GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

PERS-SCHOUW.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

PERS-SCHOUW.

16 minuten leestijd

Uit vviilnis een sententie.

Het zijn verdienstelijke menschen, die uit vuilnishoopen van Egypte en andere oostersche landen documenten halen om het antieke wereldbeeld te kunnen construeeren. Deze menschen doen een edel bedrijf; want voor veel onderzoekingen hebben ze inderdaad niets anders dan vuilnishoopen, om hun van dienst te zijn. Bewonderenswaardig is daarbij vaak hun scherpzinnigheid in het reconstrueeren van een scherf tot vaas, van een briefje tot een boek, van een kladje tot een kommentaar. Maar wee den man, die ter verrijking van den geest bij voorkeur in mestvaalten scharrelt, als hem een rijke en vooral zindelijke litteratuur ten dienste staat. Z ij n bedrijf is niet edel; want wat hij vindt, verontreinigt de handen naar christelijke zede (het is wat vies) en ver­ ontreinigt de handen niet eens naar joodsche zede (want bij de joden is kanoniek wat de handen verontreinigt; en onze scharrelaar schrijft altijd apokriefe dingen). En zijn scherpzinnigheid wordt alleen opgewekt door leelijke gedachten. Vrij weergegeven, en, naar ik meen, meer naar de waarheid omgebogen, past op hem De^ Genestets:

Die in te weinig dingen Slechts zonde vindt en schuld, Van leelijke gedachten Is vast zijn ziel vervuld.

Daar heeft onlangs iemand uit een vuilnishoopje van Harderwijk een kladje opgescharreld en het aangegrepen als ontdekking. Het „Handelsblad" mag er het eerst van profiteeren. Hoor en wees verbaasd:

Men schrijft ons:

Ook in de Geref. Kerken der classis Harderwijk schijnt het rumoerig te worden. Deze classis heeft een sententie uitgesproken en gezorgd, dat getypte afschriften zóó overvloedig verspreid werden, dat deelen van dat actestuk langs den weg waaien. Uit een afgescheurd stuk, met vet besmeerd, lezen we het volgende:

„Uwe commissie meent bescheidenlijk, dat hiermee aangetoond is, dat het bezwaar van de B.B. (broeders) O. en K. (wie zijn die O. en K.? ) ongegrond is, én heeft daarom de eer u voor te stellen, dat, indien uwe vergadering met haar advies aocoord gaat, dat advies aan O. enK. terlezing wordt toegezonden, terwijl uwe vergadering, nevens hare instemming, de verwachting uitspreke, dat zij hun gravamen, als zou Vraag 81 van den catechismus, de laatste zinsnede, in strijd zijn met Gods Woord, zullen opgeven!"

Nu begrijpen we van deze zaak geen syUabe, maar toch moeten we al dadelijk zeggen, dat dit slot zeggen wil: Gij B.B. moogt genadiglijk dit besluit even lezen en dan, mondje dicht, één!.... twéé!.... drie! opgemarcheerd! met de strop om den.hals en tranen in de oogen naar uw kerkeraad en zeggen: Wij zullen nooit meer een gravamen indienen! Arme B.B.!

Het papiertje droeg de handteekeningen van drie predikanten uit de classis, die zeker bestemd zijn om het „decretum horribile" (ipso facto) uit te voeren, iadien de gang naar Ganossa niet wordt ondernomen!

Arme inzender, broeder anonymus! Als we even gemoedelijk mogen praten, dan zouden we vragen: Wat weet jij ervan, jongetje, of het rapport zóó aangenomen is? Waarom laat jij zoo duidelijk zien, dat je van je eigen kerk (als je gereformeerd bent) of in ieder geval van de nette pers met nette kerknieuwsrubrieken geen nota neemt, maar wel van vuilnishoopjes? Je „snapt" geen syllabe van het kladje? Geen wonder. Maar iemand, die kerkelijke berichten volgt (zooals van een opvuUer van een kerknieuwsrubriek mag vereischt worden) begrijpt er alles van; want de zaak heeft in alle kranten gestaan, maar zonder sensatie; het kleine tikje sensatie, dat er nog bij was, is haastiglijk weggedaan; en daarvan komt het natuurlijk dat het „Handelsblad" je niet verder het zaakje ingehamerd heeft. Maar weet je nu niet, dat zoo'n slotzinnetje uit het verwaaide concept-rapport moet voorafgegaan zijn door een heel breed betoog, waarin eerlijk op het bezwaar wordt ingegaan? En heb je zelf nooit tot iemand, die je wat vroeg gezegd, als je hem minstens tien velletjes hadt volgeschreven:

„Ik spreek de verwachting uit, dat U Uw bezwaar na déze toehchting nu wel zult opgeven"?

En was je toen ook een paus in Ganossa?

Wees wijs, man, en besef, dat alleen in de Gereformeerde Kerken zooveel werls kan worden gemaakt en ook wórdt gemaakt van „gravamina".

Maar het is toch jammer, dat het briefje op zijn reis van Harderwijk naar Amsterdam geen promotie maakte in de behuizing. Want de pers die zulke dingen zoo maar opneemt, is niet beter dan de straatgoot, die ook maar alles slikt, wat men erin werpen wil.

Deze zin is natuurlijk weer erg clericaal. Ik weet het en lach er wat om. Want het vonnis „clericaal", geveld over wie in deze dagen de liberale pers van „N. R. G." en „Handelsblad" heel erg slecht vindt, was maar oen der vele decreta horribilia van het „Handelsblad". En die decreteeren duizendmaal horribiler dan de classicalen.

Onder ons gezegd: de classis Harderwijk is heelemaal niet beroerd. Het spijt me wel voor je, maar 'tis niet anders.

D.e bijbel bij christe n-s p i r i t u a 1 i s t e n.-

Merkwaardig is de manier, waarop in het blad , fie Christen Spiritualist" dezer dagen, niet door een medewerker, maar door den redacteur G. J. v. Beemen ia opzettelijke overname van een „verhandeUng" van een lid, de gelijkenis van den rijken man en den armen Lazarus wordt „behandeld".

Eerst wordt van de gelijkenis een heel kromme uitlegging gegeven, welke met de eerst voor de hand liggende regelen van uitlegging van gelijkenissen spot. Geen wonder ook; want wie vindt het nog noodig, onder de anti-clericalen, eenig verband te zien en te erkennen, tusschen Bijbel-onderzoek en wetenschap? Vervolgens wordt, niet op gronden van tekstcritiek of Zoo iets, maar louter omdat dit blad het zoo „ziet", beweerd, dat de gelijkenis niet van Jezus kan zijn.

Begrijpelijk is het, dat vader Abraham in zijn taal zegt, dat de rijke man maar niet zoo kan overloopeD van de eene sfeer tot de andere; om hooger sfeer te bereiken dient een weg van loutering te worden afgelegd; maar om dien armen stakkerd in de hel moedvol te stemmen, dat komt in Abraham niet op; b? zegt hem alleen dat hij niet overloopen kan, zooals bjJ daar nu is. Dat God niet eeuwig zal twisten, nocli eeuwig den toorn behouden, zou voor den rijken man, die thans een arme is, een rijkdom hebben ingehouden grooter en grootscher dan zün geheele aardsohe b^zit ooit geweest was; maar hieromtrent zweeg Abraham, genietende de hemelsche vreugde met Lazarus in zijn schoot.

Zou, zoo die gelijkenis waarheid bevatte, ooit van genieten sprake kunnen zijn? Zou er een hemel bi^: nen bestaan van waaruit wij onze mede-schepselen 6" broeders konden zien in hun ellende en smart en bftj.

zelfs konden toespreken zonder een hand te kunnen idtsteken raar leniging?

Met den grootsten eerbied en ontzag gesproken, beware God'ons voor zulk een hemel.

Dan liever met een zondaar als de rijke man in de hel, die medeleven toont met hot lot zijner broeders, die op aarde achter bleven, dan in een hemel van zelfgenoegzaamheid, waar wij zijn gekomen door de ver-- dienste van een z.g. goed aardsch leven. Zulk een hemel is ons dan niet bereid als een gevolg van Gods Vaderliefde, maar een plaats, die wij rechtens ons aardsche leven moeten bezetten. Theologie in een handomdraai.

En de schrijver van de gelijkenis heet, alleen omdat hij zoo iets durft schrijven, een der „zeer kleinen en bekrompenen".

Merkwaardig is ook de volgende uitlating:

Maar Abraham blijft onvermurwbaar. Met afwijzend gebaar geeft hij duidelijk te verstaan dat, indien zij Mozes en de Profeten niet hooren, zij zich ook niet zouden laten gezeggen door een, die uit den doode zou opstaan.

Nu is het voor velen voldoende om daarmede aan te toonen de onmogelijkheid van het verkeer tusschen twee werelden, maar dit blijkt geenszins er uit. Al vindt, volgens deze gelijkenis, vader Abraham het overdadig, dat iemand uit den doode zou verrijzen om van het eeuwige leven te spreken „omdat de wereld daar toch niet naar zou luisteren", wordt dit inzicht van Abraham door Jezus zelf ter zijde geworpen door zijn eigen opstanding. En daarom kunnen wij dit geheele verhaal als van Jezus alkomstig, niet als zoodanig van hem aannemen. Wij hebben alle reden aan fe nemen, dat dit bijbelverhaal geen recht heeft op het etiquet „waarheid", weshalve wij het dan ook met een gerust hart ter zijde kunnen stellen.

Wij noemen deze dingen slechts, wijl ze duidelijk demonstreeren, op welke manier men zich wijs maakt, het spiritisme te kunnen vereenigen met den bijbel. Wat van den bijbel zoo overblijft, valt duidelijk te zien.

Theo-logisch' denken.

Ds A. G. Wolf van Antwerpen schrijft in zijn blad „Stok en Staf" over het theo-logisch denken:

Onder deze uitdrukking verstaan wij dat eigenaardig soort denken van den Christen, dat zich in de eerste plaats op God richt en in de tweede plaats op God en voorts, als had het zich nergens anders meer op te richten in het leven, altijd weer op God. Wie theologisch denkt, denkt lijnrecht naar boven. Zoo'n mensch gaat in zijn denken aan den kant van God staan, beziet het leven van daaruit en bekommert zich eigenlijk slechts om de vraag, hoe Gods denken nagedacht en gerechtvaardigd kan worden in deze wereld. Voor wie theologisch denkt, bestaat er geen ander criterium dan het criterium Gods, zoodat, voor zijn besef, de vraag of iets waarde heeft of niet, rechtstreeks van uit God beantwoord moet worden.

Ik geloof dat er ook in onze kringen steeds meer menschen komen die welbewust zóó en niet anders willen denken. Vroeger hebben ze het misschien anders gedaan. Ze zijn waarschijnlijk begonnen met het psychologisch denken dat rondcirkelt tusschen menschen en hun klein zielsgedoe en dat nooit uit die menschen los kan komen omdat het, als bet er uit los kwam, op hetzelfde oogenblik op zou houden psychologisch denken te zijn. Of ze zijn begonnen met het e t h i s c h-r eligieuse denken, dat denkt tot aan God, tot aan de heerlijkheid van Zijn wezen, maar dat nooit eens dieper doordringt en iets tracht te veroveren uit de ondoorgrondelijke diepten van het wezen van God zelf.

Maar nu zijn ze min of meer genezen. Ik raad deze menschen aan, den brief aan de Romeinen eens te lezen en dan zeer bepaald van uit het gezichtspunt van dit zooeven aangeduide theologisch denken. Wat begint dit boek dan geweldig te leven! 't Is het klimaat van den Overkant dat ons omwaait; de opbeurende, waarlijk verjongende atmosfeer van Gods bergen, die ons tot stille zangers in de dalen maakt. Hier is de mensch nu eens waarlijk niets. Gods gerechtigheid wordt hier bezongen! Gods genade lacht! Gods uitweg gaat open! De wereld van Gods gedachten zet loodrecht van boven in deze wereld i n en doorsnijdt haar als een oordeel, terwijl het aanrakingspunt van die beide genade en mysterie tevens is. 't Is God die verkiest. God die rechtvaardigt, G o d, die Z ij n Weg openbaart als al onze wegen menschenwegen, dat wil zeggen, dwaalwegen zijn gebleken. En het gevolg? Dat wij eindelijk, eindelijk wat kleiner van ons zelf gaan denken. Wij houden op, elkander te ontmoeten, waar wij elkander zoo graag ontmoeten willen nl. in onze grootheid, op de hooge bergen van wat wij zijn en wat wij hebben en wat wij kennen en We gaan elkander eindelijk opzoeken in het ontzaglijke vele wat wij niet zijn en niet hebben en in 't allerminst niet kennen.

De band dien wij aan elkander voelen wordt de band van onze negativiteit, terwijl het eenige positieve wat wij overhouden God is en wat H ij denkt en doet en spreekt en wil en zegent. God wordt voor ons wat ïïij is: de eerste. Hij blijft voor ons wat Hij was: de laatste. God leeft en wat wij waarlijk leven, leven wij uit Hem.

Dit alles en nog zooveel meer leert ons de Romeinenbrief, omdat de schrijver, die de Geest is, ons het gebeim ontdekt van het theologisch denken. En zulk een geheim ontdekt te hebben, is geen klein ding in een menschenleven.

"Jok in dit artikel, evenals in het vorige, dat we hier ^6n plaats gaven, laat ds Wolf iets zien van de overinning van den gereformeerden geest, gelijk in den 'aatsten tijd deze zich al duidelijker doet haai zien en m r resultaten valt te herkennen.

Ned. Ghr. Radio-Vereeniging.

Miet allen de N. C. R(eis) V., maar ook de N. C. R(adio) V. mogen spreken van een krachtige opleving en plotseling opkomenden bloei. Het Chr. Tijdschrift voor Radio merkt op:

Die snelle groei is ook een verschijnsel bij onze vereeniging. In het najaar van 1924 werd, op initiatief van den legenwoordigen secretaris, te Utrecht een vergadering gehouden van belangstellenden in de Christelijke radio-actie. Slechts %'ier personen waren tegenwoordig!

Thans tellen we in bijna iedere plaats van Nederland onze leden en correspondenten, terwijl het ledental dagelijks met tientallen toeneemt en onze organisatie met eere genoemd wordt.

Aanvankelijk vonden wij weinig sympathie. Buiten onzen kring sprak men van sectarisme; in eigen kring zag men met een medelijdenden glimlach toe. Hoe is dat in één jaar gewijzigd! A'^an alle zijden begint men de waarde van de nieuwe uitvinding in te zien!

Ons klein maandblaadje werd eerst een weekblad van 8 blz. en verschijnt thans wekelijks met 16 kwarto pagina's.

Onze bond is in de Regeerings-commissie voor den Draadloozen Omroep vertegenwoordigd en onze Voorzitter is van die Commissie Secrtetaris. Inzake de kerkdiensten is een regeling getroffen, waardoor in het komende jaar eiken Zondag tenminste één dienst door bemiddeling van onze vereeniging wordt uitgezonden.

Zoo is er alle reden tot dankbaarheid.

Dankbaar denken we aan het vele, dat zonder vergoeding voor onze vereeniging is verricht door allen, die onze programma's vulden. Dank zijn we vooral verschuldigd aan Zijne Excellentie den Heer A. W. F. ' Idenburg, die den avond vóór Kerstmis 1924 onzen eersten omroepavond opende, die zijn machtig schild boven onze jonge organisatie ophief, die zijn naam aan onze vereeniging wilde verbinden, waardoor hij toonde vertrouwen te hebben in ons doel en in onze personen.

Het mooie van deze tweede N. C. R. V. is, dat, waar de eerste N. C. R. V. slechts aan eigen leden vruchten in den schoot werpt, tenminste (want ik heb niet graag ruzie) in meer directen zin, zij, de tweede N. C. R. V. in rechtstreekschen zin anderen deelen Iaat in haar zegeningen.

Roomse h—R o o d.

„De Banier", het orgaan van den heer Kersten c. s., schrijft:

Het is onnoodig te zeggen na al het geschrevene, dat wij heeler harte hopen dat dit pogen (het herstellen der coalitie) niet gelukke. Liever gaan wij den hangen strijd aan tegen de combinatie Rome—^Rood, dan dat wij ons volk zien verlammen in de coalitie.

„De Waarheidsvriend" merkt naar aanleiding daarvan het volgende op:

Inderdaad is wat hier geschreven werd kras, maar tevens ook onverantwoordelijk.

Heeft de schrijver zich wel ingedacht, welke ellende hij met zijn advies over ons volk brengen zou?

Want de combinatie Rome—Rood zou de macht van Rome niet inperken, maar integendeel uitbreiden. Zij zou tot de vernietiging kunnen leiden van het Protestantsch beginsel in Nederland, en daarmede geestelijke goederen, op welker bezit wij. Calvinisten, hoogen prijs stellen, verloren doen gaan.

De Roomsch Katholieken zien nog met groote bezorgdheid op tegen het tijdstip van de „uiterste noodzaak". De Staatkundig Gereformeerden - hebben zich met de combinatie al vertrouwd gemaakt.

Beter ware 't, dat de laatsten de bede omhoog zonden: „En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze".

Het is goed, dat de heer Kersten maar eens zegt, wat hij aandurft. In dit opzicht valt hij ons werkelijk mee, al valt hij, voor wie nog 'n klein hoopje op z'n gezichtsvermogen hadden, in alle andere opzichten nu eerst recht tegen.

Joodse he exegese.

Ds Velders schreef over de Joodsche lezing en verklaring van Jesaja 40 : 1 het volgende in een zijner brieven.

Wie onzer kent niet het aandoenlijke profetenwoord uit Jes. 40: „Troost, troost Mijn volk" Daardoor geeft de profeet toch de opdracht te kennen, die hij en zijn medeprofeten van God hebben ontvangen om Israël te troosten. Zuiver zendingswerk dus, want de Heere noemt Israël Zijn volk en Hij is hun God.

Maar de joodsche zelfverheerlijking geeft aan de woorden een andere beteekenis. Er staat in het Hebr.: Nachamoe, nachamoe amie. Het werkwoord is hier in een bepaalden vorm gebruikt (Piel) en dan wil het zeggen: iemand adem doen scheppen, iemand troosten. De oproep Gods tot de profeten is dus om anderen te troosten en die anderen ziJn dan de Israëlieten.

De joodsche uitleggers zeggen ook dat het werkw. niet beteekent zich troosten maar anderen troosten. Maar wie getroost moet worden, staat er, volgens hen, niet bij. Zij laten het voorkomen alsof Gods opdracht om te troosten tot het volk komt. Dus zij lezen zoo: „Mijn volk troost!"

En dan redeneeren zij verder: „Als iemand een huis of een wijngaard heeft en het huis gaat in vlammen op of de wijngaard wordt verwoest, wie moet dan getroost worden over het verlies? Toch zeker de eigenaar van het huis of van den wijngaard. Zoo was Israël Godes wijngaard en de vijanden hebben dien wijngaard geplunderd. Daarom spreekt God, troost M ij, mijn volk, troost M ij. Hoe kan Israël God troosten? Door den slechten weg te verlaten en den goeden weg weder te bewandelen. De troost over het verlies van Israels volksbestaan, dus de verlossing uit de Goloes (ballingschap) ellende, komt niet van God, maar moet van het volk Israël zelf komen. Israël moet God troosten". >

Wat zegt ü van zoo'n verklaring? Wie de Joodsche theologie eenigszins kent, verwondert zich niet meer over zoo'n exegese, maar is het door zoo'n enkele verklaring niet duidelijk, dat de eigengerechtigheid, de joden geheel heeft verward?

Daar ïis dë' gÖédè God bedroefd over, hetgeen de vijanden aan Zijn wijngaard deden en Hij roept dea wijngaard (Israël) op om Hem te troosten. Ja, ja. God heeft eigenlijk alles in handen van Israël en dan nu natuurlijk alles in handen van het jodendom gelegd. Welk een voortreffelijk geslacht moet dat toch zijn. Het heeft troost voor den hemel.

Het is niet voor niets, dat het Nieuwe Testament den Christus teekent óók onder den naam: paraklètos: trooster; en dat die naam ook aan den Geest gegeven wordt, in Wien Hij tot de Zijnen wederkeert. Ook in die dingen maakt God geschiedenis.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 januari 1926

De Reformatie | 8 Pagina's

PERS-SCHOUW.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 januari 1926

De Reformatie | 8 Pagina's