GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

7 minuten leestijd

Ook de Waarheidsvriend klaagt over de afwijzende houding, die de Regecring innam tegenover het verzoek van Ds. Brummclkamp, om een nationalen bededag uit te schrijven.

Het antwoord van den Minister van Binncnland-Gche Zaken op de vraag van den heer Brummclkamp was niet bemoedigend. De wensch, dat de Overheid de natie zou uitnoodigen tot een openbaren bededag, werd afgewezen.

Zeker, de Minister gaf toe en hij was het er mede eens, dat het zich in tijden v.in druk en rampspoed wenden tot den ^Vllerhoogst niet alleen overeenkomstig de menschelijke natuur, maar ook een uiting van vroomheid is, die den mensch siert. Maar ondanks dat, blijft het naar 's Ministers meening twijfelachtig, of het wel zou strooken met en wensch van de meerderheid der natie, dat de Regeering in geloofszaken het initiatief zou nemen, dat zij zich op eenigerlei wijs in geloofszaken zou mengen. Waar dit het geval is, was de Minister van oordeel, dat het beter is zich te onthouden, want men zou gevaar loopen, dat inplaats dat men reeg een algemeene uiting van vroomheid, men ou staan voor een uiting van tweedracht, die in lk geval zou zijn te vermijden.

De motieven, die de Minister voor zijne weigering m het verzoek van den afgevaardigde van Loosuinen in te willigen, aanvoerde, lijken ons niet lleen zwak, maar ook weinig steekhoudend.

Het groote argument dat Mr. Cort van der inden bezigde, kwam eigenlijk alleen hier op eer, dat de Overheid heeft rekening te houden aet den volks'iuil. Ue Regeering, zoo de Minister, eeft zich af te vragen, of wat begeerd wordt wel vereenkomstig den wensch van de meerderheid er natie is.

Terecht voegde de heer Brummelkamp in zijn epliek Mr. Cort van der Linden toe, dat diens tandpunt geen ander schijnt te zijn, dan: »ik sta ier eenvoudig om uit te voeren den op een egeven oogenblik gebleken wil van de natie".

De Minister wraakte echter in tweede rede zijn eroep op den voIkswiL Wat hij had willen zeggen, as, dat wanneer van Overheidswege het initiatief ou worden genomen om tot een dergelijken biddag e komen, hetzij in den vorm van een verzoek, hetzj p andere wijze, dit bij vele menschen in den lande anstoot zou geven.

Merkwaardig is het verschil tusschen de eerste en de tweede rede van den Minister vvat betreft de woorden xde meerderheid der natie": in de eerste en «vele menschen* in de tweede redevoering die aan de oproeping der Overheid aanstoot zouden nemen.

Met die nadere toelichtiHg kon Mr. Cort van der Linden intusschen zijn beroep op de meerderheid der natie niet ongedaan maken. Gelukkig vond hij er iets op om uit de impasse te geraken. Hij wilde het Dr. de Visser, die zich ook in het debat gemengd had, nazeggen: »dat een biddag te heilig is, dan dat men dien moet maken tot een voorwerp van discussie».

Dr. de Visser, die zijn warme sympathie betuigt met het denkbeeld, dat door den heer Brummelkamp was naar voren gebracht, nam aan de discussie deel om het Staatsrechtelijk bezwaar van den heer Roodhuizen te weerleggen, dat gelegen was in den aandrang om een biddag van Overheidsurge uitgeschreven te krijgen.

Op juiste en onaanvechtbare gronden bestreed de afgevaardigde van Katwijk het bezwaar van den heer Roodhuizen. Daar de heer de Visser later de uitdrukking bezigde, dat hij de zaak van het gebed in het algemeen en van een biddag in het bijzonder veel te heilig en te ernstig achtte om haar tot een onderwerp van discussie te maken, is juist, maar hij voegde daaraan deze woorden toe »in deze Kamer* wat natuurlijk, naar het ons voorkomt, h^el iets anders is als wat Mr. Cort van der Lin­^el iets anders is als wat Mr. Cort van der Linen er van maakte, die de woorden van den afgevaardigde in het gemeen nam.

Intusschen was het res"ultaat van het debat, wat ij hierboven neerschreven, dat de wensch om de atie van Overheidswege tot een openbaren biddag it te noodigen, werd afgewezen.

Het doet ons leed, dat de regeering niet aan het erzoek van den heer Brummelkamp voldeed.

In I-rateinitas^ het groot-gereformeerd stuentenblad, dat uitgaat van de Corpora S. S. R. . D. D. D. en F. Q. L, komt de volgende eschouwing voor over het besluit der Synode m aan studenten het preeken te verbieden:

Ten leste: 't besluit tot krachtige handhaving an t preekverbod voor theol. studenten niet-canidaten. Deze beslissing deed ons bijzonder goed. l is het op zich zelfeen veeg teeken, dat een sanctie onmisbaar bleek, 't moet met dank aanvaard, dat de synode eenstemmig 't verbod handhaafde. Dat van de velen, die overtreding vroeger oogluikend toelieten en die toch ook wel ter synode vertegenwoordigd geweest zullen zijn, geen woord ter vergoelijking van dergelijke praktijken werd gehoord, mogen we wel aanvaarden als een bewijs, hoe zeer ze zich schaamden.

Van verbodsovertreding zal voortaan wel geen sprake meer zijn. 'n Uitstel van kerkelijk examen zal eerder daarvan afhouden, dan 't besef tegen eer en geweten te handelen 't blijkbaar deed. Het is een schande voor de kerken — dit moet eens uitgesproken, — dat ze de studenten tot ongeoorloofd optreden te verlokken zochten, 'n schande niet minder voor die theologen onder ons. die om de winst van enkele guldens of uit onheilige gretigheid naar den kansel zich overhalen lieten, 't Is maar al te bekend, hoe sommigen, wel bewust de duisternis zoekend, den kerkeraden uitdrukkelijk verzochten, hun optreden in de kerkbode niet te vermelden, en toch den euvelen moed hadden de gemeente te vermanen, haar te spreken van God en Zijne Gerechtigheid.

Ook dat in déze richting opheffing van den misstand werd gezocht, stemt ons erkentelijk. Bij 't groote gebrek aan predikanten scheen oplossing door opheffing van 't verbod zoo verleidelijk. Hier en daar in de pers gepropageerd, vond deze opvatting echter — uit vrees voor onvruchtbaar debat ? — ter synode geen woordvoerder. Er spreekt uit 't genomen besluit 'n zorg voor 't heil der gemeente, voor 't heil ook harer toekomstige dienaren, die ons zéér sympathiek is. Alle verkorting van de voorbereiding tot het eerste optreden offert de gemeente aan den student op, maar verscherpt ook de gevaren voor den jeugdigen voorganger, onontkoombaar bijkans en doodend voor zijn geestelijk leven. In den engeren kring •der betrokkenen schijnt dat weitüg beseft te worden. De bezwaren van 't predikantschap, elders — b.v in den «Omhoog«-kring — zoo diep gevoeld: 't gevaar van de religieuse phrase, van gehardheid in den omgang met 't heilige, van geestelijke dorheid bij wie anderen tot 't leven moeten leiden, — dat alles gaat bijkans onopgemerkt aan hen voorbij. Niet allereerst 't gebrek aan positieve theologische kennis — veelal hèt argument in dezen — maar 't ontbreken van geestelijken diepgang, ervaring en zelfstandigheid, onbekendheid met strijd en dus met overwinning in eigen zieleleven, moest doen aarzelen, zöó zware taak als 't voorgaan der gemeente te aanvaarden. Er ligt een eisch tot heiligen schroom in het besef, de gemeente te moeten spreken van de groote dingen Gods, in Wet weten, dat zoowel de grijze, door-'t-leven-geslagene, als de jonge twijfelaar van hen het Woord verwachten, dat vrede brengt, dat zij de stem der gemeente tot God zullen zijn, dat zij Gods zegen zullen brengen aan Zijne kerk. Maar wat we zien is veeleer 'n hunkeren naar den preekstoel. Zoodra 't hek van den dam is, trekken ze, met de college-preek, naar opgegeven tekst, vol hier on ginds geleende «gedachten» en vaak buiten 't bereik hunner geestelijke kracht, de gemeente in. En deze, 't aanhooren van slecht-gelezen preeken moede, leert zich behelpen

't Is zoo ontzaglijk moeilijk 'n goed predikant te zijn«. In 't bewustzijn hiervan en allerminst uit lust tot kritiek schreven we deze klacht neer. 't Is zoo smartelijk te moeten aanzien, hoe hier met het allerhoogste vaak wordt gespeeld. Zoo ook, dan moet hier met dringenden ernst de eisch gesteld: »Halte heilig deine höchstc Hoffnung!»

Dat de synode onze studenten hierbij hielp, door geen verkorting der kostbare jaren van voorbereiding toe te staan, het heeft ons — we zeggen 't nogmaals — tot groote erkentelijkheid gestemd.

Juist omdat dit woord uit den kring der studenten zelf voortkomt, geven we er gaarne een plaats aan.

Het toont wel Synode was. hoc juist de beslissing der synoode was.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 januari 1915

De Heraut | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 januari 1915

De Heraut | 4 Pagina's