kinderen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 9 oktober 1904

De Heraut | 4 Pagina's

Bladeren